MEDITATIE
Ook hebt Gij mij gegeven het schild Uws heils, en door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt. 2 Samuel 22 vers 36.
Het schijnt tegenwoordig een eis van algemene ontwikkeling te zijn, om op de hoogte te zijn met de moderne poëzie (= dichtkunst). Is men onbekend met wat de eerste de beste, pas opgedoken, en nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, moderne experimentele dichter heeft ontboezemd, dan wordt men al gauw als achterlijk, of in elk geval als iemand met een gebrekkige algemene ontwikkeling beschouwd.
Maar 't is zo opmerkelijk, dat velen, die zo dwepen met de moderne poëzie, of in het algemeen met de wereldlijke dichtkunst, soms zo bijzonder slecht op de hoogte blijken te zijn met de dichtkunst, die in de bijbel voorkomt, met de Hebreeuwse poëzie. Terwijl men toch juist in de Heilige Schrift specimina van dichtkunst aantreft, die èn uit artistiek èn uit religieus oogpunt, het hoogste geven, omdat men hier te maken heeft met het geïnspireerde Woord van God.
Onze tekst staat in een poëtisch stuk van de dichter David. Welk een veelzijdig man was hij toch 1 Koning over Israël, profeet, maar ook: dichter bij de gratie Gods ! Hoe zuiver spruiten zijn emoties uit in zijn dichtwerk. Al naar de gesteldheid van zijn hart is het een klaaglied of een loflied.
In 't eerste hoofdstuk van het boek 2 Samuel is David bedroefd. Daar beeft hij juist de tijding ontvangen, dat Saul, maar ook diens zoon, Davids boezemvriend Jonathan, zijn gevallen op het gebergte van Gilboa, in de strijd tegen de Filistijnen.
En dan zingt hij een klaaglied, in mineur; „Gij bergen van Gilbao, noch dauw, noch regen moet zijn op u, noch velden der hefofferen; want aldaar is der helden schild smadelijk weggeworpen, het schild van Saul, alsof hij niet gezalfd ware geweest met olie".
Tegen het einde van het boek 2 Samuel treffen we weer een lied van David, aan, n.l. hier in hoofdstuk 22, maar daar is de toon heel anders. Nu is het een loflied, een danklied, een overwinningslied. Dit lied sprak David tot de Heere, ten dage, dat de Heere hem verlost had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul. Als uit een droom slaat David de ogen op vanuit de roerigheid van zijn bezige strijdersleven, en zie — hij is verlost! Toen zei hij: „De Heere is mij mijn Steenrots, en mijn Burcht en mijn Uithelper. God is mijn Rots; ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek en mijn Toevlucht; mijn Verlosser! Van geweld hebt Gij mij verlost!" (vs. 2 en 3).
In deze schijnbaar dorre, maar doelmatige opsomming (want we zijn hardleers !) treft ons de aanduiding van God als: mijn Schild. Hier in onze tekst wordt niet God Zelf, maar een gave van God, het handelen van God, het ingrijpen van God in-het leven van David, een schild genoemd. Het schild is niet iets, dat vaag boven David zweeft, maar dat hem metterdaad wordt toegereikt, dat werkzaam wordt in zijn leven, dat door hem ervaren wordt. Het heil, de verlossing, de uitredding van David, is gebleken zijn krachtige, ondoordringbare schild te zijn. Krachtiger dan het schild der vijanden, ook krachtiger dan de wapenen der vijanden. Een enkel voorbeeld uit het leven van David: Als de kampvechter Goliath naar voren treedt, om de strijd aan te binden, staat er van deze Filistijnse geweldige geschreven, dat „zijn schilddrager voor zijn aangezicht ging". (1 Sam. 17 : 41). We zouden haast medelijden krijgen met de kleine David ! Zonder schild en harnas trekt hij de geduchte tegemoet, slechts bewapend met zijn slinger en enkele stenen uit de beek. Saul had hem een wapenrusting aangeboden, om in de strijd te dragen, maar die paste hem niet. En toch was David niet zonder wapenrusting en zonder schild, al was dit voor het menselijk oog onzichtbaar. „Ook hebt Gij mij gegeven het schild Uws heils". De machtige werd geveld. en de zwakke behaalde de overwinning.
Wij zien uit dit voorbeeld ook, dat het feit, dat David het heil des Heeren als schild had, hem niet van de plicht om ook zelf te strijden onthief. Soms is het inderdaad gelijk als Mozes tot Israël aan de Schelfzee riep: „De Heere zal voor u strijden, en gij zult stil zijn. Maar dit was een buitengewoon geval. Meestal werkt de Heere middellijk. David was in elk geval aangegord met een behoorlijke dosis moed en godsvertrouwen. Ook dit fungeerde als zijn schild. Deze moed en dit vertrouwen had hij evenwel niet van zichzelf, maar ontving hij van God.
Ook een kind des Heeren kan vaak lijden aan mistrouwen ten opzichte van God. En al is het, dat het dan nog niet openlijk met de mond wordt uitgesproken, dat God een leugenaar is, dan kan het hart toch vol zijn van dergelijke goddeloze gedachten. Ze denken, dat God slaapt. „Waak op, waarom zoudt Gij slapen, Heere ? Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid". (Ps. 44 vs. 24). Daarom is het nodig, dat het Woord des Heeren in al zijn zuiverheid hen telkens aanspreekt. „De rede des Heeren is doorlouterd", zegt David, „Hij is een Schild allen, die op Hem 'betrouwen" (vs. 31). Het vertrouwen op het Woord des Heeren, dat fungeert als een schild tegen de inwendige vijanden, tegen de ingevingen van de Satan, tegen de valse gedachten, tegen de twijfel en de wankelmoedigheid. En wanneer wij niet bij de eerste de beste gelegenheid smaken, wat God ons beloofd heeft, of wanneer het schijnt, dat. wij teleurgesteld worden in datgene, wat wij verwacht hebben, laten we dan, om een dergelijk mistrouwen ver van ons te werpen, een schild maken van deze uitspraak : „Het Woord des Heeren is doorlouterd".
Onze tekst vervolgt met te zeggen: „Door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt".
Het woord „verootmoedigen" zegt hier iets van God. De verootmoediging is een daad in het goddelijke Wezen Zelf. Het betekent hier niet: God verootmoedigt de mens, maar God verootmoedigt Zichzelf; Hij gaat naast de mens staan in zijn noden, en ondersteunt hem. God ziet neer vanuit de hemel, en Hij daalt af, om het voor Zijn bedrukte volk op te nemen tegenover de vijanden. Dat is ook duidelijk gebleken in Davids leven. David is niet groot geworden, doordat de mensen zoveel van hem hielden, doordat de mensen zich voor hem verootmoedigden. Hij heeft het van de verootmoediging Gods moeten hebben. Door degenen, die hem het naast moesten staan soms in de steek gelaten, mocht hij wel zingen: „Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mij aannemen".
„Door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt".
Het diepst heeft God Zich verootmoedigd in de incarnatie van Christus, in de vleeswording des Woords. Hij is geworden het ware zaad Davids, Zijn broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Immanuël, dat is: God met ons.
Jesaja 53 zegt van Hem, dat Hij was „een man van smarten, en verzocht in krankheid", d.w.z. Hij kende onze krankheid. Hij leerde die kennen 'uit ervaring als mens. „Verzocht" in krankheid, d.i. vertrouwd met krankheid, altijd staan in het weten, het ervaren wat krankheid en ellende is.
Voorzover Hij God was, kende het Woord eeuwig onze ellende; Hij kende haar beter dan wij: volkomen; maar Hij kende ze niet op dezelfde wijze als wij, omdat Hij ze niet ondergaan en ervaren had, en Hij kon ze slechts ervaren door mens te worden. Daarom heeft deze God, Die onvatbaar was voor lijden. Zich vernederd tot het lijden toe; en terwijl Hij de gedaante van een dienstbaar mens aannam, heeft Hij de ellende en de onderworpenheid ondergaan, om mededogen en gehoorzaamheid te leren. Dat was een ervaring, waaraan Hij zeker geen behoefte had om Zijn kennis te verrijken — Hij wist immers alles — maar om op de wijze der mensen dit lijden te ervaren, waarvan Hij een geheel goddelijke kennis had.. En in die zin is het niet overdreven om te zeggen, dat God Zichzelf heeft onderwezen door Zijn incarnatie. Datgene, wat Christus naar Zij'n goddelijke natuur reeds wist, heeft Hij willen voelen, dat wil zeggen : het anders willen weten, in Zijn menselijke natuur, en Hij heeft het willen weten voor óns, om ons door Zijn lijden te brengen tot Degene, van Wie wij ons (door onze zonden) zover verwijderd hebben.
Hij maakt Zijn Kerk groot. Hij leidt haar, door beproevingen van ziekte of armoede heen, door tegenstand van onderdrukkers (buiten of op huichelachtige wijze nog in de Kerk) heen, haar als een Schild bewarende, tot in de heerlijkheid.
Opdat niet de mens, maar God de eer ontvangt.
Dan zingen zij, in God verblijd, Aan Hem gewijd Van 's Heren wegen. Want gróót is 's Heeren heerlijkheid".
(Wijngaarden)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's