Meditatie
DE ONDERSTEUNING DES HEEREN
Vele gedeelten uit de Bijbel zijn voor ons onbekend, terwijl andere gedeelten zeer bekend geworden zijn. Zo zijn er ook teksten, die wij alle goed kennen en veel herhalen. Eén van de zeer bekende teksten is wel de tekst: „draagt elkanders lasten". De tekst wordt veel genoemd en gebruikt om daarmee duidelijk te maken, dat het medeleven met onze naaste niet alleen noodzakelijk is, maar ook een bijbelse roeping. We hebben ook als mensen in dit leven voortdurend elkander nodig en we zijn in vele dingen menselijk op elkander aangewezen. Dat is overal, maar wordt misschien wel in het bijzonder beleefd in een kleine gemeenschap van dorp of wijkgemeente. De steun van elkander kunnen we niet missen. Het leven is vaak zo druk en zwaar, dat de mens behoefte heeft om eens met een ander daarover te spreken. Het komt voor, dat iemand in de dagen van rouw of zorgen een goede steun heeft aan een ander, bij wie deze zijn of haar hart eens kan uitspreken. Ofschoon wij zeggen, dat mensen moeilijke vertroosters zijn, toch kunnen we elkander nog tot steun zijn. Dit is trouwens ook onze roeping in deze wereld, niet om elkander te haten en te verbijten, maar om elkander lief te hebben als onszelf. Deze roeping wordt veel verzuimd. Inplaats dat wij onze naaste ook in de kerk ondersteunen en opbeuren, zelfs geestelijk, wordt deze nogal eens neergedrukt en veracht. We helpen soms alleen maar bepaalde personen, die naar onze smaak zijn. Hierdoor wordt wel eens een droevig en tobbend mens teleurgesteld.
Gelukkig spreekt ons de Bijbel van een andere ondersteuning. In Psalm 145 lezen we, dat de Heere ondersteunt allen, die vallen, en Hij richt alle gebogenen op. De Heere maakt geen onderscheid. Niemand is voor Hem te min of te vijandig en ook niet te hoog en te rijk. Hij ondersteunt allen. „Ja maar", zal een Iezer(es) zeggen, „dit ruikt naar algemene verzoening". Wij, mensen, hebben op geestelijk terrein zulke fijne neuzen, althans naar onze gedachte, zodat we soms meer ruiken, dan er te ruiken is. Daardoor komt het misschien wel, dat we alleen onze eigen geur ruiken, zodat wij ook de Bijbel zo geheel naar eigen inzicht en maatstaf hanteren en niet de Bijbel zelf laten spreken.
Als hier in Psalm 145 gesproken wordt over allen, moeten we er goed op letten, hoe deze allen genoemd worden. Het zijn al diegenen, die vallen en gebogen zijn. Zo komt eerst de vraag aan de orde: „Wie zijn gevallen en wie gaan gebogen voort? " Hier ligt de scheiding en hier valt de beslissing, en niet bij het ondersteunen door de Heere.
Wie zijn dan gevallen en gaan gebogen voort? In dit leven gaan vele mensen gebogen onder een zwaar kruis voort. Ieder huis heeft zijn kruis. Het verlies van een geliefd kind, de ziekte, de tegenslagen in het leven, ook wel een onwillig kind, een slecht huwelijk, ja vele dingen zijn te noemen, die voor ons een zwaar kruis kunnen zijn'. Het leven is geknakt en wij gaan gebogen verder. Worden deze door de Heere ondersteunt? Ja zeker wel! Kracht wordt bij het kruis gegeven. In Zijn algemene genade laat God, de Heere, de grootste vloeker nog niet alleen in zijn nood. God ondersteunt, maar het is de vraag of wij dit ook met het oog des geloofs zien en wij in al onze zorgen steeds de Heere God als de ondersteuner zoeken.
Het gevallen zijn en gebogen gaan raakt 'n diepere zaak. De Heilige Schrift leert ons, dat wij allen gevallen ziin en gebogen onder een kruis voortgaan. Wii hebben bij onze zondeval God verlaten en zijn tegen Hem m opstand gekomen. Wij zijn eigen gekozen wegen gegaan, ongehoorzaam aan de Heere, willende als God zijn. Wat is het gevolg? Wij dwalen nu in de duisternis der zonden. Als gevallen mensen, afgevallen van God en Satan toegevallen, gaan wij ook gebogen voort onder de vloek des Heeren. Het oordeel van God is, dat het ganse aardrijk, ook wijzelf, vervloekt is. Onder deze vloek leven wij nu. De aarde brengt doornen en distels voort. Paulus zegt dan ook, dat de ganse schepping zucht. Ook de dieren gevoelen deze vloek. De ene mens slaat de ander dood. Het ene dier eet het andere op. De soldij van de zonde is de dood. Waren er geen zonden, dan waren er ook geen wonden, ligt hier ook een antwoord op al onze „waaroms".
De mens is gevallen en gaat gebogen voort. Dat is onze natuur. Maar, zegt onze tekst, de Heere ondersteunt, dus, zal iemand zeggen, laten we de lofzang aanheffen. Alles komt toch weer goed. Kunnen we dan toch spreken van een algemene verzoening? In Adam gevallen, in Christus verkoren. Halleluja!
Toch ligt ook hier een onderscheid. De vraag voor ons ieder is of wij waarlijk ons hebben leren kennen als een gevallene en of wij onze zondelast voelen drukken. De dichter zegt: „Zulk een last van zonden en plagen niet te dragen, drukt mijn schouders naar beneên". Dit is een vrucht van het ontdekkende werk des Geestes. Zonder deze ontdekking kunnen we wel over zonde praten maar niet beleven en ontbreekt iedere bekommernis der zonden. Wanneer wij, als gevallen mensen, geplaatst worden voor Gods heilig recht, wie van ons zal dan bestaan. Door het werk van Gods Geest wordt de zondaar neergeslagen en het hart gebroken. Het Pinksterfeest leert ons dit. We lezen, dat het volk door het horen van de rede van Petrus verslagen werd in het hart. De noodroep is dan: „Wat zullen wij doen". Gods Geest werkt door. Ook heden wordt deze noodroep geleerd, als wij gebracht worden in de diepte van schuld en ellende. In deze diepte nu wordt de ware gebogene en verslagene van geest gevonden. Als wij onze schuld en zonden moeten belijden, dan eerst gaan we roepen om redding en verlossing.
Kennen wij deze diepte en die noodkreet om hulp? Drukt de zondelast ook op uw schouders, lezers? Zijn we het eens met en vallen we de dichter bij van Psalm 130, als hij zegt: „Zo Gij, Heere, in het recht zult treden en gadeslaan onze ongerechtigheden, wie zal dan bestaan? " Voelen we ook ons vergaan?
Dit is niet de mens in de put stoppen, en ook niet tot wanhoop brengen. Immers juist in die diepte is de boodschap des Heeren een wonder. De Heere ondersteunt! Hoe is het mogelijk! Ik ben door eigen schuld van Hem afgevallen en toch wil Hij mij weer oprichten. Dat is een wonder en we hoeven aan Zijn genade en macht tot ondersteuning niet te twijfelen. In Psalm 145 wordt de Heere bezongen als de Koning en de Jehova. Hij is Koning en daarom heeft Hij alle macht. Hij is ook Jehova en daarom houdt Hij getrouw Zijn Woord en Zijn Verbond. In Zijn trouw wil Hij nog ontrouwe zondaren ondersteunen.
Hierin ligt niet alleen een vertroosting, maar ook een waarschuwing. De Heere is Koning. Niemand is buiten Zijn heerschappij. Hij kent ons allen, zowel de oprechten als de geveinsden. Komen wij niet tot de erkenning van onze val, leven wij voort in onbekeerlijkheid, zij het ook in de één of andere kerkelijke vorm, dan zegt ook Psalm 145, weet: „De Heere is Koning, en als Koning zal Hij ons moeten oordelen als onwillige onderdanen". Wat is dan zijn oordeel? God is ook getrouw. Hij houdt Zijn Woord. Zijn Woord over de zondaar is: „gij zult de dood sterven". Zijn oordeel moet ook over ons, zo wij zonder wedergeboorte en bekering sterven, zijn: „Ga weg van Mij in het eeuwige vuur, gij werkers der ongerechtigheid". Zo wij? Onze val is dan groot. Deze val is voor eeuwig en er is geen ondersteuning te vinden. Bekeert u en leef. Valt neer voor de Heere in de schuld. Immers de vallende richt Hij op. Dat is de troost in de diepte van schuld. Waarom Heere wilt Gij mij nog oprichten? Dat is de vraag van de in zichzelf gevallen mens. Het antwoord is: „Omdat Ik de Heere ben". Dat wil zeggen, omdat Ik, als Jehova, trouw blijf en Mijn verbond gedenk. In
Zijn trouw is Hij ook mens geworden in de persoon van Jezus Christus. Deze is geworden de enige ondersteuning, de rustplaats, waarop de gebogenen kunnen vallen. Hij is een gebogene geworden. In Gethsemané ligt Hij gebogen op de grond. Zijn ziel is bedroefd tot de dood toe. Op Golgotha ligt de toorn des Heeren op Hem. Hij is van God verlaten. God wordt mens, enkel en alleen uit liefde. Hoe diep moet Hij vallen! De angsten der hel treffen Hem in de godverlatenheid. Zo diep moet Hij gaan, omdat wij zo diep gevallen zijn. De Heere ondersteunt en doet ook Hem overwinnen. Satan wordt verslagen. De verzoening wordt bewerkt door voldoening. Deze Jezus^ Christus, de ondersteuning, roept ons nu toe: „Komt tot Mij allen, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven".
De worstelende zondaar gaat gebogen voort onder zijn zondenlast, maar hij mag vallen in Gods vaderlijke armen en kan rusten op Hem, door Jezus Christus. Dat is een heilzame val. Hebben wij deze val reeds gemaakt? Voor het vlees is deze val pijnlijk. Immers we moeten daarbij al het onze verliezen. Toch is dit niet een val tot de. dood, maar tot het eeuwige leven. Wij wel ontrouw, ook in het leven des geloofs, maar God, de Heere, blijft getrouw. Dit geeft in dit leven vol moeiten en zorgen en zondenstrijd rust en ook een goed vooruitzicht. God, de Heere, richt op, sterkt en geeft kracht. Ik ben met u, zegt Jezus Christus, tot het einde van de wereld. We mogen zelfs Zijn zegeningen genieten in het uur van onze dood. Door de diepte van schuld en ellende heen wordt het loflied in het hart van de gevallen mens gegeven. De Heere ondersteunt en daarom mag ik en kan ik zingen:
Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt!) Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen. Verzadigd met Uw Godd'lijk beeld.
Amen.
(Scherpenisse)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's