Kroniek
Van preken en kerkdiensten — Uit de Chr. Geref. Synode — Nijborg III — Over het ambtsgebed in de Statenvergadering van Zuid-Holland.
Aan Spurgeon werd eens gevraagd - zo gaat althans het verhaal — hoeveel tijd hij wel nodig had om een preek voor te bereiden. Zijn antwoord luidde, dat dit ervan afhing hoe lang de preek moest duren; was dit een uur, dan moest hij wel drie dagen ervoor studeren; moest het een preek van twee uur zijn, dan was één dag studie voldoende, en voor een preek van drie uren behoefde hij helemaal niet te studeren.
Naar dit verhaal, voor welks waarheid ik niet kan instaan, te oordelen hebben de dominees, die ik tijdens mijn vakantie in het hoge Noorden beluisterde, wel vele dagen voor hun preek gewerkt. Ik woonde vier diensten bij. Een daarvan duurde amper een uur. Twee andere namen iets meer tijd, en de vierde — een „jeugddienst" — duurde ruim anderhalf uur. Maar de preken — de „jeugddienst" uitgezonderd — waren niet van het gehalte, dat Spurgeon's tijdschema zou doen verwachten: ze waren mager. Het essentiële ontbrak er naar mijn oordeel aan. „Er vloeide geen bloed", om een uitdrukking der ouden te bezigen, m.a.w. Christus in Zijn noodzakelijkheid en gepastheid, in de rijkdom van Zijn verzoenend lijden en sterven in het licht Zijner verrijzenis, kreeg niet de plaats, die nodig is. Dat lag niet aan de korte duur. Ook in een korte preek behoeft dit wezenlijke niet te ontbreken. En een lange geeft geen garantie dat Christus er in verhoogd wordt voor heel het volk!
Ik beluisterde twee maal de preek in een naar de eisen van de tijd, waarin het gesticht was, gerestaureerde kerkgebouw. Helaas had door de restauratie de akoustiek der kerk zozeer geleden, dat de preek moeilijk te volgen was. Dit kon, zei men, ook niet verbeterd worden door geluidinstallaties. Dat is heel jammer, want het geheel is een lust om te zien. Akoustiekbezwaren zijn heel vaak het gevolg van restauratie, zoals ze tegenwoordig haar beslag krijgt. Dan ontvangen we kerken meer gepast voor de r.k.-eredienst dan voor de Dienst des Woords naar reformatorische eis.
Hoe dan ook, ik trof het in het Noorden met luisteren niet te best, uitgezonderd dan de preek in de „jeugddienst". Ik moest de franje die er om heen hing er wel bij nemen; ze deed me niets. Ze kon m.i. heel goed gemist worden. En dan behoefde de preek niet minder tot de gemeente, met name tot de jongeren te spreken.
Wat mij bijzonder heeft getroffen was wel het orgelspel. Dat was verrukkelijk: een machtig orgel heeft die kerk, waarin ik de jeugddienst bijwoonde. En de organist — hij is ruim 80 jaar oud — heeft gespeeld met een enthousiasme en bezieling, die me stil maakten. Hij had veel werk die avond; hij moest 33 coupletten begeleiden. Een week later hoorde ik hem weer. Toen was het niet minder bezielend. Jammer dat de predikant die uit Ps. 73 preekte, uit die psalm geen enkel vers liet zingen. Ondanks hernieuwde belangstelling voor de psalmen — naar men zegt door de "proeve" van nieuwe berijming — zijn de psalmen nog vaak een schier vergeten hoofdstuk. Zo was het in die dienst. De organist die ik na afloop sprak, betreurde met mij dat ontbreken zeer. Dit waren mijn vakantie-ervaringen wat de zondagen betreft, in het Noorden. Daarna kon ik nog in het centrum des lands kerken. Daar hadden we, mijn vrouw en ik, het beter. Tweemaal beluisterden we een prediking die ons trof en sterkte. Dan is luisteren een weelde, door mij temeer gewaardeerd, omdat ik er niet elke zondag voor in de gelegenheid ben. Maar genoeg nu over „preken en kerkdiensten" die voor ons in onze vakantie een bijzondere belevenis waren. Ze deden temeer beseffen, hoe moeilijk, hoe verantwoordelijk, maar ook hoe rijk preken is.
De 18e september laatstleden zette de Generale Synode der Chr. Gereformeerde Kerken haar reeds in augustus aangevangen zitting voort. Haarlem, of juister Santpoort was de vergaderplaats, waar de Pniëlkapel voor de vergaderingen was ingericht. Ik heb met bijzondere belangstelling de verslagen van die Synode gevolgd, en gemerkt, hoe ook in de kringen der Chr. Geref. Kerken, — haar „ligging" heeft nogal overeenkomst met de onze — in meer dan één opzicht dezelfde vragen, als die ons beroeren, daar aan de orde zijn. Ik denk, om dit allereerst te noemen, aan het jeugdwerk. Met name het kampwerk is intens aan de orde geweest.
Men heeft daar de organisatie van „De Fakkeldragers". Ze gaat, heb ik goed gelezen, niet rechtstreeks uit van de Chr. Geref. Jeugdbond. Daarom is er nogal op aangedrongen dat Bond en „De Fakkeldragers" in directer verband met elkander zouden werken. Prof. Kremer drong hier nogal op aan. De organisatie voor het kampwerk is ter Synode wel onder kritiek genomen. Men sprak zelfs van „methodisme", ja zelfs achtte men ze niet vrij van „pelagiaanse" smetten. Nu schijnen er excessen te zijn geweest. Prof. Kremer, die het werk als zodanig in bescherming nam, wees op de worsteling onder de jongeren om in deze tijd die met vele vragen hen bespringt, verantwoord werk te doen, en pleitte ervoor, een leiding te geven, die met geduld en begrip aangewend, de organisatie in goede sporen zou houden. Temeer, waar de „excessen" waren erkend en door de betrokkenen schuld was beleden. Voorts werd erop gewezen, dat vele jongeren 's zondags trouw de tweede dienst bijwoonden en hierin de oudere gemeenteleden vaak beschamen. Al met al was het tenslotte een open oog hebben voor behoeften aan wat nieuwere vormen, mits het zij met vasthouden aan de oude normen, de normen van Schrift en Belijdenis.
Een der belangrijkste agendapunten was wel het niet — of wel — gebruiken van de Nieuwe Vertaling in de eredienst. De belangstelling voor het debat hierover was dan ook zo groot, dat lang niet allen konden worden toegelaten. Velen, ook die er een verre reis voor gemaakt hadden, moesten teleurgesteld buiten blijven. Aldus het verslag in „De Wekker" van 28 sept. 1962. De Synode kwam hiermede in één dag niet klaar. Donderdag en vrijdag is er over gediscussieerd. Vrijdagmiddag, de 21e september, zijn de conclusies van het „meerderheidsrapport" met 33 tegen 15 stemmen aangenomen, die dan het besluit der Synode vormen. Ik laat hier enkele van die conclusies volgen. Ze vormen wel de kern van het besluit:
De Generale Synode spreekt uit:
1. dat zij haar goedkeuring geeft aan de door deputaten verrichte arbeid en hun daarvoor dank brengt;
2. dat niet gebleken is, dat de tekst van de-Nieuwe Vertaling in strijd is met de Heilige Schrift als Woord van God, zoals de kerken het in art. 2 tot 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis beleden en derhalve het gebruik van de Nieuwe Vertaling naast de Staten Vertaling in de eredienst niet is af te keuren;
3. dat zij echter, gezien de huidige situatie het gebruik van de Staten Vertaling in de eredienst raadzaam acht;
4. dat de uitspraak sub 2. naar het oordeel van de synode uiteraard in geen enkel opzicht enige verandering inhoudt in de leer der kerken naar Schrift en Belijdenis noch in het beleven van Gods Waarheid, daar die niet afhankelijk zijn van een vertaling, maar gegrond op het Woord Gods zelf en iedere dienaar des Woords de taak heeft te allen tijde elke vertaling te toetsen aan het Woord van God in de grondtalen.
Men ziet, een wèl overwogen en met omzichtigheid genomen besluit. Wellicht, dat wat in sub 2 besloten is, meer in het Noorden dan in het Zuiden in praktijk zal gebracht worden. De afgevaardigden uit de kerken in het Noorden des lands leken de verslaggever van „Trouw" iets progressiever — ik vermeld wat hij schreef met mijn eigen woorden — dan die van de kerken uit het Zuiden. Maar de tijd zal het leren. Ook al is het gebruik van de Nieuwe Vertaling voor de eredienst dan vrij gegeven, geen predikant in de Chr. Geref. Kerken zal haar gebruiken vermoed ik, zonder overleg met de kerkeraad. Zo hoort het. Want alle dominocratie, domineesheerschappij, moet in Christus' Kerk gebannen zijn.
Rest nog mede te delen, dat besloten is, de Theologische School in Apeldoorn een nieuwe naam te geven, n.l. die van Theologische Hogeschool, en voorts, dat een 5e hoogleraar daaraan zal benoemd worden. Dit, omdat de vier, die nu het werk doen moeten, overbelast zijn. Wellicht kon daarom een hunner, prof. Hovius, niet als adviseur ter Synode zijn. Hij moet op medisch advies zich voorlopig van alle arbeid onthouden.
De praeses der Synode, ds. Velema uit Apeldoorn, sprak aan het einde, toen hij overging tot de sluiting, volgens het verslag in „Trouw" d.d. 29-9-'62: „Wat niemand had durven hopen is toch geschied; er is een gemeenschap der broederen en een besluitvaardigheid op deze synode aan de dag getreden als de laatste jaren niet is vertoond".
Dat waren goede klanken. Geen wonder, dat hij daarvoor tot God de Heere grote dank uitsprak. Wij kunnen ons met de broederen verblijden in wat ze zo hebben mogen beraadslagen en besluiten. Ook al zijn ze nog van ons gescheiden, ze zijn van de familie.
Dinsdag 2 oktober is te Nyborg in het strandhotel van de Deense zending de 3e conferentie samengekomen van afgevaardigden van Europeese kerken. Er waren ook afgevaardigden van achter het ijzeren gordijn. Men noemde in de verslagen deze conferentie: Nyborg III. Er blijkt voor de Nyborg-samenkomsten een groeiende belangstelling te zijn. Als onderwerpen waren aan de orde gesteld: „Het humanisme in ons werelddeel" en „De taak van het gewone gemeentelid (de „leek") in het kerkelijk leven". Het eerste onderwerp is ingeleid door drie sprekers; een daarvan was prof. dr. H. Berkhof uit Leiden. Ik ga hier geen verslag geven van het gesprokene en van wat ter discussie is gezegd. Alleen wil ik releveren, wat een jong Afrikaanse predikant, dr. Pol Verghese als felle kritiek in het debat naar voren bracht. Hij verweet de kerken van Europa, — in casu de representanten in Nyborg —, dat „in Azië en Afrika de verkondiging vervangen is door dienstbetoon". „U weigert steeds" zo zei hij volgens verslag van „Trouw" d.d. 4-10-'62, „de ware toestand onder ogen te zien. U zit boordevol academische theologie en maakt plannen en projecten voor hulp in ontwikkelingsgebieden, maar de kerken van Europa zijn geestelijk arm. Zij hebben onbewust het gevoel, dat ze niet eens de geestelijke nood van hun eigen werelddeel aan kunnen. Laat staan dat zij mensen in vreemde landen geestelijk zouden kunnen helpen. Daarom vlucht gij in technisch, economisch en sociaal hulpbetoon".
Dit woord was als een donderslag uit heldere hemel. Men had het zeker in de academische discussies niet verwacht van deze jonge Afrikaner. Maar ligt er niet veel waarheid in? Verarmt, ook in ons land — en zijn wij er vrij van? — de prediking als verkondiging van Gods eis en Gods belofte, niet ontstellend. Het profetisch getuigenis „Zo zegt de Heere" ontbreekt zoveel, omdat er zoveel onzekerheid is. Krachtens de theologische ontwikkeling, betreffende de absoluutheid van het Woord Gods. Wat de uitwerking van dr. Verghese's aanval was, weet ik niet. Naar te hopen is zal hij tot bezinning en bekering, waar nodig, meewerken. Het is in elk geval goed, dat hij zijn hart ontlastte.
Er is ook nog veel gesproken over het werk van het gewone gemeentelid. Men was wel overtuigd, dat de leek meer ingeschakeld moet worden en de dominees niet alles maar moeten willen doen.
Ik ga niet verder met mededelingen uit synodes, conferenties, en welke bijeenkomsten er verder waren tot heil van kerk en volk. Er worden er zovele gehouden, dat men er haast geen weg meer mee weet en de tel kwijt raakt.
Ik vermeld nog een feit op politiek gebied. In de jongste Statenvergadering van Zuid-Holland werd door de P.v.d.A. een poging gedaan om het ambtsgebed af te schaffen. Het werd in 1923, op voorstel van ds. Kersten, ingevoerd.
Van rechtse zijde, — het a.r. statenlid de heer J. Wilschut, sprak dienaangaande voortreffelijk — kwam er krachtig verzet. De P.v.d.A. deed geen voorstel. Zo blijft het ambtsgebed gehandhaafd. Het is een rest uit een verleden waarin meer in het openbare leven belijdenis van de Naam des Heeren werd gevonden. Die rest is maar gering. Doch ze kan in haar herinnering aan vorige tijden, de belijders des Heeren te meer prikkelen en dringen om te meer pal te staan tegen alle humanistische invloeden, die staat en kerk bedreigen. Laat zo dit incident mee mogen werken, dat niet alleen leden van hoge colleges, maar wij allen in woord en daad leren pal staan waar dan ook, voor Gods Naam en het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde. Hij, Die ons er toe roept is getrouw, en wil de krachten, die nodig zijn, geven op het gebed: mild en overvloedig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's