HET „LATEN" GODS
Naar aanleiding van de Richtlijnen voor de behandeling van de leer der uitverkiezing. II.
De Synodale richtlijnen voor de behandeling van de leer der uitverkiezing maken bezwaar tegen het gebruik van het woord „laten", zoals dat voorkomt in art. 16 van onze belijdenis. Daarin wordt aan het slot beleden, dat God Zichzelf bewezen heeft rechtvaardig te zijn, doordien Hij de anderen laat in hun val en verderf, waar zij zichzelf in geworpen hebben.
Dit woord „laten" komen we in de belijdenisgeschriften telkens tegen in verband met het stuk der verwerping. Zo lezen we in Leerr. I 6: Dat God sommigen in de tijd met het geloof begiftigt, sommigen niet begiftigt, komt voort van Zijn eeuwig besluit. Want al Zijn werken zijn Hem van eeuwigheid bekend (Hand. 15 : 18) en Hij werkt alle dingen naar de raad Zijns willens (Ef. 1 : 11). Naar welk besluit Hij de harten der uitverkorenen, hoewel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt en buigt om te geloven; maar degenen, die niet zijn verkoren, naar Zijn rechtvaardig oordeel, in hun boosheid en hardigheid laat. — Onder de dwalingen, die achter het eerste hoofdstuk der Leerregels worden opgesomd en door de Dordtse Synode verworpen werden wordt als achtste genoemd: Dat God van niemand louter uit kracht van Zijn rechtvaardige wil besloten heeft, hem in de val van Adam en in de gemene stand der zonde en verdoemenis te laten, of in de mededeling van de genade, die tot het geloof en de bekering nodig is, voorbij te gaan. — Het is duidelijk, dat het woord „laten" een vaststaande uitdrukking is om een bepaalde geloofswaarheid onder woorden te brengen. Misschien een gebrekkige, die men graag voor een betere wil geven, mits de geloofswaarheid, die erin beleden wordt maar niet wordt aangetast.
Daarom gaat het ons niet zo zeer om het woord als wel de zaak, die erin beleden wordt. En dan kan het bij nader onderzoek wel blijken, dat we ons toch maar het best van dit „gebrekkig" woord kunnen blijven bedienen, omdat het nog het duidelijkst heen wijst naar een meerzijdige werkelijkheid Gods, die anders, dreigt te worden aangetast.
Het is dus van belang nader te bezien, hoe we dit „laten" hebben te verstaan en of de Synodale kritiek gerechtvaardigd mag genoemd worden.
Calvijn heeft er met nadruk op gewezen, dat niet de toevlucht mag genomen worden tot het onderscheid tussen wil en toelating, als zouden de goddelozen verloren gaan alleen door de toelating, maar niet door de wil Gods. Alsof God niet vastgesteld had, in welke staat Hij wilde, dat het voornaamste Zijner schepselen zijn zou. Hoe hij dat echter verstaan wil hebben wordt duidelijk uit zijn woorden: „Het verderf der goddelozen komt zo voort uit Gods praedestinatie, dat de oorzaak en de stof in henzelf gevonden wordt."
Deze tweezijdige Schriftuurlijke waarheid hebben nu de Dordtse vaderen, als goede leerlingen van Calvijn en daarom allereerst van de H. Schrift, tot uitdrukking willen brengen in het woord „laten". Met de belijdenis, dat God besloten heeft de niet-verkorenen in het verderf te laten, waarin zij zichzelf geworpen hebben, wilden zij niet anders belijden dan een daad van Gods straffende gerechtigheid. Verre was hun de gedachte, alsof God Zich onttrok. Integendeel, het „laten" is actief geladen. Zo beleden b.v. de Engelse theologen op de Dordtse Synode in de vijfde these over de verwerping geheel conform deze gedachtengang: God verdoemt of verordineert niemand ter verdoemenis dan uit aanmerking van de zonde. — En nadat zij er op gewezen hebben, dat God naar Zijn gans vrije wil de goederen der genade uitdeelt, vervolgen zij: „Nochthans verordineert Hij geen kwaad der straf, dan naar der mensen vorige verdienste.... De niet-gepraedestiaeerde (lees: verkorene) vergaat door een zelf-willend ongeloof, dat niet gedwongen is. De praedestinatie Gods heeft noch de val der vallenden, noch de boosheid der bozen, noch de begeerlijkheid der zondigenden, of verwekt, of aangeraden, of ertoe aangezet, maar Hij heeft Zijn oordeel gepraedestineerd, waarmee Hij ieder vergelden zal naar dat hij zich gedragen heeft".
M.i. hebben zij daarmee toch precies hetzelfde vertolkt als wat Calvijn bedoelde, al onderstreept Calvijn nog wat meer de souvereiniteit Gods in Zijn eeuwige raad, waarin Hij doet met het Zijne naar Hij wil.
Toch bedoelt Calvijn daarmee nooit ook maar een zweem van willekeur in God. Deze goddeloze voorstelling is verre van hem. Steeds is bij hem het besluit der verwerping correlaat met de zonde van de mens en derhalve met Gods heilige rechtvaardigheid. Laat ons maar eens lezen in Inst. IH. XXIH. 8 (ik cursiveer de woorden, waarop ik uw aandacht wil vestigen): Want de eerste mens is gevallen, omdat de Heere geoordeeld had, dat het zo dienstig was; waarom Hij dat geoordeeld heeft, is voor ons verborgen. Maar toch is het zeker, dat Hij niet anders geoordeeld heeft, dan omdat Hij zag, dat de eer van Zijn naam daardoor met recht werd verheerlijkt. Wanneer gij melding hoort maken van Gods eer, bedenk dan, dat daar rechtvaardigheid aanwezig is. Want wat lof verdient behoort rechtvaardig te zijn. De mens valt dus, terwijl Gods voorzienigheid het zo ordineert: maar hij valt door zijn eigen schuld. Een weinig tevoren had de Heere uitgesproken (Gen. 1 : 31), dat alles, wat Hij gemaakt had, zeer goed was. Vanwaar dan heeft de mens die slechtheid, dat hij van zijn God afvalt? Opdat men niet zou menen, dat die uit de schepping voortkwam, had God door Zijn eigen uitspraak goedgekeurd, wat van Hem afkomstig was. Dus door zijn eigen boosheid heeft de mens de zuivere natuur, die hij van de Heere ontvangen had, verdorven; door zijn val heeft hij zijn ganse nakomelingschap met zich in het verderf gesleurd.
Uit het voorgaande blijkt, dat het „laten in het verderf" verstaan moet worden als een aangrijpende gerichtsdaad Gods, waarin Zijn heilige rechtvaardigheid uitblinkt. Omdat de mens de plaats verlaten heeft, die hem van zijn Schepper was gewezen. Hij heeft zich in moedwillige ongehoorzaamheid en afval van God van zijn heerlijke gaven beroofd. Daarom is het een foutieve interpretatie, als de Richtlijnen schrijven: „En de mens, die verworpen wordt, wordt volgens de Schrift niet gelaten waar hij was, maar is degene, die het heil ontmoet en zelf dat heil verwerpt". Want de mens heeft het heil ontmoet in de staat der rechtheid en heeft dat heil verworpen. En in dat verwerpen gaat de mens steeds voort. Het is niet zijn noodlot, dat de mens totaal verdorven is, maar hij is dood door de misdaden en de zonden, d.i. hij keert zich in voortgang tegen zijn God in een voortdurende opstand; hij stelt de duisternis tot zijn licht. Dat God na de afval van de mens tot hem gekomen is met het heil van het genadeverbond geeft aan zijn opstand een des te, ernstiger karakter. Bovendien hebben we te bedenken, dat het God behaagt heeft de mensen te stellen in een organisch verband tot elkander: we zijn allen uit enen bloede, begrepen in één verbondshoofd en stammend van één vader. Wie zal God dienaangaande rekenschap kunnen en durven afvragen. „Zwijg voor Hem, gij ganse aarde". Zo is het heil eenmaal verworpen en wordt het steeds in voortgang verworpen. Daarom liggen wij rechtvaardig onder het oordeel Gods, gaat het rechtvaardig oordeel Gods over de mens, als God hem laat in zijn val en verderf, waarin hij zichzelf geworpen heeft. En we zouden hieraan kunnen toevoegen (wat ook ongetwijfeld de bedoeling is): en waarin hij zichzelf handhaaft.
Deze Schriftuurlijke inhoud wil het woordje „laten" vertolken. En ongetwijfeld zal een mens, een zondaar, die met God geconfronteerd wordt daarmee te maken krijgen. Niet slechts zijn dagelijkse zonden veroordelen hem, maar hij zal met afschuw van zichzelf ontdekken zijn totale aversie van God en a.h.w. in Adam de paradijs val beleven. Zo zal hij aanvaarden in zijn ziel de zwaarwegende inhoud van het oordeel Gods, dat in het „laten" vertolkt wordt. Dat mag niet door ieder van Gods kinderen duidelijk geformuleerd kunnen worden, maar als het hen gepreekt wordt, zeggen ze: Dat versta ik; dat is het!
En mogen ze dan in Christus hun genadige verkiezing verstaan, dan spreekt hun het „laten" de taal van vrije genade t.o.v. hen, doch vergezeld van de donkere schaduw: Waarom heeft God naar mij omgezien, terwijl Hij anderen voorbij gaat? ! Waar het toch rechtvaardig was, dat datzelfde oordeel mij zou treffen. Ja, ik lag onder dat oordeel des doods. — Hier is geen verhovaardiging mogelijk jegens degenen, die nog vervreemd leven van het ware geloof, want die 't heil als onverdiende gunst kent en erkent, die bidt ernstig voor de anderen tot God, die de dingen, die niet zijn roept alsof zij waren. Niet wij hebben ons afgezonderd, maar God heeft ons uitverkoren in Christus. (Leerr. IH. IV. 15).
Wij wijzen — het bovenstaande moge dat hebben duidelijk gemaakt — af het verwijt aan het adres van de belijdenis, als zou zij met het woordje „laten" aan de verantwoordelijkheid van God te kort doen. Het gaat ons daar bij niet om een woord, maar om de zaak. Dit „laten" wil niets anders vertolken dan Gods hoge souvereiniteit en Zijn heilige rechtvaardigheid.
We mogen wel bedenken, dat, om met Calvijn te spreken, Gods oordelen zulk een diepte hebben, dat alle verstand er door verslonden zal worden, wanneer het poogt daartoe door te dringen. God onderwerpt Zich niet aan onze logica, en allerminst aan onze normen van barmhartigheid. Hij is de souvereine God, voor Wie we moeten leren zwijgen. „Het is onbehoorlijk Gods werken aan deze wet te onderwerpen, dat wij, zodra hun reden ons niet duidelijk is, hen durven af te keuren".^2)
Zo belijden we, dat de laatste grond van het geloof en ongeloof in God gevonden wordt, maai' bekennen met Calvijn graag, dat ongeleerdheid in de dingen, die men niet kan en mag weten, geleerd is. Maar we houden niet halt, voordat de Schrift ons een halt toeroept. Dat wel te doen ware eigenwillig theologiseren. Daarom belijden we, dat de ganse wereld voor God verdoemelijk is, maar dat God in Zijn eeuwige raad Zich een volk in Christus verkoren heeft tot de zaligheid, terwijl Hij besloten heeft Zijn heilige rechtvaardigheid te bevestigen in het laten van de anderen in het verderf, waar zij zichzelf in geworpen hebben.
Gods rechtvaardigheid moet openbaar komen. „Laat alle kinderen van Adam komen, laat hen met hun Schepper strijden en twisten, omdat ze door Zijn eeuwige voorzienigheid vóór hun geboorte aan een altijddurende jammer zijn toegewezen. Wat zullen ze tegen deze verdediging kunnen inbrengen, wanneer God hen daarentegen er toe zal roepen zichzelf te bezien? — Laat hen dus God niet van onrechtvaardigheid beschuldigen, wanneer ze door Zijn eeuwig oordeel ter dood verwezen zijn, waartoe ze, of ze willen of niet, zelf gevoelen, dat ze door hun eigen natuur gevoerd worden. Daaruit blijkt, hoe verkeerd hun neiging om tegen te spreken is, omdat ze met opzet de oorzaak der verdoemenis, die ze gedwongen worden in zichzelf te erkennen, onderdrukken, om God als voorwendsel te gebruiken tot hun vrijspraak".^3)
Dat dit „laten" te kort zou doen aan de menselijke verantwoordelijkheid is een bekende stelling, die altijd weer wordt geponeerd. Maar ik dacht dat men deze alleen maar kan handhaven, als de „moedwillige ongehoorzaamheid" van H. Cat. antw. 9 en de voortzetting van deze ongehoorzaamheid t.o.v. de roepende God, alsmede het rechtvaardig oordeel Gods daarover ontkend of verzwakt wordt, of ook in de sfeer van het noodlottige getrokken wordt. Daarom vragen we: Hoe staat het met de belijdenis van & et stuk der erfzonde. En weer wijzen we er op, dat de Synodale richtlijnen, indien zij rechte voorlichting wilden geven aangaande de leer der uitverkiezing, hadden moeten beginnen met over de zonde te onderwijzen. Want we weten maar al te goed, dat er in dat opzicht heel wonderlijke gedachten zijn. B.v. — zoals me eens werd toegevoegd — dat de Joden nergens in het Oude Testament de erfzonde gelezen hébben, m.a.w. die leer is er door de christenen later „hinein-interpretiert". Ik heb daarop geantwoord: Behalve Paulus dan toch zeker; en lezen we ook nog niet van een deksel, dat ligt op het hart der Joden?
1) Inst. III hfdst. XXIII. 8.
2) Inst. III hfdst. XXIII. 4.
3) Inst. III hfdst. XXIII. 3.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's