UITGEZONDEN DOOR DE HEILIGE GEEST
Langzamerhand wordt het enigermate mogelijk ons een beeld te gaan vormen van de situatie, waarin Lukas ons in de eerste verzen van Handelingen 13 verplaatst. Wij weten nu, dat wij in Antiochië zijn, in een gemeente, die op een merkwaardige wijze tot stand gekomen was, en die op een even merkwaardige wijze was samengesteld. Wij weten voorts, dat er een vijftal profeten en leraars waren, die aan het geestelijke leven leiding gegeven hebben, en die bij elkaar een bont gezelschap gevormd hebben. Wij weten tenslotte ook nog, dat er een zeer opzienbarende gebeurtenis heeft plaats gevonden op een tijdstip, waarop de leiders der gemeente van Christus bezig waren hun ambtelijke dienst te vervullen en waarop zij zich onthielden van spijs en drank teneinde de wil des Heer en te mogen leren kennen.
Dat is alles, wat de schaarse gegevens, door Lukas ons verschaft, ons laten zien. Een uitgewerkter beeld krijgen wij niet. Hier moeten wij tevreden mee zijn. Maar al mogen de trekken van dit beeld dan wat vaag zijn, in ieder geval wordt ons de mogelijkheid geboden ons nog enige voorstelling te maken van de omstandigheden, waarin plotseling de Geest des Heeren kwam en opdracht gaf om Barnabas en Paulus uit te zenden onder de heidenen.
Wij mogen daarbij niet nalaten er alle aandacht aan te geven, dat het de Geest des Heeren was, die te Antiochië aangezet heeft tot het zendingswerk. Nadrukkelijk worden wij er immers op gewezen, dat het van Hem uitgegaan is: Hij nam het initiatief. Hij gaf er het bevel toe. Hij spoorde er toe aan.
Wie ook maar enigszins op de hoogte is van de beschrijving, die ons in de Handelingen der Apostelen van de gang van het Evangelie van Christus Jezus geschonken wordt, zal zich ongetwijfeld kunnen herinneren, dat de Geest des Heeren steeds nauw betrokken is geweest bij deze arbeid. Nu eens was Hij het, die niet toeliet door bepaalde gebieden te reizen; en dan weer was Hij het óók, die er toe drong om te betuigen, dat Jezus is de Christus. Daaruit leren wij, dat de Geest het zendingswerk leidde en dat Hij er zeer speciaal zich mee bemoeide.
Wanneer nu ook die Geest in Antiochië het zendingswerk in een nieuw stadium brengen wil, is het aan Zijn ingrijpen te danken, dat Barnabas en Paulus uitgezonden worden. Daar heeft Hij voor gezorgd. Dat heeft Hij bevolen. Dat heeft Hij geboden.
De opdracht, waarmede de Geest tot de profeten en leraars van Antiochië gekomen is, is ons letterlijk bewaard gebleven. Daar kunnen wij niet dankbaar genoeg voor zijn, want bij nader onderzoek blijkt daar heel wat in te liggen.
Naar Lukas ons bericht, heeft de Geest tot de dienende en vastende profeten en leraars gezegd: „Zondert Mij af beiden Barnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb."
Als wij dit woord des Geestes even in de grondtekst bekijken, kunnen wij verschillende verrassende ontdekkingen doen.
Vooreerst treft het ons, dat de Geest gesproken heeft in de gebiedende wijs, en dat Hij zich daarbij zó uitgedrukt heeft, dat begrepen kon worden, dat de uitzending van Barnabas en Paulus niet op de lange baan geschoven mocht worden. Een klein woordje — in onze vertaling niet weergegeven, doch in het Grieks van groot gewicht — maakt duidelijk, dat het gebod van de Geest des Heeren zeer dringend geweest is. De eis, waarmede Hij Zich tot de leiders der gemeente richtte, moet een buitengewoon stérke eis geweest zijn.
Vervolgens valt het ons op, dat de Geest het gehad heeft over „afzonderen". Ook dat is een merkwaardig woord. Vooral wanneer even nagespeurd wordt, hoe het in de Griekse vertaling van het Oude Testament en op die plaatsen, waar het in het Nieuwe Testament aangetroffen wordt, gebezigd wordt. Wij noemen slechts Lev. 20 vers 26, waar God de Heere tot Israël zegt: „En gij zult Mij heilig zijn, want Ik de Heere ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat gij Mijns zoudt zijn." En Num. 8 vers 11, waar voorgeschreven wordt: „En Aaron zal de Levieten bewegen ten beweegoffer (Grieks: zal afzonderen) voor het aangezicht des Heeren vanwege de kinderen Israels, opdat zij zijn om de dienst des Heeren te bedienen." Reeds uit deze twee teksten kan afgeleid worden, dat onder afzonderen verstaan moet worden: afscheiden van anderen en met een welomschreven doel bestemmen tot een bijzondere dienst.
Uitdrukkelijk heeft de Geest ook nog verklaard, tot welk doel Hij Barnabas en Paulus van de vijf profeten en leraars afgezonderd wilde zien. Hij wilde dat zij van hen afgescheiden zouden worden „tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb". Dat wil dus zeggen, dat Hij sedert lang al bedoelingen met Paulus en Barnabas gehad heeft, die Hij nu gerealiseerd wilde zien.
Het ligt voor de hand om naar Schriftgetuigenissen te zoeken, waarin reeds eerder de bedoelingen des Geestes ter sprake gebracht worden. En als wij ons daartoe zetten, zullen wij ontdekken, dat wat dit aangaat ons omtrent Barnabas niets bekend is, terwijl wij van Paulus herhaaldelijk kunnen horen, wat God met hem heeft voorgehad. Al bij zijn bekering op de weg naar Damascus moet — naar Paulus' eigen verslag daarvan — de Heere tot hem gezegd hebben: „ . . . hiertoe ben Ik u verschenen om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke Ik u nog zal verschijnen, verlossende u van dit volk en van de heidenen, tot dewelken Ik u nu zend om hun ogen te openen en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God, opdat zij vergeving der zonden ontvangen en een erfdeel onder de geheiligden door het geloof in Mij" (Hand. 26 vers 16vv.). Iets dergelijks heeft de Heere ook tot Ananias gesproken toen hij hem naar Paulus zond: „Ga heen, want deze is Mij een uitverkoren vat om Mijn Naam te dragen voor de heidenen en de koningen en de kinderen Israels" (Handelingen 9 vers 15). En ook later is dat nog eens herhaald, bij een visioen, dat Paulus in de tempel gezien heeft: „Ga heen, want ik zal u ver tot de heidenen afzenden."
Van welke aard de dienst was, waartoe de Heere Paulus bestemd had, en waartoe de Geest wilde, dat hij samen met Barnabas afgezonderd zou worden, is dus geen onzekere vraag. Die dienst had betrekking op het zendingswerk zowel onder de kinderen Israels als ook onder de heidenen.
Paulus is zich daar later sterk van bewust geweest. Die afzondering tot het werk, waartoe de Geest des Heeren hem geroepen had, is steeds de vaste grond geweest, waarop hij zich beriep. Vandaar dat hij, strijdend voor het Evangelie der genade in Jezus Christus, aan de Galaten schrijven kon: „Maar wanneer het Gode behaagd heeft, die mij van mijner moeder lijf aan afgezonderd heeft en geroepen door Zijn genade. Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik dezelve door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed ..." (Gal. 1 vers 15 V.). Wèl moeten wij hierbij niet uit het oog verliezen, dat Paulus hier — met een zinspeling op Jeremia 1 vers 5 — die afzondering al ziet geschieden vóór zijn geboorte. Maar onmiskenbaar doelt hij met name in Romeinen 1 op wat er te Antiochië is voorgevallen, als hij zich daar in het hoofd van zijn brief bij de gemeente van Rome aandient als: „Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie Gods" (Rom. 1 vers 1).
Hoe dit ook zij, wij mogen in dit verband ook verwijzen naar getuigenissen als Ef. 3 vers 8: „Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus", en 1 Tim. 2 vers 7: „Waartoe ik gesteld ben een prediker en apostel. . . een leraar der heidenen, in geloof en waarheid". Alles bij elkaar genomen zijn dit uitspraken, waarin helder naar voren komt, dat Paulus een sterk besef gehad heeft van de afzondering tot het werk, waartoe de Heere hem geroepen had.
In de vierde plaats is het frappant, dat de Geest, als hij de profeten en leraars van Antiochië zo indringend opwekt een tweetal broeders voor het zendingswerk af te zonderen, spreekt van: Barnabas en Saulus. De volgorde, hier door de Geest in acht genomen, is zeer typerend. Barnabas staat voorop. Paulus komt pas op de tweede plaats. Duidt dat er op, dat Barnabas de leiding zal moeten hebben van de arbeid, waartoe zij samen bestemd worden? O.i. lijkt het er veel op. Wanneer Paulus en Barnabas straks op reis zullen gaan, zullen zij zich éérst naar Cyprus, het geboorteland van Barnabas begeven. En wanneer zij samen in Lystra zullen komen, zullen de bewoners van die stad Barnabas als hoofdgod beschouwen en Paulus als een mindere godheid, die bet woord mag doen. Eerst als de wegen van Barnabas en Paulus omwille van Johannes Markus zullen uiteengaan, komt er veel meer nadruk op de man van Tarsus als leider en als organisator van het zendingswerk.
Nadat de Geest deze opdracht aan de vijf profeten en leraars had doen toekomen, is men te Antiochië overgegaan tot een nieuw vasten, gepaard gaande met gebed; heeft men Barnabas en Paulus de handen opgelegd om hen in hun werk aan de zegen Gods aan te bevelen; en heeft men hen gewillig laten gaan.
Tenslotte nog een enkele opmerking over de handoplegging: waarschijnlijk|k hebben wij hier te doen met een ritus, ook bij de rabbijnen op grond van het Oude Testament wel in zwang, als in Handel. 6, waar bij de aanstelling der „zeven" door de apostelen ook onder gebed de handen zijn opgelegd. Het zou dan kunnen gaan om wijding tot die dienst, die de Heere van hen verlangde.
En zó gaan Barnabas en Paulus dan op weg. Uitgezonden door de Geest des Heeren. En door de profeten en leraars, tot wie zij ook zelf behoord hadden, afgezonderd met gebed en handoplegging tot de arbeid, die God van hen vroeg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's