De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

10 minuten leestijd

Zoals te verwachten was, heeft ds. J. T. Wiersma gereageerd op de artikelen van ds. Groenewoud in het Hervormd Weekblad over de richtingsorganisaties. In genoemd weekblad treffen we een brief aan van ds. Wiersma onder het opschrift: Waarom geen richtingsorganisaties.

In deze brief tracht ds. W. duidelijk te maken waarom dergelijke organisaties in verschillende gevallen schadelijk zijn voor het kerkelijk en gemeentelijk leven. Hij vertelt in de brief enkele gevallen uit zijn pastorale praktijk. Nu vinden we dit altijd maar een zeer matige bewijsvoering. Een predikant kan uit de bonte verscheidenheid van zijn pastorale praktijk van alles en nog wat naar voren halen en daarmee tenslotte alles bewijzen wat hij wil bewijzen.

Daarnaast wijst hij op enkele voorvallen uit zijn predikantspraktijk die meer in de openbaarheid zijn gekomen. Hij vindt daarin de bevestiging van het bijbels, evangelisch gebod: beslist te moeten zijn in geloof en prediking en tegelijk zo veel mogelijk de schijn van partijdigheid vermijden. Hij schrijft:

Die praktijk is soms heel wonderlijk: vorig jaar mocht ik als een broederdienst in een plotseling zich voordoende verlegen situatie een officiële dienst leiden in een gereformeerde kerk, dit jaar mocht ik samen met een remonstrants hoogleraar een dienst leiden ter uitzending van een zendingsarbeidster, voor wier arbeid de Remonstrantse Broederschap en de Nederlandse Hervormde Kerk beide verantwoordelijkheid hebben aanvaard. Hier in Wassenaar zijn we er dankbaar voor dat dat allemaal kan, zonder ons geloof en belijden geweld aan te doen.

We kunnen zonder meer volstaan met het overnemen (onder hartelijke instemming) van enkele stukken uit het antwoord dat ds. Groenewoud weer geeft op deze brief van ds. Wiersma:

Het is namelijk zo, dat ook achter onze beslissing een pastoraal motief staat; en wel dat, wat prof. Haitjema eens aanduidde met de woorden: „Het gaat om mededogen met mensenzielen". Het gaat om de rechte Christusprediking, die nodig is om zondaren van het verderf te verlossen. Bij alle activiteit in onze kerk, mis ik deze bewogenheid ten aanzien van zondaren, mis ik het besef van grote schuld ten aanzien van de Evangelieverkondiging. Dat is het waarop de Confessionele Vereniging wil attenderen. De kerk moet actueel preken, ze moet de moderne mens bereiken, ze moet zich kunnen presenteren, ze. moet haar woord spreken over de grote problemen van deze tijd, ze moet een verantwoorde liturgie hebben, enz., ze ontplooit activiteiten op zeer veel gebieden, maar ze schijnt te vergeten, dat in dit Evangelie des kruises, het woord der verzoening door het offer van Christus, haar taak, haar kracht en het wezenlijke van haar boodschap ligt. Om al die andere dingen is veel meer arbeid, veel meer drukte en .bewogenheid dan hierom. Het lijkt me soms wel eens, dat een zekere schaamte voor dit Evangelie des kruises zich verschuilt achter de roep om actuele prediking en achter veel dienen en activiteit van de kerk. Ik heb de indruk dat de pasgehouden conferentie van Nyborg hierop ook heeft gewezen. Welnu, met nadruk zou ik van onze kant, deze pastorale overwegingen willen stellen als redenen om onze organisatie niet op te heffen

Zo lang er niet-georganiseerde groepen van geestverwanten (nog eens: ook predikanten) zijn, die anderen min of meer uitsluiten en soms zelfs hooghartig afwijzend staan tegenover hun meningen, zo lang zullen die anderen, die ook behoefte hebben aan gemeenschap en begrip, zich aansluiten bij verenigingen van geestverwanten.

In dit licht bezien, vind ik 't hard, de opheffing van deze organisaties te eisen als de echt-kerkelijke houding. Pas als er werkelijk gemeenschap in de kerk, als er, om een enkel willekeurig voorbeeld uit zeer vele te noemen, niet meer verwerpend, om niet te zeggen: smalend over „bloedtheologie" wordt gesproken, eerst dan heeft men het recht, te verlangen dat de richtingsorganisaties worden opgeheven.

Enige tijd geleden heeft dr. Dippel in een artikel betoogd, dat z.i. het presbyteraat (het ouderlingambt) in onze kerk gefaald heeft in zijn fundamentele taak. In onze gemeenten wordt de ouderling niet geaccepteerd en heeft hij nauwelijks gezag, noch bij de gemeente noch bij de predikanten. Vroeger heeft dr. Dippel daar eens een uitvoerig rapport over opgesteld, dat in de gemeente Eindhoven, waar hij (waarschijnlijk) ouderling was of is in de kerkeraad aangenomen werd, hoewel de wenken en adviezen daarin nimmer zijn uitgevoerd.

Hij heeft over dit rapport ook eens een voordracht gehouden in Amsterdam en de daar aanwezige predikanten geadviseerd om per parochie van 750 adressen 3 mannen of vrouwen te zoeken die door God begaafd zijn, en deze drie moesten dan het algemene huisbezoek doen voor de kern der gelovende gemeenteleden. De predikanten konden dit advies niet accepteren; hun conclusie luidde: „Dat kan niet, want deze drie zijn er eenvoudig niet".

De heer Muller, ouderling eveneens in Eindhoven, heeft op dit schrijven van dr. Dippel gereageerd en tot grote woede van dr. Dippel daaruit geconcludeerd dat dr. D. èn de Synode èn de Heilige Geest op een fout had betrapt, zodat dr. D. in feite de roomse en orthodoxe epis-copale kerkorde zou aangewezen hebben als de juiste goedmaking van die vergissing van de Heilige Geest. In een artikel in Woord en Dienst van 13 oktober reageert dr. D. daar weer op:

De zakelijke kant is erger. Want ik moet als lid van een reformatorische kerk in het gezaghebbende blad van die kerk, gericht op de ambtsdragers, nota bene lezen, dat als iemand de stelling verdedigt dat het presbyteraat in zijn fundamentele taak gefaald heeft, het huidige presbyteraat direct concludeert: o, dan heeft dus volgens die meneer de Heilige Geest gefaald! Hier schrik ik werkelijk van, want zo'n conclusie is nu wel een door mij niet verwacht en door mij niet gewenst toewijs, dat het faillissement van het presbyteraat veel verder en veel dieper en onrepareerbaarder is voortgeschreden dan ik zelf bedoelde. Want hieruit blijkt, dat een leidende en voorlichtende presbyter, gedekt door een serieuze redactie, eenvoudig niet meer op de gedachte komt, dat die meneer bedoeld heeft: niet de Heilige Geest heeft gefaald, maar het presbyteraat, en het presbyteraat heeft gefaald omdat de hele kerk heeft gefaald. Het is voor mij een elementaire en fundamentele vrucht van de reformatie, dat inderdaad ambt en kerk kunnen falen, zonder dat de Heilige Geest faalt. Juist omdat de Heilige Geest steeds aanwezig is om te troosten en te leiden, kan de reformatorische kerk uit haar falen kruipen of springen, ieder uur, iedere dag. Ik leef in een dagelijkse roomse omgeving, waar dit argument: „o, dus u denkt, dat de Heilige Geest, óf „de Kerk" het niet zou weten en u het beter weet", vele mensen in de mond bestorven ligt en hen van alle zorg voor de zaak van het Koninkrijk Gods, voorzover de kerk daarin een functie heeft, ontslaat. Ik moet u zeggen: de dag zelve, dat onze kerk deze kortsluiting van de heer Muller tot de zijne maakt, zal ik mijn lidmaatschap van de hervormde kerk laten varen, omdat dit een centraal bedref is van de reformatie: „reformanda, quia reformata", d.i. omdat de kerk zich bekeerd en hervormd heeft, zal ze zich steeds weer moeten bekeren en hervormen. Als kerk of ambt zich vereenzelvigt met de Heilige Geest, is het met de reformatie en haar toekomst uit.

Uiteraard heeft het concilie te Rome en allerlei bijzonderheden daar rondom heen nog al de aandacht in de kerkelijke pers. In het persoverzicht van het Gereformeerd Weekblad (Kok) wijst prof. Bakker op een tegenstrijdigheid die hij tegen kwam in een tweetal artikelen in de Volkskrant. In het éne artikel wordt gezegd dat kardinaal Alfrink het toejuicht dat er uit de Kerk kritiek op de kerk geoefend wordt; dit wijst namelijk op liefde tot de Kerk. Hier zou dan voor het eerst de theologische grondslag gelegd zijn voor het begrip loyale oppositie. Maar in hetzelfde blad leest hij het herderlijk schrijven van de bisschoppen, dat een totaal andere geest ademt. Daar staat o.a. het volgende in te lezen:

De Paus heeft persoonlijk de volheid van het gezag in de gehele Kerk. Hij is als zichtbare plaatsbekleder van Christus op aarde alleen het hoofd van de Kerk. Hij is de opvolger van Petrus, de eerste der apostelen, de rots waarop Christus Zijn Kerk heeft gebouwd. Hij is door zijn persoonlijke onfeilbaarheid het onwankelbaar fundament van het geloof van de Kerk. En als hoofd van de Kerk bestuurt hij in Christus' naam heel de kerk overal ter wereld met het hem persoonlijk toekomende hoogste en universele gezag. Maar paus Johannes heeft zelf besloten nu dit hoogste en universele gezag niet uit te oefenen tenzij samen met het gehele wereld-episcopaat, dat naar Christus' bedoeling samen met de paus — en alleen samen met de paus — gezag heeft in de Kerk. De paus acht het in deze tijd blijkbaar belangrijk de stem van geheel de Kerk te horen, zoals die op een concilie bij monde van de bisschoppen van geheel de wereld krachtens het wezen van een concilie in alle vrijheid moet kunnen klinken en naar de reeds uitgesproken bedoeling van de heilige Vader ook zal kunnen klinken. Blijkt niet alleen reeds uit dit samenroepen van het concilie de grote liefdevolle zorg van de heilige Vader om de Kerk vandaag in de wereld van deze twintigste eeuw? Het gaat — zoals de heilige Vader heeft gezegd — om aanpassing van de Kerk aan het leven van vandaag; het gaat om het bij-de-tijd-zijn van de Kerk. Uiteraard alleen in die zaken waarin de Kerk zich kan aanpassen, omdat zij niet tot het onveranderlijk geloofsbezit van de Kerk behoren. 

In zijn commentaar merkt prof. Bakker hierbij o.a. het volgende op:

We moeten eerlijk bekennen, dat we een uitspraak als deze vlak voor het bijeenkomen van het Concilie niet verwacht hadden. Zoals bekend, is indertijd de brief van het episcopaat over het komende concilie in Italië uit de circulatie genomen, vermoedelijk omdat daarin een opvatting over de onfeilbaarheid van de paus voorkwam die afweek van wat men in Italië wenselijk vond. Volgens dat schrijven ligt de pauselijke onfeilbaarheid ingeschakeld in de ambtelijke onfeilbaarheid van het wereldepiscopaat, dat op zijn beurt meegedragen wordt door het onfeilbaar geloof van heel de geloofsgemeenschap. Vergeleken met deze opvatting betekent de zin uit het laatste schrijven een grote stap achteruit. Alle nadruk wordt gelegd op de volheid van het gezag van de paus, die het onwankelbare fundament van het geloof van de Kerk is. De organische verbinding, die in de eerste brief over het concilie gelegd was tussen episcopaat en pauselijke stoel is nu weer losgemaakt, doordat de beslissing het concilie samen te roepen geheel verlegd wordt naar de goedgunstigheid van de paus, die besloot het wereldepiscopaat In te schakelen in zijn gezagsuitoefening, omdat hij dat blijkbaar momenteel belangrijk vindt. Dat lijkt ons toch duidelijk een redenering, die haar vertrekpunt neemt in het hoogste en universele gezag van de paus alleen, van daaruit ook nog wel het een en ander weet te zeggen over het concilie, maar toch tegelijk zo'n papalistisch karakter heeft, dat van hieruit geen theologie van het concilie op te bouwen is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's