KERKNIEUWS
Beroepen te:
Beroepen te: Egmond aan Zee, J. Oskamp te Akersloot — Eerbeek, 2e pred, pl. A. Sjollema te Well en Ammerzoden, die bedankte voor Zierikzee — O. en W. Souburg (vak. Tj. M. Haitjema, toez.), W. den Toom te Veenwoude — Genderen en te Zullichem-Nieuwaal, kand. J. Vroegindeweij te Bleiswijk — Zwartebroek, B. Haverkamp te Groenekan — Middelharnis, H. A. van Bemmel te Leerbroek — Nieuwkoop (toez.), D. Oliemans te Heinenoord.
Aangenomen naar:
Oosterbeek (vak. dr. G. J. Paul), H. A. Winkel te Morra (Fr.).
Bedankt voor:
Bussum (vak. J. A. G. van Santen, toez.), A. H. Lentz te Zeist — Hilversum, J. J. Poldervaart te Scheveningen — 's-Grevelduin-Capelle, R. W. Steur te Doornspijk — Arnemuiden, J. Kruyt te Lexmond.
DOCTORAAL EXAMEN
De heer D. Broeren, te Rotterdam, slaagde dezer dagen aan de Rijks-Universiteit te Utrecht voor het doctoraal examen in de faculteit der godgeleerdheid.
Ds. L. Doorn te Heilloo zal worden benoemd tot alg. secretaris van de Vereniging Volksonderwijs en zijn ambt neerleggen.
A. O. Zijlstra.
EEN PASTORAAL-PSYCHOLOGISCHE LEERGANG
I
Het is bepaald niet origineel, evenmin overdreven, om te beweren'dat er een noodsituatie bestaat op het gebied van de pastorale zielzorg. In allerlei publicaties handelend over de zielzorg, kan men deze ongeruste constatering in vele toonaarden beluisteren.
Bovendien, iedere predikant die ernst maakt met zijn pastorale zorg, kan dikwijls zelf ook niet ontkomen aan een gevoel van onmacht, twijfel, en het onrustige besef dat vele vragen en levenssituaties waarmee hij geconfronteerd wordt te ingewikkeld en te diepingrijpend voor hem zijn. Schuld- en angstgevoelens. Innerlijke conflicten, huwelijksmoeilijkheden, gestoorde gezinsverhoudingen, in stijgende mate krijgt de pastor er mee te maken. En de traditionele vormen van zielzorg blijken maar al te dikwijls niet aan te slaan.
Hoeveel predikanten zullen na een pastoraal gesprek niet het ontmoedigende gevoel en vermoeden hebben dat de ander, ondanks al onze goedbedoelde woorden, toch niet wezenlijk verder geholpen is.
Dit gevoel van onbehagen en van onmacht wordt dan nog versterkt door de ontdekking dat vele mensen in toenemende mate hulp en heil zoeken bij psychiater of psycho-therapeut, de nieuwe zielzorgers van deze tijd.
Deze keus mag enerzijds verklaarbaar zijn voor wat betreft de gesaeculariseerde mens, die nu eenmaal niets meer verwacht van kerk, geloof en evangelie, anderzijds openbaart zich hier niet minder een, zeker niet ongemotiveerd, wantrouwen ten opzichte van de predikant, een vrees dat deze hem niet zal begrijpen, en dus ook niet echt zal kunnen helpen. Immers, afgezien van het feit dat de pastoraal-psychologische scholing van de predikant tijdens zijn opleiding hopeloos onvoldoende is, kan nu eenmaal niet ontkend worden dat veel zielzorg niet verder komt dan een moraliserende of dogmatiserende stichtelijkheid, of ook zó eenzijdig verkondigend wordt opgevat dat toch niet werkelijke leiding en hulp wordt gegeven. Iemand die gebukt gaat onder angst-gevoelens is niet geholpen met de verkondiging zonder meer „dat de Waarheid vrij maakt". En in een gestoorde huwelijksverhouding is het niet voldoende om aan de echtelieden 1 Kor. 13 voor te lezen. Deze voorbeelden mogen enigszins gechargeerd lijken, niettemin behoort deze vorm van zielzorg zeker niet tot de uitzonderingen. Was het nu mogelijk de terreinen van psychotherapeut en zielzorger duidelijk af te bakenen, er zou geen probleem zijn. De zielzorger zou zich kunnen terugtrekken op wat we zouden kunnen aanduiden als „de directe zielzorg": de tucht, de vermaning, verkondiging en catechese. De jongeman met angstgevoelens en, het echtpaar met hun ingewikkeld huwelijkscoflict hebben zich wat betreft déze moeilijkheden dan maar te wenden tot zenuwarts of psychiater.
Deze afbakening van terreinen is echter niet alleen onmogelijk, maar zo wij deze zouden wensen, of trachten aan te brengen, ook onbarmhartig. Onmogelijk, want telkens blijkt immers in de praktijk dat het uitermate moeilijk is om aan te geven wanneer gesproken moet worden van psychische stoornissen die dus voor psychotherapeutische behandeling in aanmerking komen, en wanneer er sprake is van levensconflicten die thuis horen op het vlak van de pastorale zielzorg; onbarmhartig, want hoe belangrijk een vakkundige psycho-therapeutische behandeling ook zijn mag, uiteindelijk blijft dit veelal een gesaeculariseerde vorm van hulpverlening waarbij „stok en staf" van de grote Herder „die aan zeer rustige wateren leidt" .buiten het gezichtsveld blijven.
Hoe nu in deze situatie verbetering aan te brengen?
Dat er iets gebeuren moet zal duidelijk zijn aan. ieder die zich bij deze situatie betrokken weet. Het is immers van het allergrootste belang dat het pastoraat goed zal functioneren, dat de communicatie met de medemens in nood open blijft, opdat er openheid blijve of kome voor de boodschap der Waarheid. Daartoe is het belangrijk kennis te nemen van nieuwe inzichten, methodes en ontdekkingen uit de wereld van psychologie en psycho-therapie. Het zou alleen maar dwaas zijn om deze met een hoogmoedige nonchalance aan de kant te schuiven als niet ter zake doende. Veeleer zullen deze dankbaar, zij het ook kritisch, geïntegreerd moeten worden in de praktische uitoefening van de pastorale zielzorg. Degene die zich met zijn moeilijkheden en conflicten tot zijn pastor wendt mag een zekere deskundigheid verwachten, een deskundigheid die, binnen het raam van de zielzorg, afgestemd is op de waardevolle psychologische inzichten die tegenwoordig de zielzorger ten dienste staan.
Noodzakelijk is daarom een betere scholing van de zielzorgers.
We kunnen dan ook gelukkig zijn dat in de laatste jaren hiermee een begin is gemaakt. Aan de theologische faculteiten van onze universiteiten en op het seminarie in Driebergen worden nu aan toekomstige pastores colleges gegeven in de pastorale psychologie. Verdere uitbouw blijft echter noodzakelijk.
Met deze uitbouw is nu een begin gemaakt. Voor de tweede maal reeds wordt nu ook een mogelijkheid geboden aan predikanten om een leergang te volgen in de pastorale psychologie.^) Ik had het voorrecht om de eerste leergang te kunnen volgen. Laat ik 'beginnen met te zeggen dat ik dit niet graag had willen missen. Wat hier geboden werd was niet alleen uitermate interessant en boeiend, maar voor een betere uitoefening van de pastorale arbeid van het allergrootste belang, ja onmisbaar.
Het is binnen het bestek van dit artikel uiteraard onmogelijk uitvoerig in te gaan op wat door de vele docenten die aan deze leergang hun medewerking hebben verleend, werd gebracht. Daarom slechts enkele hoofdlijnen.
De leergang valt duidelijk uiteen in twee delen: een deel theoretische informatie, en een deel praktische oefening.
Wat de theoretische informatie betreft zou ik, zonder tekort te willen doen aan de andere docenten, als eerste willen noemen prof. v. d. Berg, die op een buitengewoon heldere wijze een aantal colleges gegeven heeft over de conflictuologie van de levensfasen, en, in het tweede cursusjaar, een overzicht van een aantal voor de pastor belangrijke psychiatrische ziektebeelden, met een bespreking van de daaraan verwante pastorale problematiek.
ledere pastor krijgt in zijn pastoraat wel te maken met depressieve mensen, epileptici, of psychotische patiënten. En ook al wordt van een predikant niet gevraagd in een geval waar min of meer duidelijke psychische storingen zijn, te diagnostiseren, het kan veel teleurstelling en domme fouten voorkomen wanneer men dan enig inzicht heeft in wat bepaalde symptomen kunnen betekenen, en hoe een bepaald ziektebeeld verder kan verlopen.
In een leergang pastorale psychologie kon natuurlijk ook niet ontbreken een bespreking van de grote psychologische systemen, zoals van Freud, Adler en Jung.
Ds. van Ginkel uit Amsterdam deed dit op een voortreffelijke, soms populaire, maar niettemin altijd wetenschappelijk verantwoorde wijze.
Dr. Zeegers sprak in een aantal colleges over „de mens in conflict met de maatschappelijke orde", waarbjj de grensgebieden aan de orde kwamen tussen abnormaal en misdadig.
Prof. Janse de Jonge leidde ons in in de fenomenologische benadering der psychologische vraagstukken, waarbij heel de anthropologie te pas kwam.
Dr. V. d. Schoot sprak over de psychologie van het pastorale gesprek, waarbij verschillende gespreksvormen en - methodes besproken werden met hun mogelijkheden en bezwaren, en tevens voor de pastor belangrijke onderwerpen aan de orde kwamen als: gebedsmoeilijkheden, de biecht, schuldgevoelens. Uitvoerig- werd vooral aandacht besteed aan de methode van gespreksvoering van Carl Rogers.
Deze colleges, evenals die van dr. Faber, o.a. over het pastoraat bij het ziekbed (psychologische aspecten, de fenomenologie van het ziek-zijn) vormden min of meer de overgang naar de praktische oefening.
Zeer instructief waren ook de colleges van prof. V. Wijngaarden over de problematiek der volwassenheid (ouderbinding, huwelijksmoeilijkheden, sêxuele problemen), en in het tweede cursusjaar over sociale psychologie onder de titel "Mensen in het bedrijf".
Rondom deze hoofdzaken waren een aantal speciale colleges gegroepeerd, sommigen van enkele keren, anderen van langere duur. Zo sprak ds. Popma o.a. over zielzorg i.v.m. schuldbesef, over het pastoraat rondom de vragen van geloof, bekering en Heilig Avondmaal, en over de geestelijke gezondheid van de predikant. Wat het laatste onderwerp betreft gaf ds. Popma een aardige samenvatting, die ik hier graag doorgeef. Een predikant moet zijn: mens onder de mensen (hij moet „echt" zijn); christen onder de mensen (beseffend, ik kan niet zonder de Heiland); mens onder de christenen (d.w.z. met een eigen levensstijl, niet krampachtig), en tenslotte christen onder de christenen.
Tenslotte noem ik nog prof. Poslavsky die sprak over neurosen en psychosen, mejuffrouw dr. Schreuder over „bejaarden". Prof. Beets refereer de over „gesprekken met jonge mensen", prof. Hoekendijk over „Gemeenteopbouw en pastoraat", prof. Jonker over „Waarheid en Communicatie", en dr. C. Aalders over „Apostolaat aan buitenkerkelijken".
Uit deze opsomming mag wel blijken dat de deelnemers aan deze leergang een zeer grote hoeveelheid theoretische informaties meegekregen hebben. Toch ook weer niet zo theoretisch dat men er in de praktijk van het pastoraat geen weg mee zou weten. Bovendien was er steeds ruimschoots gelegenheid tot discussie waarbij het gehoorde aan eigen pastorale ervaringen getoetst kon worden..
Natuurlijk is het onmogelijk om alles wat hier geboden werd op korte termijn voor jezelf te verwerken. Een eerste reactie was, geloof ik wel, bij velen een gevoel van onzekerheid t.a.v. eigen pastorale aanpak. Een onzekerheid die echter zeer heilzaam is in z'n stimulerend effect tot nadere studie en bezinning. Tot deze nadere studie wil deze leergang een inleiding en leiding geven.
1) Wie over deze leergang meer wil weten, het correspondentieadres is: Pastoraal Psychologische leergang, Theologisch Instituut, Plompetorengracht 14—16, Utrecht, Tel. 22389.
(Slot volgt.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's