De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

11 minuten leestijd

HOOFDSTUK III/IV, ARTIKEL 17

Gelijk ook die almachtige werking Gods, waardoor Hij dit ons natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt, niet uitsluit, maar vereist, het gebruik der middelen, door welke God naar Zijn oneindige wijsheid en goedheid deze Zijn kracht heeft willen uitoefenen; alzo is het ook, dat de voormelde bovennatuurlijke werking Gods, 'waardoor Hij ons wederbaart, geenszins uitsluit noch omstoot het gebruik des Evangelies, hetwelk de wijze God tot een zaad der wedergeboorte en spijze der ziel verordineerd heeft. Daarom dan, gelijk de Apostelen en Leraars, die Hem zijn gevolgd, van deze genade Gods het volk Godszaliglijk hebben onderricht. Hem ter ere en tot nederdrukking van alle hoogmoed des mensen, en ondertussen nochtans niet hebben nagelaten hen door heilige vermaningen des Evangelies te houden onder de oefening des Woords, der sacramenten en kerkelijke tucht; alzo moet het ook nu verre vandaar zijn, dat diegenen, die anderen in de gemeente leren, of die geleerd worden, zich zouden vermeten God te verzoeken door het scheiden dier dingen, die God naar Zijn welbehagen heeft gewild, dat samengevoegd zouden blijven. Want door de vermaningen wordt de genade medegedeeld; en hoe vaardiger wij ons ambt doen, des te heerlijker vertoont zich ook de weldaad Gods, Die in ons werkt, en Zijn werk gaat dan allerbest voort. Welke God alleen toekomt, zo vanwege de middelen, als vanwege de zaligmakende vrucht en dracht daarvan, alle heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.

Een gelijkenis.

De Heere Jezus sprak door gelijkenissen. Zelfs zegt Matth. 13 : 34: „en zonder gelijkenissen sprak Hij tot hen niet." Bedoeld zal zijn: in de beschreven periode niet. Zo spreken ook de Vaderen in art. 17 door een gelijkenis. Terecht. Beide toch, het natuurlijke en het geestelijke leven, vinden hun bron in dezelfde God, die op dit tweeërlei gebied vaak op dezelfde wijze handelt en werkzaam is. 't Werk Gods in schepping en herschepping toont ons zulk een lieflijke harmonie bij tijd en wijle, dat we van het ene gebied meermalen veel kunnen leren ten opzichte van het andere. Wat is het voordeel van de gelijkenis?

Het natuurlijk leven is in z'n verschijningsvorm voor de eenvoudige mens en de geleerde mens dan eens zo eenvoudig en vanzelfsprekend, dat een herinnering daaraan, een dergelijk verschijnsel op geestelijk terrein voor ons bewustzijn duidelijk doet worden. Zo staat het voor ons vast, dat God alle dingen werkt. Hij is de Schepper en Onderhouder van alle dingen, de Oorsprong van alle leven. De Heere spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er. Eerst is er de raad Gods. Dan geeft de Heere Zijn bevelen: „Er zij licht". „Dat de aarde voortbrenge".

Zo gebeurt het. „Geen ding geschiedt er ooit gewisser, dan 't hoog bevel van 's Heeren mond: Zijn godd'lijk almacht spreekt en 't is er. Zijn wil gebiedt en 't wordt terstond."

Dit is niet alleen zo in de schepping, doch ook in de onderhouding der dingen. De voorzienigheid is de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, waardoor Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, met Zijn hand alzo onderhoudt en regeert, dat er in heel ons leven niets bij geval geschiedt en alles uit Zijn Vaderhand ons toekomt. Daar groeit geen sprietje dan door die almachtige kracht. Wanneer een kind geboren wordt, opgroeit, al sterker wordt en toeneemt in kennis en kracht, dan is dat alleen door Gods almachtige en alomtegenwoordige kracht. „De schepping geeft het zijn; de onderhouding de volharding in het zijn". Dat geldt van het gehele natuurlijke leven. Maar het geldt niet minder van het geestelijke leven. Van de Allerhoogste staat geschreven: „Want uit Hem, en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen" (Rom. 11 : 36).

Is er dus alleen maar een eerste oorzaak? Neen, daar zijn ook tweede oorzaken en daar zijn ook middelen. Dit doet niets af aan de waarheid, dat alles uit God is, want deze middelen, het gebruik daarvan, de vrucht op dat gebruik, zijn ook uit God. De Schrift zegt: „Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave" (Efeze 2:8). Maar dit verhinderde de apostel Paulus niet om in Romeinen 10 : 17 te schrijven: , Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods".

De gelijkenis van artikel 17 gaat er van uit, dat er een eerste oorzaak is. Het is de almachtige werking Gods in het natuurlijke leven, waardoor Hij dit ons natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt. Voor het gezaaide en geplante geldt: „Het is God, die de wasdom geeft". Maar dat betekent niet, dat de boer niet meer zaait en de boomkweker niet meer plant. Integendeel, juist het feit, dat er een Almachtige is, die de wasdom geeft, brengt zin en waarde toe aan ons zaaien en planten. Ook de gelovige boer, arbeider, middenstander, directeur, is ijverig in het gebruik der middelen. Het behaagt juist God, dat wij de geschonken mogelijkheden en middelen ijverig gebruiken. Het woord, dat uit 's Heeren mond ging is over de luiaard heel niet te spreken: „Ga tot de mier, gij luiaard, zie hare wegen en wordt wijs." Daar is niets geen bezwaar tegen, dit ook op de geestelijke luiaard toe te passen. Dus God wil het gebruik der middelen. Wij, mannen en vrouwen van het Westen, zijn vaak ijverig in het gebruik der middelen voor het natuurlijk leven. God zegent de hand van de vlijtige, dat geloven we. De wetenschap, dat de Heere ons aller inkomen bepaald heeft en dat we geen cent meer zullen verdienen, dan in Zijn raad besloten is, doet aan de ijver der meeste belijdende leden der kerk geen afbreuk. Terecht niet. God wil ons het levensonderhoud toebrengen door middelen. Wie weigert adem te halen, sterft. Wie weigert te bidden „blijft midden in de dood." Alleen die klopt wordt opengedaan en alleen wie bidt ontvangt. Ik dacht, dat 't niet te ver ging met dit woord „alleen" er aan toe te voegen. In de regel is het zo, dat de mannen en vrouwen, die veel werkzaamheden hebben met hun verloren staat en toestand, behouden worden. Dus God schenkt het geloof. Maar Hij wil er om gebeden zijn. Hij wil nog meer. De Heere wil, dat wij de prediking van Zijn Woord horen. „Want hoe zullen zij in Hem geloven, van welke zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder die hun predikt? " (Rom. 10 : 14). Dus God werkt middellijk in het natuurlijke leven. Dat de Heere werkt, opdat Hij dit ons natuurlijk leven voortbrenge en onderhoude, sluit het gebruik der middelen niet uit, maar vereist dit gebruik. Dit laatste is geen absoluut vereiste. God zou mens en dier kunnen onderhouden zonder middelen, gelijk Hij de engelen in stand houdt. Op aarde spreekt echter het middel een rol van betekenis. De middelen zijn, naar Gods ordinantie, onmisbaar.

De waarheid van de gelijkenis.

De gelijkenis gaat over het natuurlijke leven. Mens en dier worden door middelen onderhouden. Zelfs Elia, die 40 dagen en nachten doorreisde en in die tijd niet at, leefde toch op de kracht van de spijs, die de engel hem gegeven had. Christus heeft door een wonder duizenden mensen gevoed, maar niet zonder middelen. Integendeel, het wonder bestond hierin, dat de middelen ongemeen vermenigvuldigd werden. Het is daarom goed, dat wij in het natuurlijk leven het gebed op de eerste plaats zetten, doch ook de akker ploegen en bezaaien, voor ons examen stug leren en voor de zieke een dokter raadplegen. Wij mogen de middelen niet verachten, die God gegeven heeft. Zo is het in 't natuurlijke leven. Daarbij aanknopende zeggen onze Vaderen, dat het in 't geestelijk leven niet anders is. Zij verweren zich hiermee ten zoveelsten male tegen de remonstranten van toen en nu. Deze brachten en brengen immers tegen de gereformeerde leer de beschuldiging in, dat in deze leer de prediking van het Woord en de genademiddelen feitelijk overbodig zijn. De gereformeerde leer stelt immers, dat God de genade der bekering in de uitverkorenen zo uitvoert, dat de Geest des Heeren met Zijn krachtige, wederbarende werking doordringt tot in de binnenste delen der mensen. Als de Geest zo doordringt kan de uitverkorene hem niet eens weerstaan, want Hij buigt diens wil krachtiglijk en onfeilbaar tot geloof en bekering. Als nu God alles doet en geen tegenstand duldt, waartoe dan nog, vragen de remonstranten, de prediking des Woords en de andere genademiddelen? Zij lijken overbodig. God bereikt toch zijn doel, al doet de mens niet anders dan tegenwerken. Het zijn de remonstranten niet alleen, die nier bezwaren hebben. Dikwijls stelt men de vraag of van de belijdenis der verkiezing niet een remmende invloed uitgaat op de prediking van het Evangelie. Welnu, belijdenis der verkiezing en belijdenis van de wedergeboorte door God alleen, zonder enig toedoen van de mens, zijn twee zijden van de ene genade. Men zou haast zeggen, dat de prediking van de alleen-werkzaamheid van Gods verkiezing en genade het gebruik der middelen uitsluit. Hier stellen zich de leden der Dordtse Synode met kracht tegen in. Zij belijden van harte: „Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des onfermenden Gods" (Rom. 9 : 16).

Als er dus van een gebruik der middelen gesproken wordt en er zelfs van een door God gewild noodzakelijk gebruik gesproken moet worden dan betekent dit niet dat het menselijk werk iets toebrengt aan de genade Gods. Deze blijft voor de volle honderd procent genade. Dat betoon van 's Heeren genade berust geheel op het souvereine welbehagen des Heeren. Menselijke vastberadenheid of inspanning brengen geen gerechtigheid aan. Door onze werken is niets te verdienen. Nochtans zijn, naar Gods wil, in natuur en genade de middelen onmisbaar. Nog eens stellen we vast, dat de Almachtige de wedergeboorte werkt. Wij mogen en kunnen de bekering des mensen niet psychologisch verklaren. Daar hebben grote veranderingen in de ziel des mensen plaats en alles werkt op alles in, maar de oorsprong van het nieuwe leven ligt in God. De wedergeboorte is een instorting van een nieuw levensbeginsel, dat niet uit de mens opkomt. Bavinck schrijft dan ook: Er is geen twijfel aan „dat die genade, welke het allereerste beginsel des nieuwen levens in het hart van de zondaar plant, in die zin onmiddellijk mag heten, dat zij, al of niet gepaard gaande met het Woord, in de mens rechtstreeks werkt, zonder tussenkomst en zonder afhankelijk te zijn van 's mensen verstandelijke toestemming of vrije wilsdaad". Doordat God de wedergeboorte werkt krijgt de mens 't vermogen des geloofs en der bekering welk vermogen door Gods genade onfeilbaar overgaat in de daad van geloof en bekering. Dit gaat buiten de menselijke beslissing om. Gaat het nu ook buiten het Woord om? Neen, ook van de wedergeboorte evenzeer als van de bekering is het Woord genademiddel. De Leerregels stelden dit reeds. Zij hebben niet aan dr. A. Kuyper en de zijnen de bouwstoffen geleverd voor een leer van wedergeboorte zonder het middel van het Woord. Hij toch stelde dat de mens eerst wedergeboren moet zijn om het Evangelie te horen, want doden horen niet. Bavinck schreef daartegen: „Doven kunnen niet horen, maar God kan ze onder en in het verband met de uitwendige roeping horende maken. Doden kunnen niet opstaan, maar God kan door middel van het Woord het zaad des levens in hun hart planten, zodat zij met de verloren zoon opstaan en tot de Vader gaan". Zo vinden wij het ook in artikel 17, gelijk het de doorlopende gereformeerde mening altijd was: „Niet om ons gebruik van de middelen, maar in de weg der middelen, die Hij ons voorgeschreven heeft, heeft de Heere, naar zijn vrijmacht, tot het mededelen Zijner genade zich verbonden". Dus het is zo: God werkt de wedergeboorte rechtstreeks, zonder iets aan de mens te vragen. Dit sluit het gebruik van het middel der verkondiging van het Evangelie niet uit. Integendeel, de Heilige Geest gebruikt dit middel. In de natuur werkt God alles Zelf, doch gebruikt middelen. Hij doet het groeien, maar de regen is een middel en ons zaaien is een middel. „Alzo is het ook dat de voormelde bovennatuurlijke werking Gods, waardoor Hij ons wederbaart geenszins uitsluit noch omstoot het gebruik des Evangelies, hetwelk de wijze God tot een zaad der wedergeboorte en spijze der ziel verordineerd heeft".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's