De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET BESLISSEND UITGANGSPUNT

Bekijk het origineel

HET BESLISSEND UITGANGSPUNT

10 minuten leestijd

Naar aanleiding van de Richtlijnen voor de behandeling van de leer der uitverkiezing. IV

Al eens eerder heb ik het gehad over het uitgangspunt van de belijdenis in verband met het stuk van verkiezing en verwerping. Dat is de totale verdorvenheid van het menselijke geslacht. En het is zonder meer duidelijk, dat hiermee de belijdenis met beide benen staat op de grondslag van Gods Woord en in de werkelijkheid van het mensenleven, gelijk daarover dat Woord licht doet opgaan.

Waarom treffen we datzelfde niet helder in de „Richtlijnen" aan, zo kunnen we terecht vragen. Ik breng in herinnering punt vijf van het minderheidsrapport : „De inzet van het meerderheidsrapport onderscheidt zich ongunstig van de Dordtse leerregels" Dit punt wijst er dan op, dat alleen tegen de achtergrond van de totale corruptie van het menselijk geslacht het souvereine en het genadekarakter van de verkiezing Gods zuiver beleden kan worden. Met klem wordt uit de Schrift aangetoond, dat de verdorvenheid en de onwil van het menselijk hart algemeen zijn. Ieder mens is een vijand van Gods genade en niemand geeft zich uit zichzelf gewonnen aan de kracht van Gods zaligheid. De slotregels van dit punt luiden : „Van ieder mens zonder onderscheid geldt: gij wilt tot Mij niet komen. (Joh. 5 : 40). Het wonder van Gods genade is immers juist, dat. Hij verkiest, die Hem verwerpen. Daarmee maken wij God niet tot de auteur van het ongeloof. Deze gedachte is uitgesloten, zodra het verband met de erfzonde in het oog gehouden wordt".

In verband met deze laatste opmerking is het grappig op blz. 18 van de Richtlijnen als kopje te lezen : Het raadsel van het geloof. De zetter heeft daar een fout gemaakt. Bedoeld wordt: het ongeloof, zoals uit het vervolg blijkt. Zeker kan de Kerk vanwege de rijkdom en overmacht van de genade Gods staan voor het raadsel van het ongeloof. Maar dan zal ze toch vooraf vol zijn van het raadsel van het geloof, aangezien al het bedenken des vleses vijandschap tegen God is en alle vlees zijn weg verdorven heeft. En dat nu dat laatste krachtig en absoluut doorklinkt in de richtlijnen, of liever, dat eerst helder en schriftuurlijk over de zonde (zondeval) en de gevolgen gesproken wordt, kan helaas niet gezegd worden.

Waarom is dat niet gedaan ? — Waarom wilde de commissie van voorbereiding, als uit haar midden daarop aangedrongen werd, niet er op ingaan ?

— Waarom niet begonnen met Genesis 1-3?

Helaas voelde ik — en met mij anderen —, dat ergens een kloof gaapte tussen de meerderheid en de minderheid. Soms naderden we in het gesprek heel dicht tot elkaar, om dan een vol­gend ogenblik een afstand te beseffen, die verbijsterend was. We kwamen wel onder de indruk van het feit, dat in de dogmatiek alles met alles samenhangt, en dat een bepaald uitgangspunt of een bepaalde visie zijn gevolgen heeft voor zaken zelfs, die aan de periferie van het kerkelijk leven liggen. Het is inderdaad, zoals één van mijn leermeesters placht te zeggen : Als je met een hamertje in een grote kathedraal tegen een pilaar tikt, dan plant zich de trilling voort door het gehele machtige gebouw ; zo is het ook met de dogmatiek : een bepaalde gedachte over één der dogmata heeft invloed op de visie op alle andere stukken der leer.

Eén van de belangrijkste grondverschillen, die er tussen meerderheid en minderheid waren, was toch wel, dacht ik, de waardering van de H. Schrift en de wijze, waarop die functioneerde in ons theologiseren. Ook al heb ik daarmee niet alles gezegd, toch voelde ik heel vaak aan, dat hier een onoverbrugbare kloof ligt. Dit verschil was er altijd ondergronds en werkte onophoudelijk. Hoe zou het ook anders kunnen.

Ik meen er goed aan te doen dat nog weer eens te onderstrepen, opdat we niet zouden denken, dat het verschil in waardering van de H. Schrift een zaak van ondergeschikt belang is. Telkens weer worden we door Prof. Severijn er op gewezen, dat er een onoverbrugbare kloof ligt tussen het reformatorisch erkennen van de goddelijke autoriteit van de Heilige Schrift, die Christus en Zijn apostelen daaraan toekennen, en de theologische opvattingen, die uit een boezem opkomen, die dat weigert. M.i. terecht. De vraag is en blijft urgent: Wat dunkt u van de Heilige Schrift ? Ik bedoel dat niet rationalistisch, maar als zaak van het geloof. Hier gaan inderdaad de wegen uiteen. Ik meen dan ook, dat de „Richtlijnen", omdat ze gedragen worden door een midden-orthodoxe Schriftwaardering er uit zien, zoals ze zijn, en dat mede ook daarom te vergeefs in hen gezocht wordt naar de zondeval als inzet bij de behandeling van de leer der verkiezing. Ik vraag mij bovendien af, of niet met opzet men het stuk der erfzonde heeft laten rusten in het vermoeden, dat dan eerst helder aan het licht zou treden, hoezeer de gedachten op dit punt uiteenlopen en voor een goed deel volkomen afwijken van wat de Kerk daarover belijdt.

Doch we beperken ons nu tot de waardering van de Heilige Schrift. — Wat is voor ons de Bijbel ? — Oorkonde der openbaring ? Menselijke weergave van 't Woord Gods? En daarom vol van elementen, die tijdgebonden zijn? Waaruit we de wezenlijke openbaring Gods moeten uitpeilen ? Moeten we, hoofs buigend voor de natuurwetenschap, gaan onderscheiden tussen historie en geschiedenis ? enz. enz.

Problemen mogen hier opgeworpen worden, maar het gaat om het beginsel, of Hever om het geloof. Welnu, het geloof is wars van alle heerschappij van wetenschap en filosofie over de openbaring Gods. Het geloof, dat zelf gewekt is door het Woord van God en leeft door dat Woord, is volstrekt onderworpen aan de openbaring, zoals die in de Heilige Schrift tot ons komt. Het geloof, zelf uit de Heilige Geest, erkent en herkent de eerste en als zodanig enige Auteur der Heilige Schrift. Dat allereerst. Daarmee wordt niets ten nadele gezegd van de inleidingswetenschap, indien zij althans haar dienende taak ten deze wil erkennen en niet als heerseres zich opwerpt om de hemelse Auteur te gaan bedillen.

Het geloof is kinderlijk eenvoudig en geeft nooit prijs het eerste auteurrecht van de Heilige Geest en de providentia specialissima (de allerbijzonderste voorzienigheid) Gods over Zijn te boek gestelde openbaring.

God heeft Zijn Zoon van eeuwigheid af verordend tot Middelaar van het genadeverbond, en in die Middelaar heeft Hij door de Heilige Geest in der eeuwen loop getuigenis gegeven, en wat Hij nodig oordeelde tot Zijn eer en de zaligheid Zijner Kerk te boek laten stellen. Over de organen, waarvan Hij Zich daarbij bediende, de middelen, die Hij daarbij gebruikte, de wegen, die Hij daarbij ging, spreken we nu niet. Het gaat er ons thans maar om, dat het voor ons vast moet staan, dat de Schrift niet van de openbaring kan worden losgemaakt. Christus is de inhoud en het middelpunt van de Heilige Schrift. Het geloof kent Hem als de Christus der Schriften, beide van het oude en het nieuwe verbond. Daarom bestaat de openbaring voor ons, voor de kerk van alle eeuwen, slechts in de vorm van de Heilige Schrift. *)

Als men de vleeswording des Woords als de absolute openbaring Gods ziet en de Bijbel als de menselijke oorkonde daarvan, moet men mij eens vertellen, hoe we de Christus onbedriegelijk kunnen kennen. Denkt ge, dat God de kennis van Zijn enige Gave laat afhangen van een zifting van de Bijbel door de geleerden.

Het geloof is van geheel andere orde dan al deze Schrift-beschouwingen. Het buigt onvoorwaardelijk voor de Heilige Schrift, waarin de Drieënige God met Zijn autoriteit tot ons komt. Het erkent de H. Schrift als van God gegeven, als Christocentrisch, als gedragen door de Heilige Geest. De Kerk der eeuwen wandelt daarin in het voetspoor van Christus en Zijn apostelen. Daarom moet ook de H. Schrift niet atomistisch worden behandeld en verklaard, stukje voor stukje, maar Schrift met Schrift vergelijkend en verklarend. Daarom ook hebben we te beginnen, waar God begint, d.i. met schepping en zondeval, en niet met Bethlehem, of met Gen. 12, terwijl het voorgaande naar het rijk van de legenden en sagen wordt verwezen.

Ook in dit opzicht is ons de Heilige Schrift als de te boek gestelde openbaring Gods — van Genesis tot Openbaring —, zoals God ze tot ons heeft doen komen, het enige principium externum van de theologie. Als dat fundamentalisme genoemd wordt, moet de Kerk in de voorgaande eeuwen aan deze kwaal doorlopend hebben geleden, en pas een verlichte christenheid van vorige en deze eeuw het rechte inzicht ontvangen hebben. Ik meen echter, dat de moderne Schriftbeschouwing opkomt uit filosofische achtergronden en dat het reine geloof daarmee niet van doen kan hebben.

Mogen we met Calvijn onvoorwaardelijk en geheel leerling van de Heilige Schrift zijn in kinderlijke gehoorzaamheid, dan beginnen we met schepping en zondeval (en de gevolgen daarvan), gelijk de Heilige Geest door het Woord daarover licht doet opgaan. Dan zullen we de ernst van de zondeval niet verkleinen, maar als ontzaggelijk gebeuren in het begin van de mensheidsgeschiedenis erkennen. Dan ook zal de totale doodstaat van de mens als een verschrikkelijke werkelijkheid gekend en beleden worden. We komen dan niet aandragen met allerlei vragen, waaruit onze zo-genaamde barmhartigheid moet spreken, als „Wat is er van al die arme heidenen dan toch geworden ? !" enz., maar erkennen allereerst onze eigen doodstaat en onderschrijven het Woord des Heeren, dat zegt, dat de ganse wereld voor God verdoemelijk is. Daarbij erkennen we het Woord van Christus : „Het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn", enz., als met de spits gericht op ons geslacht, dat Christus in het Woord in zijn midden heeft.

Maakt men de Heilige Schrift los van „de openbaring", dan is de baan vrij voor allerlei loze bespiegelingen. We hoorden een niet onvermaard theoloog een dergelijke bespiegeling geven over Rom. 2 : 12—15, waarbij voor de heidenen, tot wie het evangelie niet gekomen is, naar een aparte norm (vs. 14 en 15) redding geopend zou zijn.

Ik ga hierop niet verder in. We hebben, meen ik, slechts te buigen onder het Woord Gods en de God der Schriften, Die de ganse wereld onder het oordeel legt. Ik vermeld het alleen maar, om te laten zien in welk doolhof van bespiegelingen we terecht komen, als we de eenheid der Schrift en haar goddelijke autoriteit beginnen los te laten, en gaan scheiden wat niet te scheiden is. Men komt tenslotte — dank zij zijn „barmhartigheidsgevoel" — bij de alverzoening en de wederherstelling aller dingen uit, maar men maakt zich immuun voor het wonder der barmhartigheid Gods, bewezen aan de grootste der zondaren. Men weet niet van dit te beleven in het geloof. Omdat men de doodstaat, waarin we zijn van nature, en de radicale vijandschap van ons hart niet beleeft.

De ondermijning van het Schriftgezag is een proces, dat voortschrijdt. En het vervult ons met zorg, als we bemerken, dat ook binnen de Gereformeerde Kerken de invloeden van de moderne theologie — ook t.o.v. de waardering van de H. Schrift in verband met de verhouding H. Schrift en natuurwetenschap — zich doen gelden. Gelukkig blijkt telkens weer het leven sterker te zijn dan de leer. En dat zal zo blijven.


*) Dr. H. Bavinck, Geref. Dogm. 3e druk I,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET BESLISSEND UITGANGSPUNT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's