EEN FIJNE NEUS
Naar aanleiding van de Richtlijnen voor de behandeling van de leer der uitverkiezing. V.
Het is genoegzaam bekend, dat de oude remonstranten in de vaste veronderstelling leefden, dat zij in geen enkel opzicht nieuwe leringen trachtten in te voeren. Daarom schreven ze in hun remonstrantie dan ook, dat zij niet konden verstaan, dat de vijf calvinistische stellingen (zoals zij die hadden geformuleerd) in de confessie en de catechismus begrepen waren. Integendeel, zij meenden dat die stellingen zelfs in strijd waren met sommige gedeelten van de belijdenisgeschriften. Die vijf stellingen luidden als volgt:
1. Dat God (zo enigen zeggen) door een eeuwig en onveranderlijk besluit uit de mensen die Hij niet als geschapen, veel min als gevallen heeft aangezien, sommigen ten eeuwigen leven, sommigen ter eeuwige verderfenis heeft geordineerd, zonder enige aanmerking van gerechtigheid of zonde, gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid, alleen omdat Hem j alzo geliefd heeft om de heerlijkheid van Zijn rechtvaardigheid en barmhartigheid (of zo anderen het stellen) van Zijn zaligmakende genade, wijsheid en vrije macht te betonen: hebbende daartoe ook verordineerd middelen dienstig tot uitvoering van dezelve, en zulks ook door een eeuwig onveranderlijk besluit; uit kracht van dewelke die ter zaligheid verordineerd zijn noodzakelijk en onmiddellijk moeten zalig worden, en niet kunnen verloren gaan, en die ter verdoemenis verordineerd zijn wezende verre het meeste deel noodzakelijk en onmiddellijk moeten verdoemd worden, en niet kunnen zalig worden;
2. dat God (zo anderen leren) willende van eeuwigheid bij zichzelf een besluit maken om sommige mensen te verkiezen en anderen te verwerpen, heeft het menselijk geslacht aangezien niet alleen als geschapen maar ook als gevallen en verdorven in Adam en Eva onze eerste voorouders, en overzulks de vervloeking waardig, uit welke val en verdoemenis Hij voorgenomen heeft sommigen te verlossen en zalig te maken, door Zijn genade tot betoning van Zijn barmhartigheid, en de anderen zowel jong als oud, t ja zelfs enige kinderen der 'bondgenoten en die in de naam van Christus gedoopt zijn in hun kindsheid stervende in de vervloeking door Zijn rechtvaardig oordeel te laten blijven, tot verklaring van Zijn rechtvaardigheid en dat zonder enige aanmerking van bekering en geloof in de een, of onbekeerlijkheid en ongeloof in de ander. Tot uitvoering van welk besluit God medegebruikt zodanigen middelen door welke de verkorenen noodzakelijk en onmiddellijk zalig worden, en de verworpenen noodzakelijk en onmiddellijk verloren gaan;
3. dat vervolgens Jezus Christus de Zaligmaker der wereld niet is gestorven voor alle mensen, maar alleen voor diegenen, die alzo op de eerste of tweede wijze uitverkoren zijn, als zijnde een middel en Middelaar geordineerd alleen om die zalig te maken en geen ander;
4: dat vervolgens de Geest van God en van Christus in degenen, die op de ene of andere manier uitverkoren zijn werkt door zodanige kracht der genade, die zij niet kunnen wederstaan, alzo dat zij niet kunnen of zij moeten zich bekeren, geloven en alzo noodzakelijk zalig worden; welke onwederstandelijke genade en kracht den zodanigen uitverkorenen alleen geschiedt; en den verworpenen niet, denwelken niet alleen deze onwederstandelijke genade onthouden wordt, maar zelfs ook geen nodige en genoegzame genade tot bekering, geloof en zaligheid gegeven wordt; tot welke bekering en geloof deze wel geroepen, genodigd en gesmeekt worden uiterlijk door een geopenbaarde wil Gods; maar hun wordt evenwel de inwendige kracht daartoe nodig niet meegedeeld door de verborgen wil Gods;
5. dat die het waarachtig rechtvaardigmakend geloof eens door zodanige onwederstandelijke kracht ontvangen hebben, hetzelve nimmermeer, hoe. grove zonden zij ook zouden mogen komen te doen, geheel noch eindelijk kunnen verliezen, maar door die onwederstandelijke kracht zo geleid en bewaard worden, dat zij ten enenmale niet kunnen vervallen en verloren gaan.
We behoeven deze stellingen niet uiteen te rafelen en aan te tonen, waar de gereformeerde leer juist en waar zij vervalst wordt weergegeven. Telkens stuiten we op wanbegrip. B.v. ten opzichte van de verhouding van de onwederstandelijke genade en de menselijke verantwoordelijkheid tot elkander; de correlatie tussen val en verkiezing; in hetgeen gezegd wordt over de vroeg-gestorven kinderen; de kracht van de zoendood van Christus; en de inwendige en uitwendige roeping. In de Leerregels is dat door de Dordtse Synode helder genoeg gedaan. Men leze ze!
Intussen deden de remonstranten het voorkomen als bestreden ze nieuwe leringen, door hen in deze stellingen geformuleerd. Zij stelden daartegenover hun vijf punten en meenden daarin klaar aan te tonen hoe onwaarachtig het was hen te verwijten als wilden ze iets in de gereformeerde religie veranderen. Ja, zij beweerden zelfs de confessie en de catechismus naar derzelver bedoeling en strekking te vertolken.
De gereformeerden (contra-remonstranten) namen natuurlijk aanstoot aan het verkeerd voordragen van stukken, die zij leerden en liefhadden, en later hebben de Dordtse vaderen dan ook alles gedaan om door duidelijke omschrijving van wat zij naar Schrift en belijdenis leerden aangaande verkiezing en verwerping alle wanbegrip weg te nemen.
Daarbij hebben ze het echter niet gelaten. Zij zijn doorgestoten tot de grondpricipia., Zij hebben met een fijne neus de dwaling in de wortel geroken. Zij hebben er weet van gehad, dat de remonstranten — ondanks hun tegenovergestelde beweringen — in de grond van de zaak aantastten de grondstukken van de leer der zaligheid. Voor de gereformeerden was de souvereiniteit van God en Zijn genade in het geding. En zij hebben zich niet van de wijs laten brengen door allerlei goedklinkende zinnen, die de remonstrantie overvloedig bevatte. De remonstranten beleden toch, „dat de mens het zaligmakend geloof niet van zich zelf heeft, noch uit kracht van zijn vrije wil, ja, dat de mens in de staat van zijn zonde niets goeds, dat waarlijk goed is (gelijk inzonderheid is het zaligmakend geloof) uit en van zichzelf kan denken, willen of doen, maar dat het van node is, dat hij van God in Christus door Zijn Heilige Geest wordt herboren en vernieuwd in verstand, gevoel of wil, en in alle krachten, opdat hij het ware goed te recht moge verstaan, bedenken en willen, en volbrengen; dat deze genade Gods is het beginsel, de voortgang en volbrenging van alle goed".
De gereformeerden lieten zich echter daardoor niet verschalken, omdat in het gehele stuk der remonstrantie hen een anthropocentrische geest tegenwoei, die hun theocentrische geloofsinstelling kwetste. Zo konden allerlei rechtzinnige uitspraken en betuigingen van ootmoed hen niet weerhouden van zeer beslist stelling te nemen tegenover het in de remonstrantie voorgedragene als in strijd met de leer der godzaligheid naar de Schriften en dus met het geloof der Kerk.
De ontwikkeling van de remonstrantse theologie in de loop der eeuwen heeft hen maar al te zeer in het gelijk gesteld.
Wat ons verwondert? — Dat het geschrift van onze Synode over de uitverkiezing zo'n gunstig onthaal gevonden heeft, ook bij degenen, die bekend staan van gereformeerd belijden te zijn. Dat de midden-orthodoxen er blij mee zijn, is te begrijpen. Minder duidelijk is echter, dat ook vele confessionelen erover juichen (gelet althans op de statuten van de confessionele vereniging). Dat de echte Barthianen het noch vlees noch vis vinden is ook verklaarbaar. Maar dat gereformeerden in en buiten onze kerk er mee ingenomen kunnen zijn, is mij eenvoudig een raadsel.
Hebben we onze fijne neus verloren? Of is er steeds meer een innerlijke vervreemding van Dordt op gang? We vrezen het laatste. Mij treft de innerlijke overeenkomst tussen de remonstrantie en de richtlijnen. Telkens stuit men op dezelfde geestelijke instelling. Van de verkiezing, die door de richtlijnen steeds weer als daad Gods in de geschiedenis wordt voorgedragen, blijft praktisch niet veel anders over dan de genadige toewending Gods tot de mens. „Toen God Zich in Jezus Christus met een verloren mensheid verbond, was dat Zijn verkiezende genade" (blz. 16). Daarin moet dan de verkiezing van de gemeente en de enkeling zijn gegrond. Hoe moet ik dat allemaal verstaan? „Onze uitverkiezing komt als nodiging tot ons" (blz. 31). „Zij voltrekt zich eerst als de beaming van geloof en gehoorzaamheid in de mens wordt gewekt". Dat zeiden de remonstranten ook. Dat de zaligmakende kracht van de zoendood van Christus zich alleen uitstrekt tot de uitverkorenen wordt bestreden (blz. 40).
Gezegd wordt, dat we gestelde grenzen niet mogen overschrijden. B.v. „Over het uiteindelijke heil en onheil van allen, die niet in de gang van het Evangelie betrokken werden, komt het oordeel niet toe aan ons, maar aan Hem die aan zijn Woord de baan wijst en die daarin de hoogste liefde en de hoogste gerechtigheid is" (blz. 16). Ook de remonstranten deden dat in hun remonstrantie. Zij achten hun punten „stichtelijk en in deze materie genoegzaam tot zaligheid, zonder dat het van.node of ook stichtelijk zij hoger te klimmen of lager te dalen".
Iets in dezelfde geest lezen we ook nog op blz. 23 van de richtlijnen: „Omtrent Gods voornemen met anderen in zijn eeuwige raad is de gelovige niets bekend. Pas in de voleinding zal ons de inhoud van deze raad naar de mate van onze bevatting worden onthuld. Op deze onthulling mogen en vermogen wij niet vooruit te lopen. Daarom velt geen oordeel vóór de tijd dat de Heere komt, die hetgeen in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen" — Dat klinkt wel erg ootmoedig. Maar als met dit ootmoedig getuigenis bedoeld wordt een geheel of gedeeltelijk Rom. 3 : 19 (de gehele wereld voor God verdoemelijk) van zijn kracht beroven, dan vind.ik het een mateloos hoogmoedig getuigenis. We hebben telkens de indruk, dat er eerst grenzen getrokken worden, terwijl daarna gezegd wordt: Pas op, je mag de grens niet overschrijden. Dat is echter totaal iets anders dan voor de grens te blijven staan, die God in Zijn Woord trekt. Dat heeft ons Calvijn bij herhaling geleerd.
Wie vandaag wel een fijne neus blijken te hebben? De Remonstrantse Broederschap aanvaardde in haar juni-vergadering een resolutie, waarin o.a. wordt gezegd:
„Zij verheugt zich over de wijze, waarop de Synode van de Ned. Herv. Kerk de bezwaren die in eigen kring tegen de Dordtse Leerregels waren gerezen, heeft behandeld door in plaats van opnieuw een kerkrechtelijke uitspraak te doen, richtlijnen op te stellen voor een open behandeling van dit leerstuk, zodat ook afwijkende inzichten zich kunnen doen gelden. De Algemene Vergadering verklaart zich daarom van ganser harte bereid zich in eigen kring nader rekenschap te geven van de nieuwe visie die in de „Richtlijnen" wordt gegeven, en ook het eigen standpunt, in verleden en heden ingenomen, onder een even diepgaande kritiek te stellen, en 'bereid te zijn afstand te doen van verouderde theologische vraagstellingen en begrippen".
Het antwoord op mijn vraag behoef ik niet te geven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's