De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

10 minuten leestijd

44 OPENBARING 20 HET DUIZENDJARIG RIJK

Ditmaal gaat het ons om de uitdrukking „duizend jaren" in vers 3.

Natuurlijk moet het getal duizend niet letterlijk worden opgevat. Immers, dikwijls hebben getallen in de Heilige Schrift geen letterlijke, maar een symbolische betekenis. D.w.z. zij willen een bepaalde gedachte tot uitdrukking brengen. Wie denkt hier niet aan de getallen 7, 12, 144 enz. ?

Ook die exegeten, die de vervulling van het visioen uit Openbaring 20 in de toekomst plaatsen, nemen het getal 1000 symbolisch. Zij, die de vervulling reeds in de loop der geschiedenis nu plaatsen, leggen zelfs grote nadruk op deze symbolische betekenis!

Wij moeten hier, volgens hen, dus niet denken aan een tijdsbestek van precies duizend jaren. Neen, 1000 is de derde macht van 10 en 10 is het grondgetal van ons rekenkundig stelsel. In het getal 10 ligt de gedachte van volheid. En het getal 1000 heeft dit dus in heel sterke mate. In deze zin gebruiken wij in onze omgangstaal het getal duizend ook wel eens. „Ik heb het wel duizend keer gezegd !" Wat betekent : „Ik heb het toch genoeg, tot in den treure, gezegd !"

De „duizend jaren" in Openbaring 20 duiden dus aan een periode, welke precies zolang zal duren als God in "Zijn Raad heeft bepaald en waarin ook alles in een volmaakte orde zal verlopen langs de lijnen, welke Hij heeft uitgestippeld. Hoelang, die periode precies zal duren, weten wij echter niet.

Wel is hier dus sprake van jaren. Dat wijst op een periode, welke afloopt. Immers een jaar geeft iets aan, dat in elk geval tijdelijk en voorbijgaand is. Daarom, „de duizend jaren" zijn een voorbijgaande periode. Dat blijkt tevens uit het feit, dat aan het eind daarvan Satan nog weer ontbonden zal worden.

Dus ook hier worden wij er weer bij bepaald, dat de in dit visioen getekende zegepraal van Christus nog niet Zijn eeuwige victorie is. Ze gaat in elk geval vooraf aan de openbaring van het eeuwige Koninkrijk, waarin de Zoon aan de Vader de heerschappij zal hebben overgegeven en God zal zijn alles in allen. Anderzijds, — dit ligt in het getal duizend — is de zegepraal van Christus in deze periode zó heerlijk, dat ze als iets volkomens wordt aangeduid ! 

Intussen, alle verklaarders van de Schrift zijn het er dus over eens, dat die periode van de binding van Satan niet een periode is van precies duizend jaren. Echter, zij, die op het standpunt staan, dat het visioen van Openbaring haar vervulling vindt in de loop der geschiedenis nu en dus de binding van Satan een feit is, dat daarin geplaatst moet worden, wijzen hierbij met nadruk op wat toch eigenlijk gebeurd is bij Christus' eerste komst in het vlees.

En zij zeggen —, niet ten onrechte — : „Heeft Christus daar de Boze al niet aangegrepen en overmeesterd ? " Wat roert Satan zich bijzonder, als het Woord vlees is geworden. Doch wat blijken Christus' meerderheid en zegepraal! Daar is de verzoeking in de woestijn, waar Christus de Boze wederstaat met Zijn : „Er is geschreven". Daar is het sidderen van de boze geesten, als Hij verschijnt, en hun afdruipen als Hij Zijn machtswoord spreekt. Daar is de roep door het land : „Zelfs de duivelen zijn Hem gehoorzaam". Daar is vooral Zijn kruis, waar Hij tegenover de Vader alle gehoorzaamheid volbrengt en Zichzelf als het volmaakte offer voor de zonden der wereld geeft, waardoor Hij Satan voor goed alle grond onder diens troon wegneemt, diens macht neerslaat en de kop der slang vermorzelt. Hoe schrijft Paulus niet in zijn brieven, vooral in de Colossenzenbrief, in deze zin over Christus' dood èn Diens opstanding ? En Christus' hemelvaart ligt toch in het verlengde van Zijn opstanding? Daarvan geldt ten volle : „Gij hebt de gevangenis gevangen genomen". En na die hemelvaart ziet Johannes Hem niet anders dan als het Lam, dat overwon, in de hemel!

Bij dit alles aansluitend, zien nu vele exegeten het duizendjarig rijk, waarin Satan dus gebonden is, als aanduiding van een situatie, welke eigenlijk reeds begonnen is bij Jezus' opstanding en hemelvaart. Het duizendjarig rijk wil eigenlijk een aanduiding en bepaalde kenschetsing zijn van heel de wereldperiode, welke samenvalt met Christus' zitten aan de rechterhand des Vaders ! Wel zijn er onder deze exegeten, die het begin van dit rijk weer samen willen laten vallen met de tijd van keizer Constantijn de Grote, aan het begin van de vierde eeuw. Toen immers werd het christendom, na tevoren aan allerlei vervolgingen te hebben blootgestaan, in het Romeinse wereldrijk officieel als staatsgodsdienst erkend en werd de opperheerschappij van het heidendom gebroken. Tóén zegevierden het Evangelie en het christendom over het heidendom, hoe gedeeltelijk die zege ook was. Volgens deze verklaarders der Schrift zou vooral tóen de binding van Satan een feit geworden zijn. Hoewel ook zij daarbij niet ontkennen, dat die binding toch eigenlijk al begonnen is bij de opstanding en de hemelvaart van Christus!

Natuurlijk hebben die exegeten, die dus het duizendjarig rijk zien als een nadere kenschetsing van heel de wereldperiode, welke samenvalt met Christus' zitten op de troon in de hemel, zich nader rekenschap gegeven van hun standpunt. Immers, hier rijzen toch wel enige vragen, welke tot bedenkingen kunnen worden. B.v. deze : kunnen wij die wereldperiode inderdaad wel zien als één, waarvan gezegd kan worden, dat Satan daarin gebonden is? Is dat gebonden zijn, als de Boze toch nog al de eeuwen door zijn invloed laat gelden ? Het valt niet te ontkennen, dat hij nog voortgaat met een bittere strijd te strijden tegen het Evangelie en haar invloed ! Hoe heeft hij, ook na Jezus' hemelvaart, getracht het Woord zijn kracht te ontnemen en de ware belijders de mond te snoeren ! Was de Kerk niet een volk in „de woestijn" ? En welk een invloed heeft hij nog weten te krijgen en te houden in de cultuur en in de wetenschap !

Bovengenoemde verklaarders ontkennen niet, dat deze vragen zwaar wegen. Doch zij handhaven toch hun zienswijze. Zij geven toe, dat, wanneer wij alleen laten gelden wat voor ogen is, de wereldperiode na Jezus' troonbestijging geheel anders moet getypeerd worden. Maar zij stellen daar tegenover, dat wij dat niet mogen doen. Doch moeten laten gelden, welk licht de Schrift over de dingen werpt.

En dat licht is toch — zo voeren zij aan — dat de Satan principieel is overwonnen, toen Christus stierf en daarna opstond en ten hemel voer. In verband hiermee geven zij ook aan wat verder staat in vers 3, n.l. dat de Satan de volkeren niet meer zal verleiden, een bijzondere verklaring.

Zij wijzen er op, dat de opstanding en de hemelvaart van Christus duidelijk een keerpunt betekenen in de loop der geschiedenis. Voordat Christus Zijn werk aan het kruis volbracht had, stond het in het volkerenleven immers zó, dat bijna overal de macht van de Boze groot was ; ongehinderd had deze de volkeren in zijn greep en de wereld lag verzonken in de duisternis van afgoderij en heidendom. Er lag een stuk waarheid in, toen de Satan bij de verzoeking in de woestijn Jezus al de koninkrijken der aarde toonde, als hem toebehorend !

Ja, vóór Christus' triumph aan het kruis kon de macht der duisternis schijnbaar ongehinderd haar posities onder de volkeren handhaven. Waar was toen de openbaring van 't Koninkrijk Gods ?

Temidden van al de volkeren was er slechts één volk, waaronder dit Rijk tot openbaring kwam, Israël! En hoc was het nog met dit volk gesteld ? En hoe stond het verder met de invloed van dat Koninkrijk in de grote wereld ?

Echter, na Christus triumph aan het kruis, wordt dit geheel anders. Dan wordt het Pinksteren en gaan de apostelen met het Evangelie de wereld in. En hun reizen worden, ondanks veel tegenstand, veroveringstochten. De H. Geest werkte harten bekerend, kerkvergaderend, en dat maar niet in afgelegen plaatsen, doch ook in de cultuurcentra, in Antiochië, Efeze, Corinthe, Rome, Alexandrië. En binnen korte tijd had het christendom, eerst veracht, zich ontwikkeld tot een geestelijke macht, waar tegenover het heidendom almeer terrein verliezen moest. Niet voor niets riep Julianus de Afvallige voor zijn sterven uit: „Toch hebt gij, Galileeër, overwonnen !" Het christelijk geloof zegevierde.

Zo erkende later Constantijn de Grote de christelijke religie officieel als staatsgodsdienst. En sindsdien staat het christendom aan de spits van de mensheid, in deze zin, dat het Evangelie uitgaat tot alle volkeren en het christelijk geloof in menig opzicht leidinggevend is in de wereld. De christelijke volkeren krijgen almeer een leidende positie, terwijl de niet-christelijke volkeren almeer in het duister wegzinken. En waar het Evangelie met haar glans schijnt, daar laat het haar licht vallen over heel het leven en doortrekt het als een zuurdesem al de terreinen van dat leven. Daar doet het haar invloed gelden op de maatschappelijke verhoudingen, op wetenschap en kunst!

Wat betekent dit alles anders, zo vragen bovengenoemde exegeten, dan dat er na Christus' opstanding en hemelvaart een geweldige keer heeft plaats gevonden ? Satan, die tevoren de vrijheid had om de volkeren te verleiden, is sindsdien, wat dit betreft, gebonden. O zeker, hij heeft gepoogd verloren terrein te herwinnen, maar het is hem sindsdien niet meer gelukt de volkeren, die buiten het licht der bijzondere openbaring leefden, samen te bundelen tot één machtige phalanx om gezamenlijk tegen het Evangelie en het christendom op te trekken en die neer te slaan. Integendeel, de christelijke volkeren gaven de toon aan en het Evangelie kon, hoewel niet zonder strijd, voortgang vinden !

Hoe zou dit alles mogelijk hebben kunnen zijn, als Satan niet reeds een overwonnen en gebonden vijand was ? Het Evangelie was toch voor de Joden een ergernis en voor de Grieken een dwaasheid ? En wie waren de dragers van dat Evangelie ? Onaanzienlijke, zwakke mensen, die een overmachtige heidenwereld tegenover zich vonden ! Deze heidenwereld capituleerde alleen, omdat de Satan gebonden was en Christus als Triumphator ten troon verheven was. Vanwege die binding was de Zending mogelijk en het werk der evangelisatie en de dienst der barmhartigheid, en is er gelegenheid om voor Christus' Naam te strijden op alle levensterreinen en blijft Christus' Kerk in stand.

Nogmaals, dit betekent niet, dat Satan in het geheel geen invloed meer heeft, ook onder de volkeren, die met het Evangelie bekend zijn geworden en in veler hart. Maar hij kan niet verder woeden, dan Christus toelaat. Hij is een aan handen en voeten gebondene.

Wij verstaan nu, dat, wanneer wij met deze exegeten de betekenis van dit visioen uit Openbaring 20 in deze zin nemen, er iets geweldigs in gelegen is ! Inderdaad geeft het ons dan een bijzondere visie op het wereldgebeuren, een geloofsvisie. Inderdaad, ogenschijnlijk is Satan in de loop der eeuwen niet gebonden en lijkt het vaak, alsof hij de baas is in de wereld. Maar de Schrift laat ook hier over dit alles een geheel ander licht vallen. Dit licht: Christus regeert als Triumphator en de Satan is aan Hem onderworpen. Ten diepste kan de Boze niets tegen Zijn wil. De Satan kan ook niet tegenhouden de voortgang van het Evangelie onder de volkeren, zoals die haar loop moet hebben naar de Raad Gods.

Zo gezien ligt er een geweldige troost in dit visioen voor de Kerk van alle eeuwen. En voor óns, wanneer ons inderdaad de Naam en de zaak des Heeren boven alles lief zijn geworden. Wie weet niet van innerlijke aanvechtingen om zoveel, dat in de wereld gebeurt, om de bestrijding van de Kerk en de tegenkanting tegen het Evange­lie en de afval, — tevens om zoveel, dat in eigen leven zich afspeelt ? Dat ook daar de macht der zonde in allerlei vorm nog zo groot is en de „verklager der broederen" terecht ons aanklaagt ? Echter, ook dit visioen zegt ons dan, dat wij met een overwonnen, gebonden vijand en met een als Koning heersende en triumpherende Christus te doen hebben !

Moeten wij ons niet beschuldigen, dat wij vaak te weinig uit deze geloofsvisie leven? Wanneer wij er méér uit leefden, dan zou ons dat een andere kijk geven op vele dingen èn ons sterker doen staan in het besef, dat wij in Christus meer dan overwinnaars zijn!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's