Meditatie
Wij weten het niet
En zij, Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten het niet. Matth. 21 : 27a.
Gewoonlijk zijn wij er nogal op gesteld, dat wij het weten. Een vader vindt het bepaald niet prettig als hij het antwoord moet schuldig blijven op een vraag van zijn dochter of zoon. Er is geen mens, oud of jong, die niet graag iets wil weten. Wij bezoeken een school, volgen een cursus of houden iets bij om zoveel mogelijk te weten van ons vak of beroep. Want het is een plezierige ervaring als moeder te horen krijgt, dat zij een goede huisvrouw is, het schoolkind een pientere leerling en de arbeider een uitstekend vakman. En laten wij eerlijk zijn: daar zijn we trots op. Wij gevoelen het als een vernedering en schande als we iets minder zijn of weten dan een ander. Als wij in het leven bekend staan als mensen, die veel betekenen en veel weten, dan is het ook een hele kunst om eenvoudig en nederig te blijven.
Vooral op godsdienstig gebied willen wij graag iets zijn. Het is een goed ding als we geregeld de Bijbel ter hand nemen en trouw ter kerk gaan om te weten wat God ons te zeggen heeft. Daar kunnen wij nooit teveel van weten. Hoe meer wij daar weet van hebben, des te dieper wij buigen. Maar alle Bijbelkennis is nog geen Godskennis. Er is een soort „bijbelse" hersengymnastiek, die wij niet aanwenden om dieper voor God te buigen, maar om zó hoog te klimmen, dat wij op Hem kunnen neerzien. Als wij zo de Bijbel hanteren dan is ons bezig zijn met de Schrift inderdaad niet meer dan hersengymnastiek. Dat is levensgevaarlijk: dat stijgt ons naar het hoofd en hoogmoed komt voor de val.
Godsdienstige hoogmoed komt tot Jezus in een eenvoudig gewaad. De overpriesters en ouderlingen van het volle Israël komen tot onze hoogste Profeet en Leraar met een vraag: door wat macht doet Gij deze dingen? En wie heeft U deze macht gegeven? Iemand, die denkt, dat hij het weet, vraagt niet naar de waarheid, maar naar wat er achter zit. Die vraag schijnt te getuigen van ernst, maar in werkelijkheid is het een vraag uit de hoogte: wie bent U? Wij kennen u niet en daarom verlangen wij, dat Gij u legitimeert. Dat is onze bevoegdheid en plicht als wettige gezagsdragers. Wij hebben U wat te vragen, maar weet het wel: wij vragen het U als de hoogste autoriteiten. Wij zijn van Gods wege belast met het toezicht op de leer der zaligheid, wij zijn bezorgd voor het heil des volks en daarom zijt Gij aan ons verantwoording schuldig: wie bent U?
Als wij Jezus vragen naar de bekende weg dan wijst Hij ons daar naar terug, want dat is de weg des levens. Als Ik vragen mag: de Doop van Johannes, van waar was die, uit de hemel, of uit de mensen? Dat zult u als ambtsdragers en schriftgeleerden wel weten. Bovendien, het is nog niet zo heel lang geleden, dat u hem hebt gezien en gehoord. Ik behoef u toch niet te zeggen Wie hij u bij die gelegenheid heeft aangewezen als het Lam Gods en dat hij u — adderengebroedsels — geboden heeft vruchten voort te brengen, der bekering waardig? Wie was Johannes de Doper? — dan zal Ik u zeggen wie Ik ben. Trouwens, dat zal u bekend zijn, alleen al uit hoofde van uw positie.
Maar, o wee: De examinatoren moeten zich beraden! Door een eenvoudige vraag zijn ze uit het veld geslagen, want eenvoudig was het: alle mensen hielden Johannes voor een profeet! Dat weten de examinatoren. Dat blijkt uit het onderling overleg en dat zeggen ze onder en tot elkaar. Dat kunnen ze niet loochenen, was het maar waar! Kon dat maar!
Als we zeggen: de doop en leer van Johannes is uit de hemel, dan zal Jezus ons vragen: waarom hebt gij hem dan niet geloofd? Die kant mag het niet op, want dan zeggen we met andere woorden: wij willen hem niet geloven. Een verontschuldiging voor ons ongeloof hebben we immers niet! Daarom, niet zeggen: uit de hemel. Want dan moeten we buigen en dan staan we voor schut. Dat nooit! En aan de andere kant, als we zeggen: uit de mensen, dan graven we ons eigen graf. Want alle mensen houden hem voor een profeet. Zelfs tollenaren en hoeren geloven, dat God in Christus hen genadig is. Daarom hebben zij berouw en bekeren zich. Maar dat kunnen wij niet doen. Stel je voor! Door ons te bekeren, zouden we ons op één lijn plaatsen met publieke zondaars. Dat in geen geval. Maar we kunnen niet zeggen, dat Johannes geen profeet is. Want als wij, ambtsdragers, zeggen dat God niet genadig is dan vliegen de mensen ons aan.
Daarom, wij zeggen: Wij weten het niet. Wij houden ons op de vlakte. Dat kan niemand ons kwalijk nemen. Het enige risico is, dat de mensen met ons de spot drijven, maar dat nemen we.
Het kan verkeren. Wij weten alles. Daar geven we ons graag voor uit. Wij weten, dat God ons in Christus bekeren kan en wil. Maar als Hij ons vraagt: waarom gelooft u Mij dan niet? — dan houden we ons van de domme. En toch: zo wil Hij ons doen buigen om ons genadig te zijn. Zij, die dat wisten, wilden niet als goddelozen gerechtvaardigd worden. Daarom hebben zij drie dagen later Jezus met listigheid gevangen om Hem te doden.... Als wij tegen beter weten in, Christus niet willen geloven, dan kruisigen wij Hem opnieuw.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1962
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1962
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's