AFZWAKKING (1)
Naar aanleiding van de Rithtlijnen voor de behandeling van de leer der uitverkiezing. VI.
Als ik de synodale richtlijnen over de uitverkiezing doorlees en ik let daarbij op exegetische opmerkingen aangaande bepaalde Schriftgedeelten en teksten, dan v/orden deze voor mijn gevoel vrijwel allen gekenmerkt door een bepaalde tendens, die ik zou willen kwalificeren met het woord „afzwakking . Die tendens kom ik voor mijn besef tegen in de behandeling van de verschillende teksten op blz. 30-33, wel zeer sprekend in hetgeen gezegd wordt over het haten door God van Ezau, maar ook wel in andere gedeelten van dit geschrift. Op blz. 13 lees ik b.v. „Zij (d.i. Gods genade) is de vrije persoonlijke gunst Gods die zich richt tot schepselen die buiten Hem door eigen schuld reddeloos verloren zouden gaan. (curs. van mij).
Het is mij heus niet te doen om op alle slakjes zout te leggen. Maar ik mag toch wel zeggen, dat ik hier voorkeur had gegeven aan: „die buiten Hem door eigen schuld reddeloos verloren liggen". Dat is toch de aangrijpende werkelijkheid, die de H. Schrift tekent : dood door de misdaden en de zonden. Dat moet dan ook in alle ernst onderstreept worden. Het is een getuigenis van de Heilige Geest, dat het volle pond moet ontvangen.
Reeds eerder legden we de vinger bij een bepaalde vaagheid die we menen te moeten constateren t.o.v. Rom. 3 : 19 (de gehele wereld zij voor God verdoemelijk) en Rom. 2 : 12-15 (de beoordeling der heidenen) in verband met hetgeen op blz. 23 onderaan en blz. 24 geschreven wordt. Ik wil graag weten, of de richtlijnen ook in dit verband kiezen voor Calvijn, dan wel voor Zwingli, die ook voor een man als Plato nog wel een plaatsje kon reserveren in de hemel.
Dit soort afzwakking menen we ook waar te nemen in hetgeen gezegd wordt op blz. 31 over Matth. 22 : 14. W willen deze tekst nader bezien.
Matth. 22 : 14. „Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren". De uitleg der richtlijnen wil blijkens blz. 30 duidelijk maken, dat deze tekst niet mag gebruikt worden als bewijs, dat de uitverkiezing ter zaligheid haar noodzakelijke keerzijde daarin heeft, dat vele anderen opzettelijk in hun schuld en verlorenheid worden gelaten. Daarom wordt als volgt geëxegetiseerd :
1. onze uitverkiezing komt als nodiging tot ons ;
2. zij voltrekt zich eerst, als de beaming van geloof en gehoorzaamheid in de mens wordt gewekt;
3. het woord „weinigen" is niet bedoeld om opheldering te geven over het aantal dergenen, die behouden worden ;
4. het is wel bedoeld als waarschuwing : de geloofsgehoorzaamheid is allerminst een vanzelfsprekende zaak. (zie Luk. 13 : 23 v. en Matth. 7 : 14).
De wijze, waarop in 1. en 2. over de verkiezing gesproken wordt is wel een heel bleke weerschijn van het krachtig getuigenis van onze belijdenis naar Gods Woord. Of is het er zelfs geen bleke weerschijn meer van ? Is het eigenlijk niet een projectie in de tijd van wat de remonstranten in het eeuwig besluit nog stelden. Ik lees althans voor mijn besef hier eigenlijk niet anders dan wat de remonstranten stelden : het voorgezien geloof, of : het geloof beklemtoond ten koste van de verkiezing. Van de verkiezing blijft eigenlijk niets meer over. Zij krijgt meer de zin van de roeping tot het heil en de dienst, of omgekeerd.
Maar dan nu dat woord „weinigen". Kennelijk brengt dit woord in verlegenheid, om niet te zeggen, dat het een steen des aanstoots is. Natuurlijk is het niet bedoeld om als antwoord te dienen op de theoretische vraag: Hoeveel mensen worden er zalig ? Maar dat het slechts dienen moet als een waarschuwing, dat de geloofsgehoorzaamheid niet een vanzelfsprekende zaak is, is toch wel een verbleking en afzwakking van dit vlijmscherpe Schriftgetuigenis, welke voor mijn gevoel niet door de beugel kan.
Letten we op het verband. Jezus richtte Zich in de gelijkenissen van de twee zonen, de boze wijngaardeniers en de koninklijke bruiloft tot de overpriesters en farizieën (21 : 23, 32, 45). Deze hielden zich voor de rechtvaardigen en uitverkorenen. Tegenover hen en hun vrome eigengerechtigde voorstelling en tot hun vernedering, tot de radicale omverwerping van het bouwsel van hun „vroomheid" stelde Jezus, terwijl Hij hoeren en tollenaars rond zich heeft vergaderd en Zijn handen eigenend en beschermend over hen uitstrekte (dat was toch het werk, dat de Vader Hem gegeven had te doen : Luk. 15 : 1) de souvereine loop van Gods verkiezende genade. Die dachten het te hebben, worden er buiten gezet, en die er buiten gedacht werden worden er in gezet. Zo wordt dus allereerst hier de farizeër de doodsteek gegeven. Hij ergert zich dan ook dood. „Als de overpriesters en farizeën deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak. En zoekende Hem te vangen . ." (21 : 45, 46). In de gelijkenis van de koninklijke bruiloft antwoordt dan Jezus op deze dodelijke ergernis van de farizeën. Deze gelijkenis is een vlijmscherpe en afsnijdende prediking tegenover alle eigengerechtigde vroomheid en zelfhandhaving, anderzijds loutere troostprediking voor de hoeren en tollenaars, en verder allen, die tot Jezus de toevlucht namen in het wondere vermoeden van Zijn Messiasgeheim.
Want op dit laatste duidt ongetwijfeld het bruiloftskleed van vrs. 12 en 13. Daarom is dat bruiloftskleed ook allesbeslissend. De tollenaars enz. zijn niet als tollenaar de gekwalificeerde bruiloftsgasten, maar als degenen, die Jezus in Zijn Messiasgeheim hebben onderkend (zie ook 21 : 32). En dat naar het souverein verkiezend welbehagen Gods, waarbij de afgesnedenen, de. er buiten gezetten, gezegend worden. Met klem wordt door Jezus verkondigd, dat de verkiezing gerealiseerd wordt op een wijze, die alleen maar het vrome vlees tot dodelijke ergernis is. Het „want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren"; moet, dacht ik, dan ook in dat licht worden verstaan. Dus tegen de achtergrond van alles wat we lezen vanaf 21 : 23. Er zit heel duidelijk een climax van ongeloof tot verwerping in. Matth. 21 : 32 spreekt duidelijk van het ongeloof en de vijandschap der eigengerechtigde vromen, 21 : 43 van het wegnemen van het Koninkrijk en een ander volk geven, 22 : 7 van het voltrekken van het oordeel over de Messias verachters. En het slot van deze vlijmscherpe prediking tot de farizeën, waarin tegelijk de Middelaarsliefde tot die door de farizeën verguisden trilt, is de houw van het zwaard des Woords, waarmee het laatste peesje wordt doorgesneden : Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Tot die velen behoren ook de farizeën, de ouderlingen, de overpriesters. Doch maar weinigen zijn uitverkoren: daarmee dekt Jezus met Zijn eeuwige liefde juist die door de farizeën vertrapten. „In hun zijn rond" Mij wordt de verkiezing gerealiseerd; gij ergert u hieraan ; daarin zet gij u buiten de deur". Dat moet nog des te feller en scherper voor de farizeën geweest zijn, omdat zij allen buiten de deur 'kwamen te staan, terwijl van de kwaden en goeden, die als gasten aanzaten, er slechts één buiten werd geworpen.
Het lokt aan om nog veel meer over deze boeiende stof te schrijven. Maar onze bedoeling was om te trachten vrs. 14 enigszins te mogen verstaan. M.i. moet derhalve „Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren", niet maar verklaard worden vanuit de direct er aan voorafgaande verzen, maar vanuit de vlijmscherpe prediking van Jezus tot de farizeën vanaf 21 : 23. Daarbij moeten we bedenken, dat Jezus hierbij — en in deze prediking— met Zijn liefde dekt en omhelst als verkorenen, die het van zichzelf uit nooit er voor hadden kunnen houden en voor wie het daarom stof van verwondering en aanbidding is.
Ik dacht zo deze tekst te verstaan vanuit het gehele Schriftgetuigenis, dat telkens tekent het eenzijdig genadewerk 'Gods, zoals b.v. Joh. 6 : 44 : Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en de farizese ergernis daaraan : Joh. 6 : 66 : Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug....
De hoge moet gevloerd worden. Dat predikt ons Matth. 22 : 14; en verder niet a.u.b. lieve vrome mensen in hun lieve vromigheidjes tegemoet komen. Laten de predikers zulken maar eens onderst boven doen duikelen, mits ze er zorg voor dragen onder hen te spreiden het bed van de liefde van Christus en Zijn gerechtigheid. Dan prediken we de verkiezing niet als een nodiging, laten we ze niet wegschrompelen en verbleken, maar prediken we ze als enige mogelijkheid en werkelijkheid van zaligheid aan door schuldbesef getroffen zondaarsharten, tot ergernis van de hooggevoelende en zelfverzekerde. Ja, dan wordt toch de gereformeerde prediking echt gedragen door de belijdenis van de uitverkiezing Gods als het hart der Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1962
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1962
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's