De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kroniek

10 minuten leestijd

Over contacten met de Palts — Van oecumenische diensten en ontmoetingen — Tegen toenemend zedenhederf.

Het jongste nummer van „Theologia Reformata" en de laatste aflevering van „Kerk en Theologie" hebben bij alle verschil van behandelde onderwerpen althans één punt van overeenkomst: in beide vinden we een reisverslag. Helemaal juist is dit woord ook al weer niet. Bedoelde stukken verhalen iets naar aanleiding van een gemaakte reis en in dat verband horen we ook het een en ander over de reizen zelve. Dat waren niet direct vakantie-reizen, — dan waren ze louter voor genoegen, zonder bepaalde opdracht — maar reizen in vakantie, niet gespeend aan ontspanning en genoegen, doch voornamelijk gemaakt uit hoofde van een opdracht of uitnodiging, om zo te zeggen: „werkreizen".

Zo was prof. S. v. d. Linde in de Palts, het land, waar de Heidelberger Catechismus ontstond. De aanleiding tot deze reis was een herdenking. In het voorjaar van 1562 vestigde zich een groep vluchtelingen uit de Zuid-Nederlanden — reformatorisch gezinden, gevlucht om het geloof — in Frankfort. Lutherse theologen en de overheid der stad, duldden deze vluchtelingen echter niet. Frederik III, de keurvorst van de Palts, bood de ballingen het klooster Frankenthal ten zuiden van Worms als woonplaats aan. Een ander deel der vluchtelingen vond in het klooster Schönau, ook in deze omgeving, een wijkplaats. Deze vestiging is het begin van een belangrijke periode in de geschiedenis der vluchtelingen-gemeenten. De stad Frankenthal dankt er haar opkomst en bloei aan. Kerk en overheid, zo verhaalt prof. v. d. Linde, wilden dit 400-jarig jubileum van 1562 vieren. Daartoe werden mee drie hoogleraren der Utrechtse Theol. Faculteit uitgenodigd.

Contacten zijn er over en weer door het in 1761 door een Zuid-Nederlander — die een tijd lang in Frankenthal woonde — gestichte Stipendium Bernhardinum, dat studiebeurzen verstrekt aan in Utrecht theologie studerende Paltische (en Hongaarse) studenten.

De uitnodiging werd aanvaard. Bij die gelegenheid sprak — voor de theologen — prof. v. d. Linde over: „De betrekkingen tussen Nederland en de Palts 1562—1962", welke voordracht hij plaatste in genoemd nummer van „Theologia Reformata". Ik heb van dit referaat bijzonder genoten. Vooral wat hij schreef over Petrus Dathenus. Mede daardoor zal deze theoloog van formaat „die wat in vergetelheid was geraakt" zeker wel ten deel gevallen zijn dat hij „werd herontdekt". Daardoor is de bijdrage van prof. V. d. Linde zeer waardevol. Maar niet minder om wat hij in het licht stelt over de zorg, welke van deze Zuid-Nederlandse vluchtelingen-gemeente uitging over de kerken in Noord-Nederland, met name gebleken door hun aandeel in het Convent van Wezel (1568) en de Synode van Embden (1571).

Ik hoop, dat velen, ook niet-theologen, dit mooie, bijzonder oriënterend referaat zullen lezen en herlezen. Prof. v. d. Linde heeft er ons zeer door gediend en verrijkt.

Ook de beide Kroniekschrijvers van „Kerk en Theologie" verhaalden van hun reis in vakantie gemaakt. Prof. v. Niftrik was in Parijs, medio augustus, nadat hij daarvoor in Rabat, de hoofdstad van Marokko, als afgevaardigde van de „Gezinsraad" een conferentie had bijgewoond. In Parijs was hij privé. Maar doordat het Centrale Comité van de Wereldraad van Kerken daar in die tijd bijeen was, kon hij in l'Oratoire du Louvre, de protestantse hoofdkerk in Parijs — voor die kerk staat het standbeeld van Caspar de Coligny, die in de Bartholomeusnacht vermoord werd — een oecumenische dienst bijwonen, waarin drie prominenten uit de Wereldraad voorgingen. Over die dienst was hij slecht te spreken. Waarom was hij onbevredigd? Hij had graag, nu hij eens een enkele keer als hoorder in de kerk kon zijn, graag een echte en goede preek beluisterd. En dat was er nu net niet bij, hoewel hij drie preken, één in het Duits en twee in het Frans, mocht meemaken. Wat hij hoorde was niet anders „dan de zo langzamerhand nu welbekende serie oecumenische gemeenplaatsen". „Zakelijk gezegd", zo merkt prof. v. Niftrik eerder op, „ik heb het betreurd, dat het Evangelie in die oecumenische dienst zo onvolledig en half werd verkondigd". Hij merkt verder op, dat de I.C.C.C., die in diezelfde tijd in Amsterdam vergaderde — prof. V. Niftrik is van haar helemaal geen bewonderaar — „de Wereldraad wel als een „dreigende schaduw zal blijven begeleiden". Daarvan draagt, naar het oordeel van de schrijver, de Wereldraad zelf schuld, door godsdienstoefeningen als hij in Parijs bijwoonde. „De I.C.C.C, heeft", zo gaat hij voort, „één voordeel; hij laat er geen twijfel aam, dat het hem te doen is om de meest innerlijke kern van het Evangelie en wel de verzoening in en door het bloed van Jezus Christus. De I.C.C.C, doet dat op een wijze en in een terminologie, die ik onmogelijk kan aanvaarden. Maar hij doet het." Prof. v. N. wil er geen ogenblik aan twijfelen, dat ook de predikers, die hij in Parijs hoorde, die verzoening belijden. „ik wilde dat zij het een beetje duidelijker zeiden. Ik wilde, dat al die oecumenische samenkomsten, waaraan wij tegenwoordig zo rijk zijn, eens wat minder over broederschap en liefde en wat meer over Jezus Christus en de verzoening in en door Hem spraken."

Tot zover over de ervaringen van prof. V. Niftrik op reis in Parijs.

Prof. Lekkerkerker, de andere chroniqueur van „Kerk en Theologie" heeft in opdracht van de Wereldraad van Kerken een reis naar Rusland gemaakt om het contact met de Russisch-orthodoxe Kerk te versterken en te verdiepen. Hij is in Moskou, Leningrad en andere grote steden geweest, heeft het land doorkruist in autotochten, van onnoemelijk veel kilometers. Diep is hij onder de indruk gekomen van de monumentale gebouwen, de wijde pleinen en de immense vlakten. Maar niet minder is hij onder de indruk gekomen van de vitaliteit der Russen en de hartelijkheid waarmede hij en zijn medeafgevaardigden van Faith and Order werden ontvangen door de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Maar over het eigenlijke doel van de tocht is hij minder verrukt. Ik laat hem hierover gaarne zelf aan het woord. Hij schrijft: „De oecumenische beweging is wel een geheel nieuwe taak begonnen, nu ook de Russische kerk tot de Wereldraad is toegetreden. Een eigenlijk bovenmenselijke taak. Soms heb ik wel eens gedacht dat wij eeuwen van theologische ontmoeting nodig zullen hebben, vóórdat wij elkander volkomen gaan verstaan en elkander ook kunnen zeggen, wat wij menen te moete zeggen, zonder elkander pijn te doen". Dit schrijft hij, na verhaald te hebben van het feest van de ten hemelopneming van Maria en de daarmede gepaard gaande processie van haar ikoon (beeld), waaraan de menigte in enthousiaste verrukking deelnam. Of de Wereldraad gelukkig zal blijken met de toetreding van de Russische kerk, en of het mee zal werken tot een duidelijker naar voren komen van „de meest innerlijke kern van het Evangelie", waarop prof. V. Niftrik hoopt en aandrong, is een andere vraag. Ik persoonlijk betwijfel het zeer.

Zondag 18 november j.l. is in de Gereformeerde Kerken van de classis 's-'Gravenhage een kanselboodschap voorgelezen van alle kansels der onder de classis ressorterende kerken.

Die kanselboodschap is gericht tegen het onrustbarend voortschrijdend zedenbederf in deze tijd. De classis, zo verhaalt „Trouw" d.d. 19-11-'62, waaraan ik de gegevens in dit verband ontleen, heeft zich al geruime tijd met deze zaak bezig gehouden. Zij benoemde uit haar midden een commissie, welke opdracht kreeg „een pastoraal cahier" samen te stellen, dat uitvoerig zal handelen over deze zaak en er dieper op wil ingaan. De naam „pastoraal cahier" doet denken aan een „herderlijk schrijven", gelijk onze Synode dat in bepaalde gevallen pleegt te doen uitgaan. De naam is wat anders, de zaak gelijk en in wezen dezelfde. Dat is minder. Wij hebben ons te verheugen, dat de classis 's-'Gravenhage deze stap deed, al moet het feit, dat er tot drong, door ons diep betreurd worden.

Er zijn wat het „toenemend zedenbederf" betreft nog weer recente gebeurtenissen geweest, welke de classis drongen tot genoemde „kanselboodschap", omdat wachten tot het „pastoraal cahier" gereed was, haar onverantwoord leek. Ook dat is te prijzen. Want er is groeiend gevaar.

De kanselboodschap duidt in haar begin als oorzaken aan: „realistische lectuur, kwade omgang, onbeheerst gebruik van sterke drank, slechte invloed van veel films, de televisie, die een ban dreigt te worden. De classis noemt ook het vaak te ruime zakgeld, de kritiekloze overneming en toepassing van nieuwe inzichten op het terrein van omgang der sexen, de uithuizigheid van ouders en jeugd en het ontbreken van het gesprek over de dienst van God in het gezin".

Er is meer in deze „kanselboodschap" dat m.i. ad rem is. Zij heeft niet maar het oog op het leven buiten de kring der kerken: „als zou het leven binnen de kerken zonder gebrek zijn. Zij gewaagt van „het ootmoedig besef, dat juist het kwaad in eigen kring het getuigenis naar buiten verzwakt en mede de bodem bereidt voor excessen, als die ons geschokt hebben".

Tot zover de „kanselboodschap". Het is goed, dat zij zo onverwijld werd ter afkondiging uitgegeven. En ook, dat de classis het mes zet in eigen vlees. Bij alle genoemde verschijnselen zou wel commentaar zijn te geven. Ik kan dat niet doen, het zou teveel ruimte in beslag nemen. Het is ook de taak van de prediking, die over de hele linie veel te zoetsappig is, ook onder ons. En nu denk ik mede aan wat van 'n hervormde kansel onlangs werd gezegd: „met de ziel komt het wel in orde" om dan te wijzen op wat de kerkleden in de wereld, het leven van alle dag moesten verrichten. De mensen de kerkmensen, zijn o zo druk met de wereld. Om die te winnen moet aan alles meegedaan worden. En dan krijgt menigeen de smaak te pakken. Genieten en nog eens genieten, is het parool, men wil zich niets ontzeggen, ouders niet en kinderen niet en zo gaat het hollend naar beneden.

Komt er van de kant van de christelijke pers steun voor de christelijke zede? Onlangs kwamen er in „Trouw" ingezonden stukken tegen het artikel: „dansen in eigen huis". Dat artikel kwam uit „geref. kring", de lerares was tenminste „gereformeerd". In één der bewuste ingezonden stukken werd zo ongeveer gezegd: „ik heb „de Standaard" gelezen", waarmede aangeduid, dat die zulk een artikel niet zou gegeven hebben. Neen, dat denk ik ook niet. Maar „de Standaard" is er niet meer en we moeten verder. Wij moeten het tenslotte ook niet van een christelijke krant verwachten, al moet die mee dienen een dam op te werpen! We hebben onze Bijbel, en die leert ons geen tolerant christendom, maar juist om het nauw te nemen met Gods inzettingen. Wij hoeven ons niet te verheffen boven „de Gereformeerde Kerken" en haar „verwereldlijking". Wij moeten ons hoeden voor wat de Heere Jezus zegt, wel de splinter in het oog van de naaste te zien, doch niet de balk in eigen oog. Aan het hele „toenemend zedenbederf" zijn ook wij mede schuldig. Men denke aan wat onlangs gepubliceerd werd over het toenemend getal van ongehuwde moeders van 13—16 jaar! Er zou meer zijn te noemen. Wij hebben nodig de roep van de profeten te leren verstaan en te gehoorzamen. Zij predikten in tijden als de onze. Hun scherpe prediking is ook voor ons. Niemand der predikers moet aarzelen om ze te brengen. De Geest make ons trouw en geve inkeer, opdat de tucht van Gods Woord ga heerse in ons leven, in huis, in de kerk en daar buiten en we met een vrije conciëntie tegen het kwade, in welke verschijningsvorm ook, leren strijden en getuigen. Ons is nodig het christen-zijn, dat zelfverloochening kent en zich iets wil ontzeggen om Christus' wille. Achter Hem kunnen wij het leren en beoefenen. Hij heeft gezegd: „Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelve, die neme zijn kruis op en volge Mij". Matth. 16 : 24. Achter Hem wordt geleerd wat de kanselboodschap bedoelt te bereiken. Die weg moet het op met gereformeerden en hervormden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1962

De Waarheidsvriend | 1 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1962

De Waarheidsvriend | 1 Pagina's