KERKNIEUWS
BEROEPEN TE:
Drogeham (toez.), P. E. van Ooijen te Gaast — Oud-Beijerland, P. J. Bos te Sprang — Berlikum . (toez.), A. Stegenga te Makkum — Warns, R. Houtsma te Exmorra — Eemnes-Buiten, D. B. van Lokhorst te Mastenbroek.
AANGENOMEN NAAR:
Bennekom, P. J. F. Lamens te Kamerik, die bedankte voor Woudenberg — de benoeming door de gen. synode tot legerpred., C. W. Schlingemann te Nijeveen — Blijham (toez.), K. G. de Noord te Mantgum — naar 2e Exloërmond, H. van Dijk te Westerhaar — het beroep door de class, verg. van Haarlem tot pred. buitengew. werkzaamh., verbonden a.d. class. Haarlem (pastorale arb. Meer en Bosch te Heemstede), mej. J. H. Bethe, vic. te Heemstede — Heiloo, Ph. Ouwendijk, pred. buitengew. werkzaamh. te Ridderkerk — Wageningen (studentenpastoraat, toez.), P. N. M. Nijssen te Goes.
BEDANKT VOOR:
Krimpen a. d. Lek, B. M. Meijndert te Waarder — Vlaardingen (toez.), J. Kooien te Reeuwijk — Katwijk aan Zee (wijkgem. Z.O.), T. Langerak te Vinkeveen — Tietjerk (toez.), J. H. de Vree te Hoogmade.
BEROEPBAAR
Naar wij vernemen heeft het Moderamen van de Synode der Ned. Herv. Kerk ds. J. Boezer te Ethen beroepbaar verklaard.
DS. P. LAMENS.
Ds. P. Lamens te Kamerik hoopt D.V. 31 maart a.s. afscheid te nemen van zijn gemeente. D.V. 7 april hoopt hij intree te doen in Bennekom.
OTTOLAND.
Nadat ongeveer anderhalf jaar lang werd gewerkt aan de toren en kerk van Ottoland, is nu de restauratie geheel klaar gekomen. Vooral het gedeelte dat valt onder het gemeentelijke aandeel in deze restauratie, is als herboren te voorschijn gekomen, en geeft het gebouw weer iets van zijn voorname cachet.
Niet alleen de toren, maar ook de gehele westmuur van het gebouw behoort tot de burgerlijke gemeente. De andere muren zijn opgeknapt, de ramen vernieuwd en de consistorie vergroot.
IN HART EN NIEREN
Wist u, dat deze uitdrukking is ontleend aan de Bijbel?
Psalm 7:10 zegt: „Gij, die de harten en nieren beproeft...."
Na de reformatie was de Bijbel gemeengoed. Iedereen bediende zich van de bijbelse taal en kende de bijbelverhalen op z'n duimpje. Op de paplepel stond een bijbelse spreuk; op het bord van de kleuter idem. Aan de wand hingen bijbelse teksten.
Ja zelfs op de beddewarmer stond soms een spreuk, ontleend aan de Bijbel. Drie maal per dag las men de Bijbel en de Psalmen waren „populaire" liederen.
De tegels om de haard gaven voorstellingen van veel wat in de Bijbel staat.
De Bijbel met zijn rijke geschiedkundige, dichterlijke en profetische inhoud, het wondere gebeuren van Jezus' omwandeling op aarde, Zijn vermaningen en wijze woorden.... dat alles sprak tot de mensen van toen., . . én de mensen van nu!
Om „in hart en nieren" mee te helpen aan het werk van het vertalen, drukken en verspreiden van de Bijbel zijn alleen in Nederland al meer dan 185.000 protestants meelevenden lid van het bijbelgenootschap.
Om „in hart en nieren" het gebod: „verspreidt het Evangelie tot aan de uitersten der aarde" mee tot een realiteit te maken, werken 23 bijbelgenootschappen in de gehele wereld samen. Ook het Nederlandsch Bijbelgenootschap, opgericht 29 juni 1814, stelt zich ten doel de vertaling, de uitgave en de verspreiding van de Bijbel, zowel binnen Nederland als daarbuiten, zonder een commercieel oogmerk na te streven.
Wellicht dat ook u in „hart en nieren" overtuigd zijt dat u dit grote werk dient te helpen en te steunen!
HET CONCILIE.
In ieder geval leven er praktische wensen bij velen, die als te urgent worden gezien om te kunnen wachten tot er een sluitende theologie over het bisschopsambt uit de bus is gekomen.
De eerste wens is die naar decentralisatie. Deze heeft ook betekenis voor de vraag van de hereniging met de orthodoxe kerken van het Oosten. Laatstgenoemden weten natuurlijk ook wel, hoe veel klachten er leven bij de met Rome geünieerde kerken van het Oosten. Maar ook vele roomskatholieke christenen, die tot de latijnse ritus behoren, vinden dat het nu toch wel eens tijd wordt om ernst te maken met het subsidiariteitsbeginsel, ook in de kerk, en dat het Vaticaan dingen waar de bisschoppen beter zelf over kunnen beslissen ook aan hen over moet laten; dat het bisschopsambt meer dan locale, slechts binnen een bepaalde diocese geldende betekenis heeft en derhalve tot uiting moet komen in het overleg der bisschoppen op regionale bisschopsconferenties (en een enkele denkt zelfs aan de mogelijkheid, dat het oecumenisch concilie een periodiek samenkomende instelling zou worden).
Het beeld van de man in het Vaticaan, die meer dan 2500 draden in handen heeft, die alle naar een bisschopszetel leiden, wekt dus bij velen niet meer louter geestdrift. De nadelen van monarchaal absolutisme is men langzamerhand wel gaan inzien. Maar daar komt nog een andere overweging bij. Was het maar zo, dat deze éne man, aan wie dan toch heel in het bijzonder de bijstand van de Heilige Geest is beloofd, zelf al die draden in handen heeft! Bij het bezwaar tegen de eenzijdig monarchale leiding der kerk, die niet op kan tegen de regionale en continentale differentiatie der geestelijke problematiek, voegt zich het bezwaar tegen het overwicht, dat de curie uitoefent. Ondanks de ten dele doorgevoerde internationalisatie van het college van kardinalen is het toch nog zo, dat via de curie de kerk door Italianen geregeerd wordt. Deze kan putten uit het grote reservoir, dat het Italiaanse episcopaat biedt (van de 594 diocesen in Europa heeft Italië er 280; terwijl aan de Melciten een bisschop geweigerd zou zijn, omdat 700.000 zielen een te klein aantal zou zijn voor en apart diocese, zijn er in Italië dus heel wat bisdommen, die kleiner zijn). Bovendien zijn er ook priesters, die van het begin af een curiale loopbaan volgen (Pius XII is nooit in de zielzorg werkzaam geweest). Wat de niet-ltalianen betreft, die in de romeinse curie terecht komen, dezen nemen, naar velen menen, vrij spoedig de Italiaanse mentaliteit over.
Naast het verlangen naar herwaardering van het episcopaat neemt het verlangen naar herwaardering van de leek een brede plaats in. Op zichzelf beschouwd zou het kunnen lijken, dat deze twee niet zo veel met elkander te maken hebben. Nadruk op de bisschop als opvolger der apostelen zou immers ertoe kunnen leiden, dat de afstand tussen de bisschop en zijn priesters en a fortiori tussen de bisschop en zijn gelovigen meer geaccentueerd wordt. In de werkelijkheid is dat niet zo: achter de afkeer van het centralisme en die van het klerikalisme zit de zelfde grondconceptie van de kerk als het ene volk Gods, waarin men wel wil blijven onderscheiden tussen lerende en horende kerk, doch zo, dat de onderscheiding geen scheiding wordt. Nu valt evengoed als van de theologie van het episcopaat te zeggen van de theologie van het laïcaat, dat men daar nog lang niet klaar mee is. En evenzeer valt ook hier weer te zeggen, dat er verlangens zijn, die te zeer op verwezenlijking dringen om te kunnen wachten. Typerende uitingen van wrevel over bepaalde gestalten der „lerende kerk" zijn. genoeg te vinden, o.a. in de reeds meermalen geciteerde enquête van „Wort und Wahrheit"; over de hoog nodige „Entfeudalisierung der Kirche" (afschaffing van de titels „Excellentie" en „Eminentie", van de „Wij"-formule der pausen, van knieval en ringkus, enz.); over de „Entschlackung des Ofens in dem das Feuer gegen den Kaltetod der Welt brennt" („Die Kruste aus spatrömischen Beamtenzeremoniell, mittelalterlichem Kurialstil und barockem Hof staat, die um das Amt der Apostel.... gewachsen ist, musz abgetan werden"); over het byzantinisme in de kerk, dat al in de seminarist eergevoel van superioriteit ontwikkelt („So entsteht dann statt des Pfarrers der Pfarr-Herr"); over het autoritaire in de kerk in het algemeen, waarmee ook samenhangt de vraag om meer vrijheid voor de theologie, om hervorming van de index (ontelbare malen en soms in bijzonder felle woorden gevraagd). Positief: het ambt moet weer voluit dienst zijn. Een nieuw type bisschop zou nodig zijn: de bisschop als oudste van een grote familie, gekozen door het volk of in ieder geval door representanten van zijn diocese. En evenzo een nieuw type priester, wiens vroomheid wordt gevoed door Bijbel en liturgie, maar die ontheven wordt van de last, waaronder vele priesters thans zuchten: de verplichting tot het bidden van het brevier in zijn huidige vorm (Hans Küng citeert daarover Matth. 6:7!) Enkele malen wordt de wens geuit, dat het celibaat der priesters wordt afgeschaft, een wens, waarvan mgr. Pelici, de secretaris-generaal van de centrale commissie, gezegd heeft, dat het concilie hier zeker niet op in zal gaan. Deze wens komt ook vaak tot uiting, wanneer het verlangen wordt geuit, dat het diaconaat weer hersteld wordt als apart ambt en niet als doorgangsstation naar de priesterwijding daar de oosterse kerken de diaken wel hebben, zou de kwestie ook van belang kunnen zijn met het oog op een hereniging met hen). Zelfs komt een enkele maal de wens naar voren naar een diaconaat, dat ook open zou staan voor vrouwen.
Wat de wensen betreft, die leven t.a.v. de „horende" kerk, telkens wordt de klacht vernomen, dat de leek niet werkelijk au sérieux wordt genomen en het vaak bij een herhaling van leuzen blijft.
De overtuiging leeft, dat veel organisatorisch werk in de kerk ook wel door leken kan worden verricht, zodat de clerus zich beter kan concentreren op zijn zielzorgelijke taak. Anderzijds wordt gezegd, dat men daar ook weer niet te veel van moet verwachten, daar het gevolg ook wel eens zou kunnen zijn, dat een kleine groep leken in de klerikale sfeer wordt getrokken. Het gaat om de principiële vraag, welke plaats de leek heeft in de kerk en velen wensen, dat een bepaling daaromtrent in de codex zou worden of althans, dat het concilie hierover een principiële verklaring zou uitspreken.
Ten aanzien van de liturgie wordt, terwille van de verstaanbaarheid en de daarmede samenhangende mogelijkheid tot werkelijke deelname der leken, het verlangen geuit naar de volkstaal in de liturgie (al zijn anderen daar weer niet zo enthousiast over). Voorts wordt aangedrongen op afschaffing van dode bestanddelen der liturgie, van ons vreemd geworden ceremoniën en uitdrukkingen, op hervorming van het perikopenstelsel, kortom op een hervorming, die de liturgie meer verstaanbaar maakt voor het lekenvolk. Met die verstaanbaarheid (maar in principiële betekenis daar boven uit gaande) hangt samen de wens, dat in de liturgie de dienst des Woords belangrijker plaats zal ontvangen (en dat het concilie wezen en heilsmacht van het Woord Gods duidelijk tot uitdrukking zal brengen).
Voor welke opgaven de R.K.-Kerk gesteld kan worden blijkt uit de vraag, hoe een godsdienstoefening, die door leken geleid moet worden er uit zou moeten zien (in landen, waar vervolging aan de kerk haar clerus ontneemt.)
Met betrekking tot de bediening der sacramenten moet allereerst vermeld worden, dat een (bijna vergeten? ) hoofdstuk uit de kerkgeschiedenis weer levend wordt in het verlangen naar de communie onder beide gedaanten. Wat de doop betreft, wordt de wens geuit, dat de doop van een kind mag worden uitgesteld tot de moeder er bij kan zijn (en anderzijds: dat een kerkelijke begrafenis aan de doodgeboren of ongedoopte kinderen niet wordt geweigerd — om maar te zwijgen over de bezwaren tegen de leer van de limbus infantium, waar trouwens in de theologie van de laatste jaren wel het een en ander over te doen is geweest.) Ten aanzien van het vormsel (een sacrament, waarvan de theologen toegeven, dat volledige helderheid daaromtrent nog niet bereikt is) komen wij de wens tegen, dat voor de ontvangst ervan een hogere leeftijd wordt vastgesteld (tussen 12 en 16 jaar). Wat het huwelijk betreft (het enige sacrament, dat de leken bedienen — en dat zelfs, zolang het celibaat voor de priester verplicht blijft, alleen voor hen is voorbehouden) — gewenst wordt een theologie van het huwelijk, die bijbelser denkt over het geslachtsleven dan vele verouderde, eenzijdig ascetische beschouwingen nog steeds doen. Voorts blijkt, dat de r.k. bepalingen omtrent de huwelijksbeleving vele echtparen voor zware gewetensconflicten plaatsen.
Vele van deze wensen zullen wel „vrome wensen" blijven. Men krijgt wel eens de indruk, dat zij geformuleerd zijn in de gedachtengang, dat overvragen nodig is om althans iets gedaan te krijgen. Dat neemt niet weg, dat deze literatuur ook de buitenstaander niet onberoerd laat. Er blijkt uit, dat er ook t.a.v. de bekommernis om de christelijke existentie een „oecumene" bestaat, die Protestanten en Rooms-Katholieken omvat. Al spreekt het vanzelf, dat heel veel van de aangeroerde vragen uit een specifiek roomse noodsituatie geboren zijn. Men moet deze uitingen van grote en kleine zorg — en scala van de zorg van echtparen, die door „Ogino-Knaus" zijn teleurgesteld tot de zorg over de wijze, waarop de kerk in het atoomtijdperk haar boodschap brengen moet— gelezen hebben om te zien hoe zeer Hans Küng in de roos geschoten heeft met zijn woorden: „Het concilie zal de vervulling zijn van een grote verwachting of een grote teleurstelling. De vervulling van een kleine verwachting zou — gezien de ernst der wereldsituatie en de nood der christenheid — een grote teleurstelling zijn.
Overgenomen uit Reformatorische stemmen, door dr. C. A. de Ridder.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's