De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

8 minuten leestijd

Het Hervormd Weekblad laat zich toch niet zo maar overreden en tot zwijgen brengen, ondanks de vaderlijke toon waarop ds. Wiersma de Confessionele Vereniging tot opheffing van zichzelf probeert te bewegen. In klare taal dient ds. Groenewoud ds. Wiersma van antwoord. We doen een enkele greep uit zijn uitvoerig artikel:

Maar nu. het tweede: de richtingsorganisaties belemmeren het pneumatisch verkeer in de kerk. Ik zou je alweer willen vragen: hoe toedeel je dit, en noem de concrete feiten. Het lijkt me goed reformatorisch, te zeggen dat het pneumatisch verkeer in de kerk nooit zonder het woord geschiedt. Anders komen we via het pneumatische uit hij de heerschappij van de menselijke geest. De hervormers hebben altijd met kracht elke vorm van geestdrijverij bestreden. En daarom meen ik dat het pneumatisch verkeer het best gebaat is met strikte gebondenheid aan het Woord des Heren. Welnu, onze vereniging wil voor niets anders pleiten dan hiervoor, dat de kerk zich aan dit Woord zal binden. Wat het derde betreft: Je bent van mening dat wij 't wezen van het kerkelijk belijden, dat weersproken kan worden, op een krampachtige wijze willen schragen. Welneen: wij willen alleen maar dat de kerk zélf (dus niet onze vereniging!) op kerkelijke wijze de belijdenis zal handhaven, en dat zal doen zoals de kerkorde heeft voorgeschreven Je wilt dat we het oude zullen begraven. Wat is het oude dat begraven moet? Alleen maar het organisatorische? Zou het niet veel zakelijker zijn, om hier enkele onderscheidingen te maken? Als je nu eens concreet tot de vrijzinnigen zei: Begraaf gij het oude van uw kerkelijke onaanvaardbare leervrijheid; begraaf gij het oude van een Christusopvatting en een Godsbegrip, dat lijnrecht in strijd is met de Bijbelse openbaring. Of als je er nu eens bij de synode op aandrong, dat zij dit met al haar kerkelijk gezag tegen de vrijzinnigen zei, dan zouden we verder komen op de weg van verscheidenheid en eenheid. Kijk, onze organisatie bestaat nog altijd vooral, hoezeer niet uitsluitend, om deze reden dat er zovelen zijn, die verscheidenheid in eenheid der kerk willen, zonder dit te zeggen. Het valt me op dat in je gehele brief ook niets voorkomt van dat centrale waar het in de prediking der kerk primair om gaat. En omdat dit meer valt te constateren, vervult ons de zorg, dat we op weg zijn naar een kerk die wel heel veel actueels zegt, en veel doet, maar die zich hoe langer hoe meer verwijdert van het evangelie der verzoening door het kruisoffer van Christus.

In hetzelfde blad is een gedeelte overgenomen uit de Kroniek van Kerk en Theologie van de hand van prof. v. Niftrik, waarin deze ook schrijft over de gedachtenwisseling tussen ds. Wiersma en ds. Groenewoud. Prof. v. Niftrik schrijft o.a.:

De oplossing van de moeilijkheden moet m.i. niet gezocht worden in het opheffen van de georganiseerde richtingen. Zij zijn nodig voor het onderling beraad, voor het uitgeven van bladen en tijdschriften, voor het organiseren van conferenties. De tropoi moeten elkaar in evenwicht houden, zou Zinzendorf zeggen. Als de richtingen geheel en al uit onze kerk verdwenen, zouden wij niets anders overhouden als de dan nooit meer weersproken mening van een midden-orthodoxie, die nu reeds, in weerwil van haar ongeorganiseerde vorm, voldoende absolutistische eigenschappen vertoont. De niet-georganiseerden doen alsof hun niet georganiseerd zijn voldoende garantie is voor de afwezigheid van verabsoluterende neigingen. Ieder, die onze Kerk een beetje kent, weet, dat zulks niet het geval is. De niet-georganiseerde midden-orthodoxie met haar duidelijke absolutistische neigingen heeft het hard nodig gecorrigeerd en in evenwicht gehouden te worden, o.a. ook door de georganiseerde richtingen.

In het Terzijde van In de Waagschaal heeft dr. Buskes ook een vaderlijk woord te zeggen tot en over een tweetal collega's. De vaderlijke toon doet heel wat weldadiger aan dan de zo-even gesignaleerde vaderlijkheid. Dat zal wel mede zitten in de leeftijd en de staat van dienst van dr. Buskes. Op zeer geestige wijze schrijft hij over twee collega's: dr. Okke Jager en ds. Foeken van Arnhem. Hij begint met Okke Jager, vanwege de komende eenwording van de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, zoals dr. Buskes zegt.

Het is nu voortaan dr. Okke Jager! Hoe men ook over Okke Jager denkt, hij is een boeiende en uiterst begaafde figuur, die in de komende jaren voor de Gereformeerde Kerken veel betekenen kan. Hij is ook een omstreden figuur. Dat is zo'n links-buiten in de Gereformeerde Kerken altijd. Het merkwaardige is, dat juist bij zulke begaafde en omstreden links-buitens de Gereformeerden met drommen te hoop lopen. Zij moeten ook bij alle mogelijke bijzondere gelegenheden spreken en Okke Jager behoort tot de mensen, die moeilijk nee zeggen. Waar en wanneer spreekt hij niet? Ik wens dr. Okke Jager van harte geluk met zijn promotie en tot de Gereformeerde Kerken zeg ik — ik weet niet, of zij bereid zijn van mij een raad aan te nemen —: houdt er nu eens mee op, op een man als Okke Jager roofbouw te plegen, hij kan nog zo veel voor u zijn, maar als het doorgaat zoals het gaat, is hij voor zijn vijftigste hartpatiënt — dat zou erg zijn — of erger: voor goed bedorven! Dat zouden wij in de Hervormde Kerk betreuren. Want Okke Jager behoort ook zo'n beetje bij ons.

Als mijn lezers het nog niet wisten, laten ze dan luisteren naar Trouw, dat meedeelt, dat dr. Jager lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde is „evenals Kuyper en Bavinck dat waren." Okke Jager zal er wel om glimlachen en er het zijne van denken. Dat hoop ik tenminste, maar zo bederf je de mensen. Wat een onmannelijk opgevijzel. Is dat nu jalouzie van me? Kan ik de zon niet in het water van Okke zien schijnen? Dat is het heus niet. U moogt gerust weten: evenals Kuyper en Bavinck dat waren ben ook ik lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Trouw maakt het nog een keer te bont: Wie nog niet overtuigd mocht zijn van de belezenheid van dr. Jager zij er op gewezen, dat in zijn proefschrift de lijst van geraadpleegde literatuur niet minder dan 21 van de 600 pagina's beslaat".

Het spijt me wel, maar ik kom er niet van onder de indruk. Ik zie kans, om er op één avond er nog 21 bladzijden bij te maken. Ik trap er niet in, in zo'n literatuurlijst.

De tweede collega is ds. Foeken van Arnhem. Voor zover ik weet bestaat er in Nederland geen kerk, waarin het beeld van een levende dominee te vinden is. Ik betwijfel zelfs, of er beelden van gestorven dominees in onze kerken gevonden worden. Er zijn wel dooie dominees, die in levende lijve op de preekstoel staan, maar dat is wat anders. Ds. Foeken, nog in de kracht van zijn leven, kan in de Eusebius zijn eigen beeld aanschouwen, wel niet binnenkerks, maar toch in elk geval buitenkerks. Hij heeft een glorierijke plaats gekregen. Zeventig meter boven de begane grond. Aan de toren van de Eusebius. Tussen Sneeuwwitje en de Dwergen. In de buurt van Tom Poes en Donald Duck. Dat is nog wat anders dan met Kuyper en Bavinck in de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, wat nog altijd ƒ 12, 50 per jaar kost.

Collega Foeken vindt het — dat las ik tenminste in het Vrije Volk — ontstellend en onkies. De zin ontgaat hem: „En nu sta ik daar. In steen. Het is in alle opzichten afschuwelijk".

Ik kan mij begrijpen, dat collega Foeken het niet leuk vindt. Maar is zijn kop, zeventig meter de lucht in, ver boven al het aardse gewoel, nu inderdaad zo ontstellend, zo onkies en zo afschuwelijk? Ik zal hem met zijn promotie niet feliciteren, maar aan condoleren ben ik nog lang niet toe. Of het zin heeft, weet ik niet, maar er zit toch wel humor in het geval. Ook zo'n toren als de Eusebius heeft zijn eigen wetmatigheid: als ds. Foeken niet zo hoog van de toren geblazen had, zat hij nu niet zo hoog aan de toren!

Als ik nog eens in Arnhem moet zijn, ga ik in elk geval kijken naar ds. Foeken hoog aan de toren. Mij zal het niet pijnlijk verrassen. Tom Poes is mijn dagelijkse huisvriend. Bommel ook. En van Sneeuwwitje en de Dwergen wil ik geen kwaad horen. Ik protesteer, als ds. Foeken de combinatie onaanvaardbaar vindt en zegt: „Ik sta daar in een etalage van geestelijke armoe". Ik zou mij met Tom Poes en Sneeuwwitje aan de Eusebiustoren even rijk voelen als met Kuyper en Bavinck in de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. En, eerlijk gezegd, op de begane grond, tussen ouderlingen, collega's en doctores in de theologie, sta ik ook nog al eens in. een etalage van geestelijke armoede, mijzelf inbegrepen wat die armoe betreft. Helemaal niet zo erg.

We zitten toch op zondagmorgen samen in de Eusebius. Ds. Foeken wil zijn kop er af hebben. Ik zeg: laat zitten wat zit. Wie weet, of over honderd jaar niet een dissertatie van 600 bladzijden en 21 bladzijden geraadpleegde literatuur verschijnt: „De theologische achtergronden van het beeldhouwwerk aan de Eusebiustoren in Arnhem."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's