Uit het Nieuwe Testament
45 OPENBARING 20 HET DUIZENDJARIG RIJK
Ditmaal geven wij onze aandacht aan wat er staat in het slot van vers 3: „En daarna moet hij, Satan, een kleine tijd ontbonden worden". In vers 7 vinden wij hetzelfde: „En wanneer de 1000 jaren zullen geëindigd zijn, zal de Satan uit zijn gevangenis ontbonden worden."
Het is duidelijk, dat hier Johannes getoond wordt, dat aan de binding van Satan, welke inhield, dat hij de voortgang van het Evangelie onder de volkeren niet stuiten kon, toch nog weer gedurende enige tijd een einde zal komen.
Dit kan natuurlijk niet betekenen, dat ook aan het Koninkrijk van Christus nog weer een einde zal komen en Christus gedurende enige tijd van Zijn heerschappij ontheven zal worden.
Wél vinden wij hier volgens alle verklaarders van de Schrift, zowel volgens hen, die het 1000 jarig rijk plaatsen in de loop der geschiedenis nu reeds, als volgens hen, die het plaatsen aan het eind van de geschiedenis, de prediking, dat dat rijk en de toestanden, welke daarin heersen, nog weer zullen ophouden en dat daarna gedurende enige tijd weer geheel andere toestanden zullen intreden.
Dat „daarna" zal slechts een korte tijd duren. Maar gedurende die tijd zal de Satan nog éénmaal de gelegenheid worden gegeven, om al zijn krachten tegen de voortgang van het Evangelie en tegen het Koninkrijk van Christus te mobiliseren. En dat zal van zulk een aard zijn, dat het wezen zal, alsof de boze dan ontbonden is!
In vers 8 en 9 wordt verder beschreven, hoe hij dan van die gelegenheid gebruik zal maken. De volkeren der aarde zal hij dan opzetten tot een ontzettende eindstrijd tegen het Evangelie en tegen alles, waarin het Evangelie gestalte heeft gekregen. Het zal dan zijn, alsof de hel is losgebroken en het ongeloof zegepraalt. Dan zal in vervulling gaan, wat Jezus Zelf van die tijd heeft voorzegd in Mattheüs 24 en wat Paulus daarover schrijft in 2 Thess. 2 en 2 Tim. 3. Het zal een tijd zijn, waarin de antichrist in letterlijke zin als een god in zijn tempel zal zitten en staat en overheid alleen maar de doorwerking van het Evangelie zullen tegenstaan. De invloed van het Evangelie zal weggedrongen zijn uit het culturele leven. En het zal zijn, alsof alles, wat in de loop der eeuwen door de Kerk en het christendom tot stand werd gebracht, tevergeefs is geweest. De gemeente des Heeren zal overal uitgebannen worden en weer ten volle een volle „in de woestijn" zijn, terwijl zij geen ogenblik met rust zal gelaten worden vanwege de vervolgingen.
Er staat in Openbaring 20 dus, dat dit alles zal geschieden na de 1000 jaren. Deze 1000 jaren hebben een overdrachtelijke betekenis, zagen wij. Wanneer het einde van die periode zijn zal, valt dus niet precies aan te geven.
Toch hebben de verklaarders van de Schrift zich wel bezig gehouden met de vraag naar de tijd van het einde en de afloop van de 1000 jaren. En zij, die de opvatting huldigen, dat bet 1000 jarig rijk reeds in de loop der geschiedenis gerealiseerd werd, vragen zich af, of er niet steeds duidelijker tekenen zijn, welke dat einde en die afloop en dus de ontbinding van de Satan melden.
In zijn boek: „De Satan", brengt dr. De Bondt zelfs de gedachte naar voren, dat wij thans reeds in de tijd van die loslating van de boze zouden zijn. Hij ziet in de Franse Revolutie plm. 1789, een keerpunt in de geschiedenis. Immers, zo zegt hij, voor die tijd was er de zonde ook al, doch tóen werd ze bewust in systeem gebracht. Het grondbeginsel van bet menselijk leven, dat God God is en de mens schepsel, werd openhjk ondersteboven geworpen in de leuze: „Geen God en geen meester". De godsdienst van de menselijke rede werd openlijk op de troon verheven. Zo is sinds de Franse Revolutie Satan weer bezig, meer dan ooit tevoren, om de volkeren te verleiden.
Dr. de Bondt merkt hierbij op, dat men niét moet aanvoeren, dat, als dit zo zou zijn, dan hét einde allang gekomen moest zijn! Want als men dit aanvoert, -ziet men de dingen verkeerd en kortzichtig. Immers ook „de kleine tijd", aan Satan gegeven, moet men in overdrachtelijke zin verstaan. Zo kan ze nog wel heel wat jaren, eeuwen, duren. Volgens dr. De Bondt leven wij nu dus niet meer in het 1000 jarig rijk. Maar de vloedgolf van ongeloof en vijandschap tegen het Evangelie kan niet ineens het wereldleven veranderen. Het is, volgens hem, als bij een grote rivier. Op de peilschaal wordt geconstateerd, dat de vloed reeds begonnen is, doch de stroom is nog niet veranderd. Uren achtereen stroomde het water in één bepaalde richting, niet ineens is de stroom gekeerd. Welnu, zo was eeuwen achtereen de stroom in het volkerenleven in „christelijke" richting. De Franse Revolutie betekent het keerpunt. De stroom werd antichristelijk. Maar ze openbaart zich nog niet direct op alle terreinen van het leven. Echter, de vloed is begonnen!
Dr. Dijk wijst er, mij dunkt, terecht op, dat tegen deze opvatting van dr. De Bondt grote bezwaren zijn in te brengen. Juist de tijd na de Franse Revolutie, de vorige eeuw, is óók een eeuw geweest van een krachtige geestelijke worsteling tégen de Revolutie en vóór de zege van het Evangelie. Wat heeft men juist in de vorige eeuw gestreden om de doorwerking van het Evangelie op allerlei terreinen van het leven, en wat heeft ze een zendingsactie te zien gegeven, zoals tevoren nog nooit gezien was! Is dit alles te verklaren als het nog doorstromen van de stroom van vóór de Franse Revolutie, of maakt dit alles de opvatting van dr. De Bondt onhoudbaar?
In elk geval blijkt wel, hoe gevaarlijk het is, datgene, wat Johannes in de Openbaring getoond werd, precies in duidelijk aanwijsbare perioden en momenten in de geschiedenis te willen projecteren. En hoe voorzichtig wij moeten zijn' met ons zeggen: „Toen en toen is dit of dat vervuld!"
Hoewel dit natuurlijk weer niét behoeft te betekenen, dat wij geen acht mogen geven op allerlei tekenen, waardoor de Heere Zelf ons attent wil maken op het feit, dat, wat Hij in Zijn Woord voorzegd heeft, vervuld staat te worden. Zo heeft de vraag, of in onze tijd de tekenen, dat de tijd van Satans ontbinding nabij is, niet al duidelijker worden, haar goed recht.
Verschillende verklaarders der Schrift wijzen hierbij op verschillende dingen. Daar is de bepaalde zucht naar éénheid onder de Kerken, waarvan zo zonder meer nog maar niet geldt, dat wij ons daarover moeten verheugen. Terecht kunnen wij ons met zorg afvragen: is dit een zucht naar de ware eenheid of naar een valse? Want wordt ze wel gedragen door de heilige zorg om de waarheid? Wordt ze hierdoor niét gedragen, dan zal ze niét de opbouw en bewaring, doch de afbraak der Kerk dienen. En verder is daar de voortgaande ontkerstening in de „christelijke" volkeren, de steeds dieper invretende materialistische geest en de afgodische verering van het technisch vernuft van de mens. Daar is het moderne heidendom in het Westen en daar zijn de grote spanningen tussen de Westerse en Oosterse wereld. De hegemonie, die de volkeren van het Westen lange tijd gehad hebben, schijnt over te gaan in de handen van de volkeren in het Oosten. En daar worden oude heidense godsdiensten en de Islam zich opnieuw hun waarde bewust en betwisten het christendom haar bijzondere plaats in de wereld.
En weer zeggen wij, dat wij voorzichtig moeten zijn met onze conclusies, vooral als het gaat om de vraag, hoevér de wijzers al staan op de klok in de hemel. En daarom zeggen wij ook, dat hot niét uitgesloten is, dat de Heere uit alles, wat zich thans aan ons voordoet, nog iets geheel anders laat voortkomen. Maar wij willen er anderzijds toch wel ernstig rekening mee houden, dat in onze tijd weleens de weg gebaand zou kunnen worden voor het optreden van de antichrist en voor het begin van de eindtijd, waarin inderdaad in vervulling zal gaan, wat Johannes óok zag in Openbaring 20: de ontbinding van de Satan!
De Chiliasten wijzen er vaak op, dat de tegenwoordige toename van de ongerechtigheid het onaannemelijk maakt, dat het gebonden zijn van de Boze in de loop der geschiedenis, nu reeds, een feit zou zijn, en dat daarom ook het 1000 jarig rijk nog komen moet. Maar, hiertegenover wijzen zij, die het Chiliasme afwijzen, er juist op, dat die toename van de ongerechtigheid wijst op het feit, dat thans de ontbinding van Satan en dus ook de afloop van het 1000 jarig rijk nabij zijn!
Natuurlijk kan de vraag rijzen, waaróm de Boze nog éénmaal ontbonden zal worden. Het antwoord kan niet anders luiden, dan dat hij nog éénmaal zijn kans mag krijgen, opdat hij nooit zou kunnen zeggen: „Had ik nog maar eens de gelegenheid gehad om al mijn krachten in te spannen, — ik zou alsnog overwonnen hebben!" Satan ontvangt die gelegenheid, hij heeft ze gekregen in het leven van Christus, hij krijgt ze ook in de geschiedenis der Kerk. Nog éénmaal mag hij alles samenspannen.
Doch ook dan zal het voor hem tevergeefs zijn. Immers de zegepraal zal ook dan aan Christus wezen. Hoe zal dit ook anders kunnen zijn? Zijn aanval op Christus Zelf liep uit op zijn nederlaag, zijn laatste aanval op het Evangelie en op de Kerk van Christus zal op hetzelfde uitlopen.
De finale van de wereldgeschiedenis zal angstaanjagend zijn. Alle krachten der hel mogen nog éénmaal ontketend. Doch ook dat alles zal dienen om nog des temeer te doen schitteren het Licht van Hem, Die overwon en overwint! Niet voor niets werd Satan tevoren reeds gebonden. Dan wordt hij overgegeven aan het eeuwig oordeel, zoals ons dit getekend wordt in vers 10 van Openbaring 20.
't Is wel duidelijk, hoe het licht van de zegepraal van Christus valt over alles, wat in dit visioen ons beschreven wordt. Ook over deze ontbinding van de Boze na het 1000 jarig rijk. Wat is dit dan telkens weer tot tróóst van allen, die geloven! Immers, zij hebben Christus liefgekregen met een onvergankelijke liefde. Troost hen dan niet de wetenschap van Zijn zegepraal? En doet dat tevens niet de wetenschap, dat, wat nog geschieden zal, zij met allen, die éénzelfde geloof deelachtig zijn, voor Zijn rekening liggen? Wat zullen zij tevens voor hun kinderen, met het oog op wat nog geschieden zal, worstelen, dat ook dezen in Christus geborgen zouden worden!
Tenslotte, laten wij er niet over heen lezen, hoé de dingen in het slot van vers 3 gezegd worden. Er staat, dat de Satan wórdt ontbonden. Zelf ontbindt hij zich niet, een ander doet het. Een engel, Christus? In elk geval, het geschiedt naar Christus' wil en op Gods bevel! En er staat, dat de Satan móet ontbonden worden. Ook dit moeten is een heilig moeten. Ook hier gebeurt alles naar de heilige Raad des Heeren, waarin God Zijn welbehagen en de Kerk haar rust en vrede vinden. Maar daarom bepaalt de Heere ook de duur van dat ontbonden zijn van de boze. Doch die is, volgens de tekst, een kleine tijd. In vergelijking met die 1000 jaren zal de bange tijd slechts van korte duur zijn. Om der uitverkorenen wil zullen deze dagen verkort worden en eer Satan er op bedacht is, zal Christus op de wolken verschijnen en voor eeuwig een einde maken aan zijn woeden!
Een volgend maal over de volgende verzen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's