De eerste Zendingsreis
Naar Cyprus.
Na door de Geest des Heeren afgezonderd en uitgezonden te zijn, zijn Barnabas en Paulus begonnen aan wat wij plegen te noemen : de eerste zendingsreis. Tegen deze aanduiding hebben wij in dit verband geen enkel bezwaar. Maar toch zouden wij voor de traditionele telling van Paulus' reizen willen waarschuwen. Als wij daar aan vasthouden, komen wij immers slechts tot een drietal zwerftochten, die de apostel om Christus' wil door de antieke wereld gemaakt heeft. Hier en daar in zijn brieven zijn er echter sporen te vinden, dat Paulus méér reizen ondernomen heeft dan die, welke ons in de Handelingen der Apostelen vermeld worden. Met name de zogenaamde pastorale brieven aan Timotheüs en Titus, alsmede de oude overlevering, dat hij in Spanje zou zijn geweest, wijzen in die richting.
Dat maant ons derhalve tot voorzichtigheid in dit opzicht.
Maar hoe wij hier ook over mogen oordelen, zéker is, dat Paulus samen met Barnabas voor het éérst op reis is gegaan. En als wij de gegevens hierover bijeenlezen, komen wij tot de conclusie, dat op deze eerste zendingsreis een bezoek gebracht is aan Cyprus, en aan verscheidene steden in Klein-Azië, om precies te zijn aan Antiochië in Pisidië, aan Ikonium, Lystra en Derbe, waarna Paulus weer naar zijn uitgangspunt, Antiochië in Syrië, is teruggekeerd. Daarbij valt al terstond één bijzonderheid van Paulus' missionaire werkzaamheid op, namelijk het feit, dat hij vooral in de grote steden gewerkt heeft. Uit tactisch oogpunt beschouwd, is dat opmerkelijk. Want vanuit deze knooppunten van handel en verkeer kon het Evangelie dan weer verder uitgedragen worden naar de binnenlanden, door middel van de gestichte gemeenten, die een sterk missionair bewustzijn hadden.
Wanneer Paulus en Barnabas zich op weg begeven naar Antiochië om het werk te gaan doen, waartoe zij van Godswege geroepen waren, gaan zij eerst naar een havenstad aan de Middellandse Zee, die niet ver van Antiochië lag — naar Seleucia, dat een goede 25 kilometer er van verwijderd was. Dit Seleucia was een bloeiende stad. Het was evenals Antiochië gelegen aan de oevers van de rivier de Orontes. Toen Paulus er in gezelschap van Barnabas heenging, was het ruim driehonderd jaar geleden, in 301 vóór Christus, gesticht door Seleucus Nicator, de eerste Seleuciedische vorst. Maar het was pas in de Romeinse tijd, dat het tot grote bloei kwam. Daartoe hebben de Romeinen dan ook niet weinig bijgedragen. Seleucia was dat ook waard. Want het was een zeestad van betekenis, vooral omdat het schepen een goede gelegenheid bood tot meren. Niet voor niets wordt het reeds in 1 Macc. 11 tot de „zeesteden" gerekend, wanneer daar gezegd wordt: „De koning Ptolemeüs nu, de heerschappij verkregen hebbende over de zeesteden tot Seleucia toe, dat aan de zee gelegen was, dacht tegen Alexander kwade overdenkingen." In deze uitspraak is het gehele gewicht van Seleucia kort aangegeven.
De reden, waarom Paulus en Barnabas naar Seleucia gingen, is wel duidelijk. Zij hoopten in deze havenstad een schip te vinden, waarop zij passage konden boeken. Dat is hun ook gelukt. Want van Seleucia zijn zij naar het eiland Cyprus gevaren.
Menig exegeet heeft er al op gewezen, dat dit reisdoel wel van tevoren bepaald zal zijn. Het is immers treffend, dat dit het vaderland van Barnabas was. Is het dus aan hem te danken, dat de beide „werkers in de dienst des Heeren" aan Cyprus gedacht hebben, toen zij hun eerste zendingsreis aanvingen ? Is Barnabas de man geweest, die dat heeft voorgesteld ? Het lijkt ons niet onmogelijk, dat deze vragen bevestigend beantwoord moeten worden. Wij weten niet, dat Paulus al eerder enige relatie met dit eiland had, terwijl het toch van Barnabas uitdrukkelijk vastgesteld wordt, dat hij een Leviet was, „uit Cyprus afkomstig". (Hand. 4 vs. 36).
Overigens moeten wij niet vergeten, dat Barnabas en Paulus niet de eersten waren, die het Evangelie van Jezus Christus op Cyprus wilden gaan prediken. Toen zij scheep gingen naar Cyprus, waren er reeds broeders vóór hen geweest, die hetzelfde gedaan hadden. Vlak na de steniging van Stefanus toch, was er een hevige vervolging ontstaan tegen de gemeente van Christus, waardoor velen zich gedwongen zagen Jeruzalem te verlaten en naar elders uit te wijken. Over deze vervolging hebben wij al meermalen gesproken. Vandaar dat het niet nodig is er nader op in te gaan. Het enige, dat wij nog even onderstrepen willen is, dat degenen die door deze „verdrukking" verstrooid werden, het woord Gods ook op Cyprus gebracht hebben; met dien verstande, dat zij zich alleen tot de Joden, die daar woonden, gericht hebben, en niet tot de heidenen. Men zie slechts Handelingen 11 vs. 18. Ook mag het ons niet ontgaan, dat het bekeerde Joden uit Cyrene en Cyprus geweest waren, die naar Antiochië gekomen waren en daar ook tot de heidenen de Heere Jezus gepredikt hadden. Dat geeft ons het recht te stellen, dat er tussen Cyprus en de gemeente van Antiochië een nauwe betrekking bestond. (Hand. 11 vs. 19). En wij doen er goed aan, als wij ons ook nog herinneren, dat er in Hand. 21 een christen genoemd wordt, die van oorsprong uit Cyprus kwam, een zekere Mnason, bij wie Paulus eens gelogeerd heeft. Van deze Mnason heet het, dat hij „een oud discipel" was — waarmede aangeduid wil zijn, dat hij van overlang reeds tot de gemeente van Christus behoorde. Misschien was hij zelfs al tot het geloof gekomen, vóórdat Paulus en Barnabas op Cyprus kwamen.
Toen de beide predikers van het Evangelie naar Cyprus reisden, was dit in handen van de Romeinen. Sinds 58 voor Christus oefende Rome er het gezag uit, terwijl het in 27 voor Christus van Cyprus een senatoriale provincie maakte, die geregeerd werd door een proconsul. Dit betekent niets minder dan dat Cyprus een wingewest van de Romeinse senaat was.
Cyprus was in Paulus' dagen een vruchtbaar eiland. Er kwam veel wijn en veel graan vandaan. Bovendien was het ook daarom voor de Romeinen een begerenswaardig gebied, omdat het er mogelijk bleek allerlei delfstoffen uit de grond te halen. Vooral de kopermijnen van Cyprus waren de moeite waard.
In godsdienstig opzicht was het in het bijzonder de dienst van Aphrodite, die op Cyprus in ere was. Men heeft wel verondersteld, dat er tussen deze Griekse godin der liefde en de Phoenicische Astarte, ons uit het O. T. niet onbekend, een groter verband bestaat dan somtijds aangenomen is. Aphrodite zou, ook wat haar naam betreft, in sterke mate met Astarte samenhangen. Haar oudste en belangrijkste heiligdom was juist op Cyprus, binnen de invloedssfeer van de Phoeniciers. En haar dienst werd gekenmerkt door dezelfde ongebondenheid en wellustigheid, die het O.T. het navolgen van de Astarte niet ten onrechte als een „afhoereren" doet veroordelen !
De inwoners van Cyprus waren Semieten. De hellenistische cultuur had er echter een goede voedingsbodem gevonden, en de griekse taal was er, toen Paulus kwam, al eeuwen in zwang. Dat is begrijpelijk, als wij letten op de aanzienlijke functie, die Cyprus in het toenmalige handelsverkeer ingenomen heeft. Het was een uitermate geschikte aanlegplaats voor de vrachtvaarders van Oost naar West,
Aangenomen mag worden, dat er op Cyprus veel Joden waren. Niet alleen weten wij, dat koning Herodes er eens een hele groep heen heeft gestuurd om als gevangenen in de kopermijnen te werken, maar ook is het ons door Dio Cassius overgeleverd, dat er onder keizer Hadrianus (117-138 na Chr.), bij een opstand meer dan 240.000 Joden zijn omgebracht. Nu mag dat een honderd jaar later geweest zijn, niettemin kunnen wij toch wel vaststellen, dat er dan ook vroeger al wel veel Joden op Cyprus gewoond zullen hebben. Bovendien is daar het getuigenis van Flavius Josefus nog : „In deze tijd (d.w.z. de eerste eeuw voor Christus, v. B.) ging het niet alleen de Joden die in Jeruzalem en Judea woonden, voorspoedig, maar ook hun die zich in Alexandrië, Egypte en Cyprus bevonden. Immers stelde de koningin Cleopatra, die tegen haar zoon Ptolemeüs, bijgenaamd Lathurus, in opstand gekomen was, Chelkias en Ananias tot oversten aan, beiden zonen van Onias, die, zoals wij elders verhaald hebben, in het district van Heliopolis een tempel, gelijk aan die te Jeruzalem gebouwd had. Cleopatra gaf hun het opperbevel over het leger in handen en deed niets zonder hun goedkeuring, waarvan ook de Cappadociër Strabon in dezer voege melding maakt: „de meesten van hen, die met ons naar Cyprus gegaan en later door Cleopatra.derwaarts gezonden zijn, liepen aanstonds tot Ptolemeüs over. Alleen de Joden van de partij van Onias 'bleven haar trouw, omdat hun medeburgers Chelkias en Ananias in hoog aanzien bij de koningin stonden". Aldus Strabon.
'Na een tocht van hoogstens enige dagen bereikten Paulus en Barnabas de Cyprische havenstad Salamis. Daar zijn zij aan land gegaan. Salamis was destijds de stad met het grootste aantal inwoners van geheel Cyprus. Dat er ook vele Joden zich gevestigd hadden, blijkt uit de opmerking van Lukas, dat Barnabas en Paulus er het woord Gods verkondigd hebben in de synagogen der Joden. Het meervoud is hier veelzeggend, en mag niet over het hoofd gezien worden !
Dat de beide verkondigers van het Evangelie allereerst naar de Joden gegaan zijn en in de Joodse synagogen zijn opgetreden, is een trekje, dat van eminent belang is. Dit is een glimp van de bekende Paulinische methode om het Evangelie van Christus éérst de Jood te prediken. Wij geloven dan ook, dat Paulus' werk onder de heidenen menigmaal te veel klemtoon ontvangt. Maar al te vaak wordt vergeten, dat hij ook de Joden het woord Gods gebracht heeft. En toch was dat een wezenlijk deel van het werk, waartoe de Geest Gods hem geroepen had, samen met Barnabas !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's