Uit het Nieuwe Testament
46 OPENBARING 20 HET DUIZENDJARIG RIJK
Ditmaal houden wij ons bezig met vers 4.
Het gaat in het visioen van het Duizendjarig Rijk niet alleen om Christus en de engel én om Satan, doch ook om anderen, die mogen delen in de glorie van Christus.
Over hén spreekt vers 4, waarin staat, dat Johannes nu tronen ziet en op die tronen overwinnaars, die met Christus gedurende de duizend jaren regeren.
Ook dit is een element in het visioen, dat bij de ChiHasten, die dus nog een bijzonder vrederijk aan het einde van de geschiedenis verwachten, een belangrijke rol speelt. Wij zagen reeds eerder, dat volgens hun gedachte Christus nog een vrederijk op aarde zal oprichten en dat ook anderen. Zijn getrouwe belijders, dan met Hem in deze wereld zullen heersen. Verschil van mening is er dan nog over de vraag, welke plaats in die heerschappij voerende gemeente Israël en Jeruzalem zullen innemen en of alleen de martelaren óf alle in Christus ontslapenen in die heerlijkheid zullen delen.
In elk geval zal volgens deze gedachtengang vóór de aanvang van deze bijzondere heerschappij de eerste opstanding plaats vinden, een lichamelijke verrijzenis, aan de algemene opstanding des vleses voorafgaande. In deze eerste opstanding zullen de gestorven gelovigen weer hier op deze aarde herrijzen en dus lichamelijk met hun Koning het regiment over de volkeren uitoefenen. Dit gedeelte van het visioen heeft dan ook betrekking op aardse toestanden, zoals eveneens de binding van de Satan op de aarde betrekking heeft. En vers 4 sluit zich nauw bij het voorafgaande aan! Het tekent dus de heerlijke situatie, waarin de gelovigen op aarde zullen verkeren, nog vóór de wederkomst des Meeren en het aanbreken van de eeuwige gelukzaligheid.
De vraag is natuurlijk, wat bedoelt de Schrift ons in vers 4 eigenlijk te zeggen. Is het inderdaad juist hier aan aardse toestanden te denken? Die exegeten, die aan dit gehele visioen een geheel andere zin geven en de vervulling van het duizendjarig rijk reeds in de loop der geschiedenis plaatsen, zien het verband met het voorafgaande weer geheel anders. Zij zeggen eveneens dat, wat in vers 4 staat, nauw aansluit bij het vorige. Als in éen adem zegt Johannes: „En ik zag tronen". Maar volgens deze exegeten ging het in het voorafgaande immers eigenlijk om de heerlijkheid van Christus, Die Zijn macht ook wel op aarde openbaart, doch in de hemel troont aan de rechterhand van Zijn Vader.
Daarom menen zij, dat ook het vervolg, waarin het gaat over hen, die met Christus mogen regeren, ons verplaatst in de hemel. Dan zou er tevens relatie bestaan tussen wat staat in Openbaring 20 vers 4 en in Openbaring 3 vers 21, waar aan de overwinnaars in de goede strijd beloofd wordt, dat zij zullen zitten in de troon met Christus, gelijk Hij gezeten is met Zijn Vader in de troon!
Wat ziet Johannes nu verder volgens vers 4 ?
Hij ziet tronen. Zetels dus om te regeren en gericht te houden. En op die tronen, zo staat er, zaten zij. In het oorspronkelijke wordt een werkwoordsvorm gebruikt, welke beter vertaald kan. worden met: zij zetten zich.
Opmerkelijk is dus, dat hier niet staat, wie degenen zijn, die zich op die tronen neerzetten. Is dat een groep mensen, die hier dus niet nader aangeduid worden? Er zijn verklaarders van de Schrift, en vooral Chiliasten, die deze mening zijn toegedaan.
De bedoeling van wat aan het begin van vers 4 staat, zou dan zijn, dat Johannes dus eigenlijk drie groepen mensen zag. Eerst een groep, welke met bijzondere koninklijke heerlijkheid wordt gekroond en in bijzondere zin aan de regering van Christus deel heeft. Hier kan dan aan het herstelde Israël gedacht worden! Daarna en daaronder zag hij dan twéé andere groepen die in het vervolg van vers 4 worden aangeduid als degenen, die onthoofd, door de bijl gevallen zijn, om het getuigenis van Jezus en om het Woord Gods én als degenen, die het beest en zijn beeld niet aangebeden hebben.
Echter, ook hier is aan een andere mogelijkheid te denken. Dat het tweede gedeelte van vers 4 een nadere verklaring bevat van het eerste gedeelte. Inderdaad zien andere exegeten het zo. En dit is inderdaad zeer goed mogelijk, omdat het woordje „en" in het Grieks vaak een verklarende betekenis heeft. Wat daarop volgt, behoeft dus niet altijd iets nieuws te zijn, doch kan ook iets zijn, dat, wat er aan voorafgaat, nader omschrijft.
Dat zijn dus degenen, die onthoofd zijn om het getuigenis van Jezus en die het beeld niet hebben aangebeden, dezelfden, als die op de tronen mochten plaats nemen. Dat zij eerst niet genoemd worden, kan dan hierom zijn: eerst wil de Schrift alle aandacht samentrekken op het feit van het regeren zelf. Dat regeren moet eerst in het volle licht staan. Zo wordt de tegenstelling des te scherper: daar is de binding van Satan, doch daartegenover is er de heerlijkheid, welke de getrouwe-beHjders van Christus ten deel valt!
Intussen, — wie met die onthoofden bedoeld worden, is wel duidelijk. Dat zijn natuurlijk de martelaren, die gevallen zijn voor de Naam des Heeren. En degenen, die het beest niet aangebeden hebben, zijn stellig allen, die door de antiChristelijke machten (het beest) en hun openbaring in de wereld niet zijn verleid geworden, maar tegen die machten door genade hebben gestreden en in die strijd hebben volhard. Er staat, dat zij het merkteken van het beest niet hebben ontvangen aan hun voorhoofd en aan hun hand. D.w.z. hun denken en doen hebben zij aan de heerschappij van de boze mogen onttrekken en stellen ia de dienst des Heeren. Zij behoeven daarom nog niet om hun geloof gedood te zijn. Dat lot treft immers niet alle getrouwe belijders!
Van gewicht is hier ook, dat er staat, dat Johannes de zielen van die allen aanschouwt. De Chiliasten, die dus een nog komend vrederijk op aarde aannemen, waarin ook op aarde anderen met Christus zullen regeren, zodat aan dezen weer een lichamelijk bestaan moet worden toegekend, voeren hier aan, dat de uitdrukking zielen wel meer in de Schrift voorkomt als aanduiding van de gehele mens.
Inderdaad is dit het geval, zo b.v. in Genesis 12 v. 5; Genesis 14 v. 21, Romeinen 13 V. 1 e.a. Maar de vraag is gewettigd, of dit hier in Openbaring 20 vers 4 de juiste uitleg is.
Immers, sterk tégen deze uitleg pleit, dat hier gesproken wordt van de zielen dergenen, die onthoofd waren. Dit geeft toch wel aan de benaming „zielen" een speciaal karakter. Hier wordt een bijzonder accent gelegd op de tegenstelling, dat Johannes niét de lichamen, maar de zielen der bevoorrechten zag; zij zijn immers onthoofd, dood. Hun lichamen zijn niet meer te aanschouwen, doch visionair zag Johannes hun zielen. Zo doet, wat hier staat, denken aan Openbaring 6 vers 9, waar sprake is van de zielen dergenen, die gedood waren, onder het altaar!
Met dat al doet dan, wat hier in Openbaring 20 staat, niét denken aan een zijn van deze bevoorrechten op aarde, doch veelmeer aan een zijn van hen in de hemel. En dat wijst er dus meer op, dat wij de eigenlijke heerlijkheid en het centrum van het duizendjarig rijk in de hemel moeten zoeken.
In vers 4 gaat het nóg om een ander punt, dat niet onbelangrijk is in verband met de vraag, wat de Schrift eigenlijk met heel dit visioen van het duizendjarig rijk bedoelt. Johannes ziet dus, volgens dit vers, o.a. de zielen dergenen, die het beest niet hebben aangebeden. De Chiliasten menen hier nóg een steunpunt te vinden voor hun opvatting, dat het duizendjarig rijk nog komen moet.
Immers, zo zeggen zij, het beest is eigenlijk een aanduiding van de Antichrist. En deze moet nog openbaar komen in de geschiedenis.
Echter, tégen deze gedachte is weer in te brengen, dat het wellicht niet onbijbels is om nog een bijzondere openbaring van de Antichrist te verwachten, maar dat het tevens bijbels is om rekening te houden met de openbaring van de antichristelijke machten reeds alle eeuwen door (verg. 1 Joh. 2 v. 18 e.a.). Deze machten toch woelen en werken in allerlei gedaanten en binden in elke tijd, steeds weer op een andere wijze, de strijd aan tegen de voortgang van het Koninkrijk Gods.
En zó gezien, behoeft, wat in vers 4 staat, geen argument te zijn voor de gedachte, dat het duizendjarig rijk nog komen zal in de toekomst!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's