KERKNIEUWS
BEROEPEN TE:
Musselkanaal, vic. H. Hengeveld te Eindhoven — Zwartebroek-Terschuur, B. M. Meyndert te Waarder — Katwijk aan Zee (7e pred. pl., toez.), A. Vink te Vriezenveen — Leersum (toez.), G. F. Overgauw te Woubrugge — cl. Amersfoort tot pred. toez. werkz. te Amersfoort (gestichtspred. Zon en Schild en Hebron), P. A. A. Klusener te Delft — Haaften, H. A. van Bemmel te Leerbroek — Stavoren (toez.), cand. J. D. A. M. Heijkoop te Velsen — Stadskanaal (toez.), P. Hetebrij te Sellingen.
AANGENOMEN NAAR:
Kampen, Joh. Dijkstra te Rhenen — Den Helder, J. D. Kila te Grijpskerk (Gr.) —Bedum, J. den Hartogh te Wommels (Fr.) — Enschede (nw. pred. pl., toez.), G. Juckema te Nijverdal — Hoogeveen, J. V. d. Schee te 's-Gravenmoer.
BEDANKT VOOR:
Hillegersberg-Terbregge, J. v. d. Heuvel te Ede — Oudshoorn (toez.), H. A. van Bemmel te Leerbroek — Oud-Beierland, J. J. Poot te De Bilt — 's-Grevelduin-Capelle, W. van Tuyl te Rijssen — Maarssen, W. Vroegindeweij te Barneveld.
PROEFPREEK.
Cand. G. Voordijk, Molendijk 42, Oud-Beierland hoopt onder voorzitting van prof. dr. H. Jonker, D.V. 13 december des avonds om half acht zijn proefpreek te houden in de Evangelisch Lutherse Kerk, Hamburgerstraat 9, Utrecht.
Ds. W. L. TUKKER.
Uit een brief van ds. W. L. Tukker, die 4 dec. 1962 gedateerd was, vernam ik de blijde tijding, dat hij D.V. in de tweede helft van december het ziekenhuis weer hoopt te verlaten. Enkele maanden zal hij kalm aan moeten doen. Er is echter goede hoop, dat hij na verloop van tijd zijn werk in Katwijk aan Zee zal mogen hervatten.
De Heere zij ds. Tukker nabij naar lichaam en naar ziel. Laat alom in den lande het gebed voor deze geliefde dienaar des Woords tot voor de troon van Gods genade opklimmen.
Ds. FOKKEMA.
Ds. Fokkema, emeritus predikant, voorganger van de Herv. Geref. Minderheidsgroep te Soest, moet op medisch advies rust nemen.
Ds. VAN DEN HOEP
Ned. Herv. Predikant te Kierden kan wegens ongesteldheid zijn dienst niet verrichten.
DE HAND AAN DE PLOEG SLAAN . . . .
Wist u, dat deze uitdrukking is ontleend aan de Bijbel?
In Lucas 9 : 62 (Sten Vertaling) staat geschreven: „Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter is "
Na de reformatie was de Bijbel gemeengoed. Iedereen bediende zich van de bijbelse taal en kende de bijbelverhalen op z'n duimpje.
Op de paplepel stond een bijbelse spreuk; op het bord van de kleuter idem. Aan de wand hingen bijbelse teksten.
Ja zelfs op de beddewarmer stond soms een spreuk, ontleend aan de Bijbel. Drie maal per dag werden de bijbelverhalen gelezen.
De tegels om de haard van de landbouwer en zijn dagloners gaven dikwijls voorstellingen van bijbelverhalen.
De Bijbel met zijn rijke geschiedkundige, dichterlijke en profetische inhoud, het wondere gebeuren van Jezus' omwandeling op aarde. Zijn vermaningen en wijze woorden. ...
Dat alles sprak tot de mensen van toen . . . . én de mensen van nu!
Het is niet mogelijk in de wereld Gods Gebod: verkondigt het Evangelie en brengt het tot aan de uitersten der aard — op te volgen zonder de hand aan de ploeg te slaan.
Waar Gods Woord wordt gebracht, moet de Bijbel komen! Waar zending wordt bedreven zijn bijbelvertalingen noodzakelijk. De hand moet aan de ploeg worden geslagen om Gods akker wasdom te geven.
Bijna 150 jaar lang, vanaf 1814, heeft het Nederlandsch Bijbelgenootschap, gestemd door alle Protestantse kerken, hebben de besturen, de leden en begustigers van het N.G.B, de hand aan de ploeg geslagen om het werk van het Nederlandsch Bijbelgenootschap: het vertalen, drukken en verspreiden van de Bijbel zonder een commercieel oogmerk na te streven, dienstbaar te maken aan kerken en zending.
Juist in deze tijd is het zo nodig „de hand aan de ploeg te slaan" en mee te helpen aan het werk van uw eigen Nederlandsch Bijbelgenootschap, dat in 1964 zijn 150-jarig bestaan hoopt te herdenken.
Daarom: slaat de hand aan de ploeg van het N.G.B, en steunt en helpt waar u kimt deze arbeid. Om Gods gebod te helpen realiseren.
ZORGWEKKENDE SYMPTOMEN
Het kan trouwens niet ontkend worden, dat de vrees voor deze teleurstelling is aangewakkerd door verschillende feiten, die sedert de eerste aankondiging van het concilie hebben plaats gevonden.
De door de paus op de 25ste januari 1959 tegelijk met het concilie aangekondigde en van 24-31 januari 1960 gehouden diocesane synode heeft én om de wijze, waarop zij gehouden werd én om de besluiten, die genomen werden, aanleiding gegeven tot kritiek. Van discussie was geen sprake; een groot aantal bepalingen werden voorgelezen en, voorzover er geen tijd was ze alle voor te lezen (het waren er 770!) aan de priesters gedrukt meegegeven, met verzoek hun opmerkingen kenbaar te maken, die dan achteraf verwerkt zouden worden. Deze bepalingen, waarvan vele dienen moesten om de waardigheid van de priester te beschermen, maakten een legalistische indruk. Nu is het feit alleen, dat de paus een diocesane synode voor zijn bisdom heeft gehouden op zichzelf al belangrijk: er blijkt uit, dat hij ernst wil maken met het feit, dat hij bisschop van Bome is, dus deel uitmaakt van het episcopaat en niet slechts er boven is gesteld. En ook is waar, dat een diocesane synode, waarin de bisschop overlegt met de onder hem staande clerus, niet te vergelijken valt met een concilie, waarin het wereldepiscopaat bijeenkomt. Maar de paus heeft ten eerste de romeinse synode bedoeld als model voor andere diocesane synoden (daarom worden de bepalingen der synode ook Vertaald in andere talen). En ten tweede ligt het voor de hand, dat men vanwege de personele unie tussen de paus als hoofd van het bisdom Rome en als hoofd der kerk enig verband legt tussen de geest waarin de synode is gehouden en de geest, waarin — naar men verwacht — het concilie zal worden gehouden. De nadruk, waarmee op de synode het celibaat als de schoonste parel van het priesterschap is verkondigd, klopt immers met het feit, dat op het concilie geen sprake zal zijn van afschaffing of verlichting van het celibaat. Een tweede punt, waarop kritiek is uitgeoefend, is de afwezigheid van leken op het te houden concilie. Men heeft daarop geantwoord met een verwijzing naar de bepalingen van het canonieke recht. Het concilie is een kerkvergadering, waar de leken vertegenwoordigd zijn door hun bisschoppen. Men kan daar begrip voor hebben: de tijd, waarin leken op concilies verschenen en wereldlijke vorsten vaak grote invloed hadden in deze vergaderingen, behoort tot het verleden. Men heeft bij het antepreparatorische werk niet alleen de bisschoppen verzocht hun wensen kenbaar te maken, maar ook de rooms-katholieke universiteiten, zodat de leken langs die weg hun wensen kenbaar hebben kunnen maken. Zij hebben dat ook naderhand nog ongevraagd kunnen doen en iemand als kardinaal Koenig heeft hen daartoe met klem opgewekt. Maar in de voorbereidende commissies ontbraken aanvankelijk de leken geheel en na aanvullende benoemingen bijna geheel, hoewel het Oostenrijkse episcopaat het Vaticaan verzocht had leken als experts aan te trekken bij de voorbereidingen van het concilie.
Een derde punt van kritiek hangt met het zo even genoemde samen: de gebrekkige voorlichting van de pers. Willen de leken (waartoe zij opwekt worden door de geestelijkheid) meeleven met de voorbereiding van het concilie, dan is voorlichting via de pers noodzakelijk. Men krijgt niet de indruk, dat in een land als Italië de pers haar voorlichtende taak serieus opneemt, maar Italië is de wereld niet en er zijn bisschoppen, die meer waardering tonen voor de pers dan mgr Felici, wiens op 18 april 1961 gehouden persconferentie als een „ijskoude douche" werkte. Zo nu en dan vielen zeer scherpe woorden over de muur van zwijgen, die de voorbereidingen van het concilie omgaven. Ook na de benoeming van mgr Vallainc tot leider van de persdienst van het concilie bleef de voorlichting al te sober: persconferenties werden niet meer gehouden en de communique's over de vergaderingen deden vaak niet meer dan een beeld geven van de behandelde onderwerpen (en soms deden zij zelfs dat niet duidelijk). De voorlichting over het op de laatste zitting der centrale commissie behandelde onderwerp „oecumenisme" was dermate tendentieus, dat Visser 't Hooft er terecht tegen protesteerde.
In de vierde plaats is kritiek geoefend op feiten, die de indruk gaven, dat sommige congregaties der curie er geen rekening mee schijnen te houden, dat het concilie voor hun werk bepaalde directieven zou kunnen geven. Zo hebben sommigen hun verbazing uitgesproken over de wijzigingen door de congregatie voor de Riten aangebracht in de rubrieken, terwijl toch de kans bestaat, dat de beginselen van de liturgie aanstonds op het concilie behandeld moeten worden. Een zinsnede in de constitutie „Veterum Sapientia", waarin de bisschoppen bevolen wordt ervoor te waken, dat niemand stelling neemt tegen het gebruiken van het Latijn in het seminarieonderwijs en in de liturgie, deed de vraag stellen, of dus het concilie zich niet over het gebruik van de volkstaal in de liturgie zou mogen uitspreken. Daarop is geantwoord, dat dit niet de bedoeling is van de constitutie, die alleen het gebruik van het Latijn in het seminarie-onderwijs op het oog heeft. Blijft de vraag, hoe de vermelding van het Latijn in de liturgie dan in de constitutie terecht is gekomen. De antwoorden, die op deze vraag zijn gegeven, komen toch wel hier op neer, dat men de paus iets heeft laten ondertekenen, waarvan een bepaalde passage verder ging dan zijn bedoeling kon zijn. Geeft dat op zichzelf al te denken, ook wanneer de betekenis der constitutie beperkt is tot het seminarie-onderwijs, is zij een staal van het romeinse centralisme, dat velen juist niet meer wensen. De constitutie grijpt in in het seminarie-onderwijs in de bisdommen en bepaalde maatregelen bewijzen, dat de Congregatie voor de seminaries ernstig van plan is haar ook metterdaad door te voeren. Het behoeft geen betoog, dat de dithyrambische verheerlijking van het Latijn, die men in de constitutie vindt, voedsel geeft aan de overtuiging der oosterse christenen, dat voor Rome katholiek christendom gelijk staat aan latijns christendom.
In de vijfde plaats wekten enkele maatregelen tegen publikaties kritiek. Die tegen Teilhard de Chardin (sinds enkele jaren waren zijn boeken voor seminarie-bibliotheken verboden, 30 juni 1962 publiceerde het H. Officie een waarschuwing tegen zijn leer) hebben iets te maken met het concilie, maar des te meer met de ruimer gelegenheid om zich algemeen te oriënteren, die velen aan de studenten in de theologie toegekend zouden willen zien. Er is ook een wonderlijke discrepantie tussen het feit, dat bekende roomskatholieke theologen als De Lubac en Smulders waarderende studies schrijven over Teilhard de Chardin en het feit, dat boeken, die als pocketuitgaven in iedere boekhandel te krijgen zijn, in seminarie-bibliotheken niet voor mogen komen. Wel met het concilie te maken had het boek van de bekende volksredenaar pater Lombardi, waarop de Osservatore Romano een scherpe kritiek gaf, die de schrijver noopt te verklaren, dat zijn boek slechts de persoonlijke mening van een eenvoudig priester weergaf, die bereid is aan ieder verlangen van de kerkelijke overheid gevolg te geven. Ingetrokken heeft pater Lombardi zijn boek niet en maatregelen ertegen zijn niet genomen, al schijnt het bosk wel het misnoegen van de paus te hebben opgewekt. De kritiek van de, Osservatore Romano ging o.a. tegen „zekere beoordelingen welke de auteur waagt te geven over de clerus en over de romeinse curie, wier hoge verdiensten en magnifieke werk voor da Kerk en voor de zielen niet in hun gerechtvaardigde belichting zijn gesteld." Ernstiger is de terugname van de door de Salesianen gepubliceerde Italiaanse vertaling van het herderlijk schrijven der Nederlandse bisschoppen over het concilie, vermoedelijk in verband met opvattingen in dit schrijven over de onfeilbaarheid, van de paus. Volgens het schrijven „ligt deze persoonlijke onfeilbaarheid mede ingeschakeld in de ambtelijke onfeilbaarheid van het wereldepiscopaat, dat zelf op zijn beurt mede wordt gedragen door het onfeilbaar geloof van heel de geloofsgemeenschap". Wellicht werd deze opvatting wat gevaarlijk geacht — althans voor Italianen, want noch tegen het Nederlandse origineel, noch tegen de Franse, Duitse en Spaanse vertalingen zijn maatregelen genomen.
Overgenomen uit Reformatorische stemmen, door dr. C. A. de Ridder.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's