De Incarnatie
Incarnatie, dat is de onder theologen gebruikelijke uitdrukking voor de vleeswoording des Woords. Daarom schreven we hierboven de incarnatie, omdat daarmede niet anders kan worden aangeduid dan het grote gebeuren in Bethlehem in de dagen van de keizer Augustus, toen hij bevel had gegeven, dat de gehele wereld zou beschreven worden. Hij is zich er niet van bewust geweest, dat hij met zijn keizerlijk gebod dienstbaar was gemaakt aan de vervulling van de profetie van Micha: „En gij, Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda, uit u zal mij voortkomen, die een heerser zal zijn in Israël en wiens uitgangen zijn van ouds van de dagen der eeuwigheid" (Micha 5:1).
Keizers en koningen, maar ook heel gewone, eenvoudige mensen, vroom of niet vroom, godsdienstig of goddeloos, wetend of onwetend, zij dienen, zij dienen allen in de geopenbaarde Raad Gods en zijn dienstbaar in de vervulling van die Raad, heden en morgen en tot het einde. Wie zij ook zijn, gelovigen of ongehoorzamen, zij staan in dienst van Hem, die daar lag in de kribbe, toen de hemelboden Gods ere zongen en Zijn geboorte aankondigden in hemelse luister. Toen lag Hij daar zo nederig, maar de wijzen uit het Oosten mochten het verstaan, dat Hij een Koning was. En niet maar zon aardse koning, die de beschrijving beveelt voor de rijksadministratie, wellicht voor de belastingen en misschien voor zijn krijgsmacht, doch Hij is de universele machthebber in de hemel en op de aarde: de Koning der koningen. De hemelse Vader heeft Hem die macht gegeven. Zo staan ze allen, de milliarden mensen, die er geweest zijn, die er zijn en die er nog zijn zullen, onder Zijn heerschappij, ja in Zijn dienst.
Hoevelen weten het niet en hoe weinigen zijn er, die er besef van hebben. Dat neemt niet weg, dat het toch zo is. Zijn macht is ook niet afhankelijk van het al of niet erkennen en geloven van ons aardse stervelingen, want Hij is het Woord, de Zoon van de eeuwige God, die alle dingen gemaakt heeft.
Het Woord is vlees geworden m.a.w., de Zoon van de levende God is vlees geworden.
De afstand tussen God en mens is voor heidense koningen en wijsgeren lang niet altijd zo groot geweest als met de eerbied voor Hem, die een ontoegankelijk licht bewoont, wel overeenkwam. Niet zelden zijn de voorbeelden in de geschiedenis der mensheid van koningen aan wie goddelijke eer werd gebracht, die voor zonen des hemels en godenkinderen werden gehouden. Ook de zoeven genoemde Augustus heeft het Romeinse volk divus d.i. de goddelijke genoemd.
En hoewel het intelligente Griekse volk door zijn wijsgeren geleerd, hogere ideeën omtrent de godheid heeft gekend, achtten ze toch, dat het menselijke redevermogen aan de goddelijke Rede verwant was. De olympische goden werden voorgesteld als mensen, mensen van groot formaat, maar mensen met al hun deugden en ondeugden. Griekse dichters leren de mensen, dat ze van Gods geslacht zijn (vgl. Hand. 17 : 28).
Ook de heidenen hebben enig besef van de eeuwige kracht en goddelijkheid, die zich openbaart in de schepping (Rom. 1 : 18 v.v.), maar zij blijven bij het aardse hangen en vereren het schepsel, de stormwind, bomen en bossen, fonteinen en rivieren, dieren en mensen. Zo wordt de gemeenschap van de goden met de mensen opgebouwd vanuit de mens, van beneden naar boven, van de aarde naar de hemel.
Dat alles heeft derhalve met incarnatie, vleeswording Gods, niets te maken. Deze volgt niet een weg van de mens uit, maar naar de mens toe. Niet een weg van beneden naar boven, maar van boven naar beneden, van de hemel naar de aarde, van de eeuwige God naar de sterfelijke mens.
Het Woord is vlees geworden.
Slaan we het eerste hoofdstuk van het Evangelie naar Johannes op om te vernemen, wie dat Woord is en wat de apostel van Hem zegt: „In den beginne", zo vangt hij aan. Dit plechtige begin leidt onze aandacht naar de eerste woorden van de Heilige Schrift. Daar staat het ook, als de profeet ons van de schepping van hemel en aarde gaat spreken en Gods openbaring ons licht gaat ontsteken over dingen, die boven het bereik van onze kennis liggen: de wording van het universum en alles, wat er in is, ook omtrent de schepping van de mens.
De Heilige Schrift brengt ons bij monde van de apostel Johannes aan de uiterste grens van de tijd, als zet ze ons aan de oever der eeuwigheid. De mens was er nog niet. God had Zich de toebereiding van een wereld voorgenomen om een plaats te bereiden voor de mens, het kroonwerk van de schepping, voorwerp van Zijn bijzondere zorg en welbehagen, de naar Zijn beeld geschapen mens.
Daar worden we in de geest neergezet aan de uiterste grens van de tijd: in den beginne, d.w.z., toen God begon zich te openbaren door de schepping van de wereld en van de mens.
Daarbij worden we ook weer door Johannes 'bepaald, als hij ons over het Woord gaat spreken. Heel zijn Evangelie gaat over het Woord, over Zijn goddelijke heerlijkheid en tekent de Eniggeborene des Vaders, zoals hij Hem zag door de Heilige Geest, en het licht der eeuwigheid: God uit God.
In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God (Joh. 1 : 1 en 2),
Men ziet, hoeveel er de Heilige Geest aan is gelegen om ons dit op het hart te binden. Hoe groot moet dan wel de zonde en het onrecht zijn om de Heere Jezus Christus Zijn godheid te ontzeggen en Zijn goddelijk gezag te miskennen!
Dan gaat de Schrift verder en wijst op de afhankelijkheid van allen en van alles van Hem. Immers alle dingen zijn door dat Woord gemaakt, alle dingen zonder uitzondering (Joh. 1:3). Niemand en niets kan zich aan Zijn macht onttrekken. Doch wie staat daarbij stil, als Hij door Gods Geest er niet bij stil gezet wordt, dat zulk een voor hem allesbeheersende levensbetrekking hem met het scheppende Woord, dat bij God was, ja God was (en nog altijd is), verbindt, dat hij aan dat scheppende Woord door die allesbeheersende levensbetrekking verbonden is, van dat scheppende Woord in heel zijn bestaan afhankelijk is?
Ook daarover handelt de Schrift: in het Woord was het Leven en het Leven was het Licht der mensen (Joh. 1 : 4). Ons leven ook naar onze aardse existentie is leven van Zijn Leven, en al het licht onzer gaven van verstand en hart is licht van Zijn Licht. Wie denkt daarover in het gewone alledaagse streven en handelen? Hoe glijden wij over deze dingen heen? Het is immers alles natuur! Alsof daarmede ook maar iets gezegd zou zijn, dat enige verstandige zin kon hebben.
De Heilige Geest weet ook, dat wij mensen zo dom en afgestompt zijn, want bet Licht schijnt wel, maar de duisternis heeft het niet begrepen (Joh. 1 : 5). Daarin ligt ons oordeel — zo maar — wij behoeven er niet eens enige boze daad aan toe te voegen: wij zijn duisternis, kinderen der duisternis. Het spreekt van zelf, dat onze werken boos en werken der duisternis zijn voor het Licht, voor het Woord, dat ons gemaakt heeft, voor God! Want Hij heeft ons goed geschapen. Het was zeer goed! (Gen. 1 : 31).
Vele vonden.
Ze hebben vele vonden gezocht (Spr. 7 vers 29). Waarom heeft God ons dan niet zo geschapen, dat we niet zouden kunnen vallen? Is het dan eigenlijk niet Gods schuld, dat wij kinderen der duisternis zijn?
Ja, maar alles was goed! Ook de mens! Hoe is hij dan zo boos en verkeerd geworden?
Dat vraagt de catechismus ook: „Vanwaar komt dan zulk een verdorven aard van de mens, als God hem goed geschapen heeft? " (Vraag 7).
Dat is een goede vraag, want deze vraag begint met de onderstelling, dat de Heilige Schrift wel eens gelijk kan hebben en wij schuldig staan voor God.
En dan komt het: Uit de val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders Adam en Eva, in het paradijs, waar onze natuur alzo is verdorven, dat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden.
Wij liggen met God overhoop. Wij willen eigenlijk niets van Hem weten. Niets van zonde en schuld, die ons ten enenmale veroordelen voor Hem van Wie we in alles afhankelijk zijn. De opstand is niet gering. Want in de diepte beschouwd willen wij als God zijn. Wij willen ons eigen leven in de hand hebben. Zelf uitmaken wat goed en kwaad is en in ieder geval niet, dat God koning over ons is, ons Zijn wil oplegt, ons de wet voorschrijft. En dat verbergen we niet voor elkander, want de mens is zo, d.i. alle mensen zijn zo. Dat blijkt in onze dagen wel zeer duidelijk, alleen al daaruit, dat men, die grote men, die alles beweert en de toon aangeeft, van geen zonde wil horen. Sommigen zelfs niet in de preek! Zij willen een Evangelie zonder te reppen van de zonde.
„Hij was in de wereld en de wereld is door Hem gemaakt en de wereld heeft Hem niet gekend" (Joh. 1 : 10).
Het licht schijnt in de duisternis.
Desniettemin schijnt het Licht in de duisternis. En het heeft geschenen van den beginne aan. God heeft zich niet onbetuigd gelaten. Het Licht heeft de eeuwen door geschenen door de Geest der profetie, de Heilige Geest, die het Woord in alle werken begeleidt, tot op de dag van Johannes de Doper. Van voor de grondlegging der wereld is de Heere God bezig geweest met de mens van Zijn welbehagen, de mens Zijner verkiezing, die Hij verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen Gods in Christus Jezus.
Hij heeft de mens geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Dat is geschied door Zijn Woord en Geest (Genesis 1 en 2). Dat wijst op een heel enige betrekking tussen God en de mens boven en behalve de algemene levensrelatie van het schepsel tot de Schepper, waarop wij zoeven hebben gewezen. Die bijzondere relatie is de relatie gelijkenis, tegelijk werkelijk en ongrijpbaar. Om een voorbeeld aan de aardse verhoudingen te ontlenen: een standbeeld, hetzij van hout, steen, brons of marmer, dat alles doet er niet toe, maar het eigenlijke, het waardevolle van het standbeeld is de gelijkenis, de sprekende gelijkenis met de persoon, die de beeldhouwer op het oog heeft gehad. Als die gelijkenis spreekt, zeggen we dat is hij, alsof hij in dat beeld tegenwoordig was, de persoon in het beeld zat. Die gelijkenis is het werk van de beeldhouwer, zijn kunst, vertolking van zijn kunstenaarsgeest, die voortleeft in het beeld. Die kluistenaarsgeest heeft de gelijkenis overgebracht van de oorspronkelijke werkelijkheid op het beeld en toch is de gebeeldhouwde steenklomp niet de levende persoon, die het voorstelt.
Welnu, zo is het bij wijze van vergelijking ook met de schepping van de mens naar Gods beeld en gelijkenis. De mens is schepsel en geen God. Als God hem dat zelf aan zijn verstand brengt, zegt Hij: „stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren" (Gen. 3 : 19).
En nochtans is het ook waar, dat het scheppende Woord bij de schepping van de mens, iets van God op de mens heeft overgebracht, waardoor de mens Zijn beeld is. God Zelf is de Kunstenaar en Bouwmeester, die deze gelijkenis heeft uitgebeeld, en die daarmede aanving uitdrukking te geven aan wat Hij in Zijn Raad aangaande die mens had voorgenomen.
Alzo is de naar Gods beeld geschapen mens uitdrukking, gestaltenis van het goddelijke in het menselijke: De gelijkenis in de mens naar Gods beeld is het goddelijke in mensvormigheid. God spreekt ook met de mens in mensvormige taal, het Woord, dat bij God was, dat God was, vertolkt de goddelijke openbaring op menselijke wijze, in menselijke voorstellingen en beelden. Op menselijke wijze gaat God met de mens om.
Ten onrechte wordt dat door sommigen als aanpassing van God aan de mens gewaardeerd. Zonder ook maar iets te kort te willen doen aan de nederbuigende goedheid Gods om Zich aan die mens bekend te maken, kunnen wij het toch met die theorie van aanpassing niet eens zijn. Dat alles ligt besloten in Gods voornemen aangaande de mens en volgt uit de schepping naar Gods beeld en gelijkenis. Zo wil God gemeenschap hebben met de mens en zo wil Hij door de mens gekend zijn.
En het Woord is vlees geworden.
Dat Woord, de Schepper der wereld, het Licht der wereld, is vlees geworden. Dat is heel wat anders dan in menselijke gedaante verschijnen. Dat was het geval, toen Hij Abraham bezocht, die aan de deur van zijn tent zat, als de dag heet werd (Gen. 18 : 1). Toen was de Heere niet mens geworden, maar deed Zich voor als een mens.
Als de Gezalfde des Heeren, van wie de profeten hadden getuigd, dat Hij komen zou, neemt Hij de menselijke natuur aan door geboorte uit een vrouw. Door geboorte worden wij de menselijke natuur deelachtig, door geboorte is de Messias de menselijke natuur deelachtig geworden.
En toch is er een groot onderscheid tussen de gewone natuurlijke geboorte van een mens en de incarnatie, de vleeswording des Woords. De incarnatie is een bijzondere daad van de Drieënige God. Dat blijkt uit de woorden van de engel, die tot Maria komt om het haar aan te zeggen: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen: daarom ook, dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden (Lukas 1: 35). Hij is geworden uit een vrouw om waarachtig mens, onzer één, in de gelijkheid van het zondige vlees, te zijn, ons in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde.
Hij is uit God en heeft geen vader onder de mensen. Hij is de Eniggeborene van de Vader, die in de hemelen is (Joh. 1 : 14). In de incarnatie is Hij gebleven wat Hij was, n.l. God uit God en Hij is geworden, wat Hij niet was, mens, waarachtig mens.
Waarom moest het Woord vlees worden?
Wat mag de Almachtige God bewogen hebben om de mens te scheppen? Zijn welbehagen om door de mens gekend te worden. Immers kennis van God is het leven van de mens. „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de Enige en Waarachtige God en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt" (Joh. 17 : 3).
En wat mag de eeuwige God bewogen hebben tot de incarnatie?
De Heere Jezus heeft duidelijk gezegd, dat Hij is gekomen, opdat zij (Zijn schapen) het leven en overvloed hebben (Johannes 10 : 10).
Zonder de vleeswording des Woords geen leven ook niet voor degenen, die de Vader Hem gegeven heeft. Ook zij liggen onder de toorn Gods vanwege de zonde, ook zij derven het leven, ook zij worden evenals alle mensen in ongerechtigheid geboren. Zij zijn verloren schapen. Edoch, zij zijn kinderen van Zijn welbehagen, kinderen Zijner verkiezing van voor de grondlegging der wereld, verkoren in de Zoon; „opdat zij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in liefde" (vgl. Efeze 1 : 4). Ze zijn verordineerd tot het kindschap Gods door Christus Jezus (Efeze 1 : 5). Wat dat betekent kunnen we verstaan uit het Evangelie van Johannes: „Zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, n.l. die in Zijn Naam geloven", en dan volgt — „welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vlezes, maar uit God geboren zijn" (Joh. 1 : 12 en 13).
De zonde der mensheid heeft het welbehagen Gods niet te niet gedaan, ofschoon zij werd getroffen door vloek en dood. „Alzo Hef heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe" (Joh. 3 : 16). De liefde Gods gaat uit naar het Zijne.
De vleeswording des Woords is een genadegave Gods, een teken van Zijn welbehagen. Het vleesgeworden Woord is de door God geschonken Weg ten leven. De mens van Gods verkiezing is een nieuwe mens, een nieuw schepsel. Die nieuwe mens heeft God in Christus geschapen. Die in Christus is, is een nieuw schepsel. De gemeente Gods is een nieuwe schepping Gods. In Christus geschapen (Efeze 2 : 10).
De incarnatie is vernieuwing der schepping. Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. Zij is verzoening met God, uitdelging van schuld, wegneming van de vijandschap Gods, verlossing van de heerschappij van zonde en verderf.
Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.
De Zoon is bereid geweest, die weg te effenen en die weg te zijn. God haat de zonde en de ongerechtigheid en die de zonde doet. Hij kan ze niet zien. Vandaar de gloed van Zijn toorn.
De incarnatie van de Zoon bracht mede, dat aan die toorn zou worden genoeggedaan m.a.w., dat alle gerechtigheid zou worden voldaan. Geworden uit een vrouw, in de gelijkheid van ons zondige vlees. Dat was de weg om de straf en de schuld, die op ons drukt, op Zich te nemen.
Incarnatie is de zonde en schuld der wereld op zich nemen, incarnatie is de straf ondergaan en de schuld boeten met de dood. Als de aardse mens moet boeten, komt er in der eeuwigheid geen eind aan. Dan gaat hij onder in een eeuwige dood.
Maar Christus is uit God geboren. Hij kan het leven afleggen, als Hij wil en wederom tot Zich nemen. Dat heeft de Vader Hem gegeven. Hij is het uitgedrukte beeld van de goddelijke zelfstandigheid.
Incarnatie betekent de zondedood van de mens vrijwillig sterven, en opstaan in nieuwigheid des levens.
Die vernieuwing had Hij voor Zichzelf niet nodig, want Hij was God uit God, doch Hij is vlees geworden om voor degenen, die de Vader Hem gegeven heeft, de vloekdood te sterven tot overwinning en ze het eeuwige leven te schenken. Hij heeft ons, met nadruk ons, sterfelijke vlees aangenomen om daaraan Zijn onsterfelijkheid te schenken (vgl. Joh. Calvijn Inst. IV 17.2.).
De wedergeboorte van het heelal.
De incarnatie is, zoals we gezien hebben, herschepping. Creatie en incarnatie, schepping en herschepping vormen de grote werken Gods. Zoals de schepping nog altijd doorwerkt in de instandhouding der wereld en in de voorzienige Godsregering, zo werkt ook de incarnatie door onder de machtige heerschappij van de Christus, die gezeten is aan de rechterhand Gods. Hij vergadert Zijn gemeente uit alle tong en volk en natie; Hij is opgevaren naar de Vader om de Zijnen plaats te bereiden en een nieuwe hemel en nieuwe aarde toe te bereiden.
Het is n.l. ook des Vaders welbehagen in Christus alles tot één te vergaderen, beide dat in de hemel en op de aarde is. (Efeze 1 : 10). Dat werk van herschepping van hemel en aarde is reeds in gang (Rom. 8 : 23). Als de Raad Gods omtrent deze dingen zijn vervulling nadert, breekt de volheid des tijds aan. Dan komt de Christus weder op de wolken des hemels en aller oog zal Hem zien. Ook, die Hem doorstoken hebben.
De zee en de aarde geven hun doden weer. De vierschaar wordt gespannen. Christus aan Wie het oordeel is gegeven, zal ook daarin genoegdoen aan alle gerechtigheid, dat Hij ze allen, die Zijn Woord hebben versmaad, Zijn genade veracht, en in ongehoorzaamheid hebben volhard, verwijst naar de oorden van eeuwig verderf. „Die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toom Gods blijft op hem. (Joh. 3 : 36).
De incarnatie is het oordeel der ongelovigen. „Indien Ik niet gekomen ware en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben ze geen voorwendsel voor hun zonde (Joh. 15 vers 22).
Maar tot Zijn discipelen zegt Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israels.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1962
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1962
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's