De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ACHT GEVEN OP ZO GROTE ZALIGHEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ACHT GEVEN OP ZO GROTE ZALIGHEID

9 minuten leestijd

De klacht is langzamerhand wel algemeen, dat wij met de wijze waarop wij het Kerstfeest vieren, steeds meer verzanden in een mystiek en romantiek. Van beide zijn wij eigenlijk nooit goed aan de Middeleeuwen ontgroeid en men kan de vraag stellen of Mer naast andere ook theologische oorzaken aan ten grondslag liggen.

Bij geen ander heilsfeit hebben de omstandigheden ervan de menselijke gevoeligheid zo sterk aangesproken als hier. De schamelheid van de stal, de kribbe, de nachtelijke engelenzang bij de herders in de velden, de wijzen uit het oosten en de kindermoord door Herodes schijnen het vaak te hebben gewonnen van de doornenkroon, het geopende graf, de verschijningen en de verdeelde tongen als van vuur. Het ligt wellicht dichter bij de mens dan de andere „hoge" feesten. Tot romantisering leent het zich sneller dan de andere heilsfeiten. Goede Vrijdag, Pasen of Pinksteren. En de heidense oorsprong van onze kerstviering werkt er ook nog toe mee.

Het is duidelijk dat de eigenlijke betekenis van Kerstmis bijzonder snel overwoekerd dreigt te worden en ons zal ontgaan. Het authentieke heilsfeit blijft in de mist.

Toch is de mystiek hier niet minder schuldig aan dan de al te menselijke romantisering. De theologie van het piëtisme heeft zich vaak aan de rand van een gevaarlijke mystiek bewogen, al zijn haar goede bedoelingen wel buiten kijf. We denken b.v. slechts aan een versje van Tersteegen: „al was Christus duizendmaal in Bethlehem geboren en niet in mijn hart, dan was ik nog voorgoed verloren." Zijn bedoeling is niet onjuist en onschriftuurlijk, door ongeloof en onbekeerlijkheid heeft men uiteindelijk geen deel aan de rijkdom van bet kerstevangelie. Het is een zwakke vertolking van het „Wee ons, indien wij op zo grote zaligheid geen acht geven." Maar wil Tersteegen ons niet tevens suggereren dat het eigenlijke Kerstgebeuren niet in Bethlehem heeft plaatsgevonden, maar eerst plaatsvindt in het hart der gelovigen? Blijft op deze wijze het accent niet gericht op het maar dikwijls toch al zo vrome en zelfgenoegzame ik? Het is uitermate schadelijk voor het geestelijk leven, als het heilsfeit van de geboorte van Christus gehuld wordt in de nevelen van egocentrische ervaringen van een altijd zondig hart.

In de Schrift staat de diepte in onlosmakelijk verband met de breedte, met de universele perspectieven die het Kerstgebeuren openbaart, Dit verband mag niet verbroken worden. Het individuele en het universele is nauw verbonden, het persoonlijke van hoe de enkele zondaar ingebed wordt in het wonder der vleeswording van Immanuël, God met ons, is betrokken op het universele, wat men zou kunnen noemen de kosmische, wereldomvattende betekenis van de geboorte der Messias. Men moet beide kanten niet zelfstandig tegenover elkaar stellen. Als men soms moeite doet ze dan beide recht te doen, dan heeft men reeds de diepte ten koste van de breedte of de breedte ten koste van de diepte overspannen. Als men zich moeite geeft hen te harmoniëren, dan heeft men reeds overwogen dat ze los van elkaar zouden kunnen staan.

In het messiaanse heilsverlangen van het Oude Testament vinden we reeds dat ze elkaar veronderstellen. De Messias komt als de Zaligmaker, Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden. Maar in Zijn overwinning op de zonde, reeds in Zijn komst op aarde, wordt juist de souvereiniteit Gods over de wereld opnieuw bevestigd. In de verzoening ligt Christus' Koningschap geworteld. De vloek van dezelfde zonden, die in het mensenhart door Zijn plaatsvervangend lijden en sterven wordt overwonnen, wordt van de wereld weggenomen. De ruimte voor Zijn heilig en eeuwig leven wordt gesteld.

Vandaar dat juist op de hoogtepunten van de oudtestamentische profetie de horizonten zich verwijden en de einden der aarde in zicht komen. „De aarde zal vol zijn van de kennis des Heeren gelijk de wateren de bodem der zee bedekken". „En bet zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des Heeren vast staan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volken zullen derwaarts heenstromen en vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heeren, naar het huis van den God Jacobs, opdat Hij ons Here aangaande Zijn wegen en opdat wij Zijn paden bewandelen." Dit zijn dezelfde dagen, waarvan het heet: „Zie de dagen komen, dat ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten: ... Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die schrijven in hun hart, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn ... Want zij zullen Mij allen kennen, klein en groot; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden zal Ik niet meer gedenken." Dit zijn de dagen van het Messiaanse Koningschap: „Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij 't sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid." Dit is een poëzie rond de Vleeswording, waar wij door onze romantiek en mystiek vaak niet aan toe komen.

Het universele en persoonlijke liggen evenzeer verbonden in de prediking van Johannes de Doper: „Bekeert u, want het Koninkrijk der Hemelen is nabij gekomen." Op een dergelijke messiaanse wijze kan tegenwoordig het kerstevangelie nauwelijks meer worden gebracht, maar de rond Johannes toestromende schare klonken deze woorden niet vreemd in de oren. Zij kenden de Schriften en wisten wat de komst van de Messias zou inhouden, want ondanks de veelal nationalistische interpretatie hadden ze het verband van de Christus met Zijn Koninkrijk juist verstaan. De Heere Jezus neemt Johannes' prediking zonder meer over, en betrekt de verwachting op zichzelf, steeds de Goddelijke volmacht van Zijn woorden beklemtonend. Marcus 1 vers 14 en 15 zegt: En nadat Johannes was overgeleverd ging Jezus naar Galilea om het evangelie Gods te prediken, zeggende: De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Bekeert u en gelooft het Evangelie.

In de Naam des Vaders eist Christus het gehele hart — ook de hele wereld op. Wij beseffen nauwelijks meer hoe belangrijk het in de Schrift is, dat het aardrijk om onzentwil vervloekt is, gewoon als we zijn niet verder te zien dan de eigen ellende zonder de consequenties daarvan. Wij lijden aan onszelf, maar dat God en Zijn wereld aan ons lijden maken we ons ternauwernood bewust. Maar dat treedt in de verlossing duidelijk aan het licht. De schepping, die zucht onder de vloek moet bevrijd worden. Zij lijdt mee om de zonde, om de schuld der mensen, en zucht als in barensnood om bevrijd te worden uit de slavernij der verderfenis.

Het messiaanse heil staat direct in een wereldomvattend verband, inderdaad representeert Christus een universele liefde, omdat Zijn Koninkrijk universeel is.

In Zijn vleeswording neemt Zijn middelaarschap gestalte aan, Zijn middelaarschap van mens en schepping, om in Zijn vlees de dood te overwinnen (1 Petrus 3 : 18). Zijn werk, merkt Köhlbrugge op, gaat van Zijn geboorte af op onze realiteit van nood en dood in. Ons vlees, waarmee wij Gods Koninkrijk ontkenden, neemt Hij aan om verzoening teweeg te brengen. In plaats van hetgeen uit het vlees is, stelt Hij hetgeen uit God is. Hij is gezonden als Heiland der wereld (1 Johannes 4 : 14). Al wat uit God geboren is, overwint de wereld, en stelt het eeuwige leven van Zijn Koninkrijk.

Wij moeten ons de vraag stellen in hoeverre de volheid van deze nieuwe werkelijikheid in onze beleving van het kerstevangelie tot zijn recht komt. Gedachten in de trant van Tersteegen mogen niet worden verzelfstandigd. De subjectieve heilsbeleving staat centraal bij hem, maar hangt tegelijk in de lucht, omdat zij niet is gegrond in de objectieve heilsdaad Gods. Aan de andere kant is het even gevaarlijk te speculeren over de wereldhistorische aspecten van Christus' geboorte, en te vergeten dat Hij deze aspecten verwerkelijkte door als de goede Herder te komen om het ene verloren schaap te zoeken.

Maar het wordt zo dikwijls vergeten, dat, hoezeer het geloof ook een persoonlijke zaak is, de mens als enkeling niet kan bestaan, maar dat hij in allerlei verbanden gezet is krachtens de schepping, in relatie tot God, de naaste en de wereld, kortom dat hij moet leven. Verhoudingen die verstoord werden door de zonde, en die in principe in de komst van Christus weer zijn hersteld.

Zo schijnt het licht van het kerstevangelie niet slechts in het hart van de berouwvolle zondaar, het straalt ook over alle relatie's waarin de mens is gesteld, of over de volle breedte van het Koninkrijk Gods. In de kerstnacht horen wij een introïtus van het loflied der herschepping in de voleinding der wereld wanneer God weer zal zeggen: Ziet het is alles zeer goed wat Ik (her-)geschapen heb. Dat is de vrede, de vernieuwing van de verstoorde verhoudingen, overglansd door de verzoening waardoor deze vrede de paradijsorde nog te boven gaat, waarover de engelen jubelen, maar die eerst nog in de weg van het zwaard zal worden gerealiseerd. Wij zijn nog niet op de nieuwe hemel en aarde, maar in de kerstnacht breekt deze dag des heils reeds aan. De engelenzang moedigt het geloof aan om vol vreugde mee te zingen in dit praeludium waarin de eer Gods aangeheven wordt in de herstelling van — om met Gunning te spreken — de eenheid des levens.

Indien wij het kerstevangelie eenzijdig subjectief doortrekken, doen wij een slag in de lucht. Er ontstaat een vacuum waar de volheid van het 'messiaanse heil aanwezig hoort te zijn. We laten de scheur der zonde voortbestaan, en miskennen het heil, wat immers wil zeggen: het helen van wat uiteen ligt. Dan prediken wij niet meer de Christus der Schriften. En daarom moeten wij accentueren; Wee ons, indien wij op zo gróte zaligheid geen acht geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1962

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

ACHT GEVEN OP ZO GROTE ZALIGHEID

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1962

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's