Uit het nieuwe Testament
OPENBARINGEN 20 HET DUIZENDJARIG RIJK (47)
Ditmaal geven wij onze aandacht aan wat in Openbaring 20 nog verder staat aangaande de bijzondere heerlijkheid, waarin Christus' getrouwe belijders gedurende de duizend jaren zullen delen,
Er staat allereerst, dat hun het oordeel werd gegeven. Natuurlijk moeten wij hier niet denken aan het eindoordeel. Wel aan een zekere bevoegdheid om mede te oordelen over de dingen, aan een recht en macht, om een oordeel ergens over uit te spreken en vonnis te vellen. Wat dit precies inhoudt, is moeilijk te zeggen. In elk geval betekent het, dat zij ook over het kwaad vonnis vellen en het herstel van het recht Gods eisen tegenover alles, wat Zijn Naam ontheiligt en de voortgang van Zijn Koninkrijk tegenstaat. Wie hier zou willen vragen, hoe dit mogelijk is, wanneer inderdaad dit gedeelte van het visioen ons in de hemel verplaatst, die lette er op, dat ook in Openbaring 6 vers 9 en 10 een dergelijke gedachte in de Schrift voorkomt.
Vervolgens wordt van de getrouwe belijders gezegd, dat zij met Christus als koningen heersen de duizend jaren. In vers 6 wordt dit eigenlijk herhaald. Op dit feit valt dus bijzondere nadruk. Zij ontvangen niet alleen een rechterlijke bevoegdheid, doch vooral een koninklijke.
Ja meer nog, er staat in vers 6 bij, dat zij priesters van God en van Christus zijn.
Wat legt de Schrift er herhaaldelijk nadruk op, dat het Gods wil is, dat de mens zou zijn, behalve profeet, die Zijn Naam belijdt, ook koning, die onder Hem over al het geschapene regeert en priester, die zijn leven in Zijn dienst stelt. Eénmaal was het de glorie van de mens in het paradijs, dat hij alzo stond voor Gods aangezicht. Door de zondeval heeft hij die glorie verspeeld. Doch wie gelooft in Christus, Die Zelf Profeet, Priester, Koning is in geheel enige zin van het woord, wordt opnieuw in deze glorie hersteld. Als, een schaduw en profetie van dit alles had God onder Israël het priester- en koningschap ingesteld, Echter, in de bedeling der schaduwen lagen beide van elkaar gescheiden. En wat keert de glorie van dit priester- en koningschap in het leven van de gelovige hier op aarde nog maar ten dele terug. Maar éénmaal zal ze in volkomenheid en in volmaakte harmonie terugkeren. Dat zal zijn in het eeuwige Koninkrijk op de nieuwe aarde, overkoepeld door de nieuwe hemel, na de opstanding des vleses. Maar het behoort tevens tot de heerlijkheid, aan de getrouwe belijders van Christus in het duizendjarig rijk gegeven, dat ook dan reeds bij hen het koning- en priesterschap in harmonieuze glorie schitteren zullen. De koningen, die heersen, zijn er tegelijk de priesters, die dankend dienen en deze dienaren dragen tegelijk de kroon,
Met dat al vinden wij hier dan de bevestiging van wat wij b.v. lezen in Openbaring 5 vers 10, waar staat, dat de vier en twintig ouderlingen, de vertegenwoordigers van de verloste Kerk in de hemel, zingen het nieuwe lied: „Gij hebt ons onze God gemaakt tot koningen en priesters".
En wij kunnen hier aan toevoegen: wat Johannes dus aanschouwt, is een stukje herstel van dat oorspronkelijke sieraad, dat bij de schepping aan de mens gegeven was, dat hij priesterlijk zou regeren en koninklijk zou dienen. En in dit herstel aanschouwt de Vader reeds in wondere schakering het beeld van Zijn Zoon, Die Zich heeft gegeven om dit herstel te bewerkstelligen.
Nu rijzen hier wel andere vragen. Wanneer wij het inderdaad zó moeten zien, dat ook dat gedeelte van het visioen spreekt van een bijzondere hemelse heerlijkheid gedurende de duizend jaren, hoe moeten wij dat dan opvatten, dat de zaligen mét Christus heerschappij voeren en oordelen? Heeft Christus, aan Wien alle macht is gegeven in hemel en op aarde, in de uitoefening van Zijn regering Zijn heiligen nodiq? En op welke wijze kunnen zij Zijn medearbeiders zijn, zonder dat ook maar iets van Zijn geheel enige glorie wordt afgedaan?
Natuurlijk mag aan dit laatste niets worden afgedaan. Doch die exegeten. die dit visioen in bovengenoemde zin uitleggen, wijzen er op, dat wij hier toch wel zouden mogen denken aan het feit, dat vaak reeds ontslapen dienaren en dienaressen Gods nog invloed uitoefenen in het leven op aarde. Zij zijn reeds naar de ziel in de hemel, doch het is, alsof zij van daaruit nog een lichtend spoor trekken door de kerk- en wereldgeschiedenis. Daar zijn b.v. de apostelen des Heeren en andere „groten" in het Koninkrijk Gods, Augustinus, Luther, Calvijn en zovele anderen. Na hun heengaan van de aarde spreken zij nog door wat zij getuigd en nagelaten hebben, en zij oefenen invloed uit, vooral op de ontwikkeling van het belijden en het leven der Kerk. En dit geldt toch niet alleen van deze „groten" in het Koninkrijk Gods. Niet voor niets staat er in Spreuken 10 vers 7: „De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn. Spreken velen van Gods kinderen niet lang nog, nadat zij gestorven zijn? En wie zal zeggen, welke invloed zij vaak nog mogen uitoefenen op de ontwikkeling in het leven van die op aarde na hen komen? En stellig zullen wij hier dan nog aan iets anders kunnen denken. Wij merkten reeds op, dat wij in die hemelse glorie van Christus' getrouwe belijders een stukje herstel mogen zien van de oorspronkelijke heerlijkheid, éénmaal aan de mens in het paradijs gegeven. Zo zouden wij ook dit heersen van de zaligen in de hemel kunnen zien als een regeren met Christus over alle creaturen, een heilige medezeggenschap over alle schepselen, natuurlijk wel onderworpen aan God en aan Zijn Christus.
Hoe wij ons dit alles precies moeten voorstellen, — het is ons niet geopenbaard. Zoals meerdere dingen, juist van de hemelse heerlijkheid, én van de eeuwige toekomst, ons niet zijn geopenbaard. Voor veel van deze dingen hangt een sluier en veel behoort hier tot de geheimenissen Gods. En achter dit gordijn mogen wij niet willen indringen.
Toch mogen wij, juist als ons het leven des geloofs niet vreemd is, tróóst putten uit de wetenschap, dat deze hoge dingen er wél zijn. Wanneer, wij inderdaad ook dit gedeelte van het visioen van het duizendjarig rijk in bovengenoemde zin mogen opvatten, wat zegt het ons dan weer op een geheel eigen wijze, dat voor de oprecht gelovigen het lijden en de strijd hier verwisseld worden in glorie daar. En hoe worden ook door die glorie de boze en zijn macht beschaamd! Satan probeert telkens weer hier op aarde Gods kinderen te bestrijden, te vervolgen en als hij kan, zelfs te doden. En alzo schept hij behagen in hun dood. Maar ook dit gedeelte van het visioen zegt ons dan, dat, juist, wanneer hij in zijn vijandschap tegen hen tot het uiterste gaat en hij hen in de dood jaagt, hij dus eigenlijk niets anders doet, dan er aan meewerken, dat zij zo spoedig mogelijk op de troon komen. Immers, wanneer hij hen om hun geloof doet sterven, gaan zij naar de ziel de heerlijkheid binnen en zijn als koningen gezeten op de troon!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's