De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONZE CATECHISMUS (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONZE CATECHISMUS (3)

8 minuten leestijd

Met de nieuwe (gereformeerde) kerkorde werd dan de catechismus in de kerk van de Paltz in gebruik genomen.

Er brak in het overige Duitsland een geweldige kritiek los op Frederiks kerkelijke vernieuwingen. De theologen bestreden de catechismus in tal van vlugschriften. Er verscheen een hele lijst van dwalingen, die in de catechismus zouden voorkomen. De voornaamste grieven waren, dat in vr 32 bij de bepaling van het christen-zijn de doop is over het hoofd gezien; dat de sacramenten niet instrumenten of werktuig, maar slechts tekenen en zegelen der genade worden genoemd; dat niet geleerd wordt de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in het Avondmaal; en dat de vragen over de hemelvaart van Christus leiden tot de ontkenning van die tegenwoordigheid. De gereformeerden hebben telkens weer deze aantijgingen weerlegd en hielden staande, dat ook zij erkenden het waarachtig vlees en bloed van Christus in het Avondmaal te genieten, doch in de Heilige Geest. Vooral Ursinus heeft menigmaal de degen met zijn tegenstanders gekruist.

Ook de keurvorst zelf is dadelijk voor zijn catechismus in het krijt getreden. Bevriende vorsten vermaanden hem herhaaldelijk zijn vernieuwingen terug te nemen. Ook zijn eigen zoon en schoonzoon had hij tegen. In een brief aan de vorsten schreef hij over het leerboek: Onze catechismus is als zodanig, niet op enige leer van mensen, maar op Gods Woord alleen gegrond, hetgeen blijkt uit de op de rand aangehaalde Schriftplaatsen. Naardien nu zulke fundamenten der goddelijke Schrift, waarop onze catechismus is gevestigd, vast en onomstotelijk blijven, zo konden wij ons niet herinneren, dat zo'n catechismus valse of slechte leer bevatte en daarom zou te veroordelen zijn, of men moest tegelijk de goddelijke Schrift willen verwerpen en veroordelen.

Zijn schoonzoon meende hem hard te moeten aanpakken, waarop Frederik antwoordde: Dat ik in de muil van de satan zou gevallen zijn en gij u beijverd hebt mij daaruit te rukken, dat weet ik door Gods genade beter. Want ik ben geheel het eigendom van mijn lieve en getrouwe Heiland Jezus Christus naar lichaam en ziel in leven en sterven, ik heb Hem ook teveel gekost, dan dat hij mij in de muil des duivels zou overgeven, omdat Hij mij met Zijn dierbaar bloed heeft gekocht. Zo weet en geloof ik ongetwijfeld, dat de duivel met al zijn listen en kunsten zonder de wil mijns Vaders in de hemel mij het kleinste haar niet krenken, laat staan uitrukken kan.,

We merken, hoe Frederik de inhoud van de catechismus geheel in zich had opgenomen. Hij beleefde die. 

De hoofdaanval tegen de keurvorst en zijn catechismus is gekomen op de Rijksdag te Augsburg in 1566. In 1565 had de keizer Maximiliaan reeds de keurvorst bevolen zijn vernieuwingen af te schaffen. Er werd gefluisterd, dat Frederik zijn keurvorstelijke waardigheid zou verliezen, en hij zelf rekende er op, dat men op de aanstaande Rijksdag tegen hem geweld zou gebruiken. Maar hij was — zoals hij aan zijn broer op diens waarschuwingen schreef — besloten „de naam des Heeren niet alleen met de mond maar ook met de daad te belijden".

Zo begaf de keurvorst zich getroost naar Augsburg, in het vertrouwen „dat God machtig was hem te bewaren, al zou het er ook van komen, dat het bloed moest kosten".

Op de Rijksdag stond Frederik geheel alleen. Achter de vorstelijke tegenstanders stonden hun (lutherse) theologen en achter de keizer stonden de bisschoppen van Worms en Spiers met de pauselijke nuntius. De keizer wilde hem eigenlijk buiten de Augsburgse godsdienstvrede sluiten, maar dat ging de meeste evangelische vorsten toch te ver. Zij voelden wel, dat daarmee de zaak der reformatie tegenover Rome niet gediend zou zijn.

Tussen haakjes: de godsdienstvrede van Augsburg (1555) bepaalde, dat de rijksstanden niet beoorloogd mochten worden, of zij protestants of rooms waren; en dat de vorst besliste welke godsdienst in zijn gebied de heersende zou zijn. Dit verdrag gold alleen de protestanten voor zover zij de Augsburgse confessie erkenden. De Zwinglianen waren van deze godsdienstvrede uitgesloten.

De keizer kon dan niet gedaan krijgen, dat Frederik buiten de godsdienstvrede zou gesloten worden, maar wist wel het eenstemmig Rijksdagbesluit door te zetten, dat de keurvorst geboden werd alle veranderingen af te schaffen, onder de bedreiging van het nemen van strengen maatregelen bij weigering.

In de zitting van veertien mei werd Frederik dit besluit meegedeeld. Na een korte bedenktijd verscheen hij — naar oude ovenlevering gevolgd door zijn zoon Johann Casimir, die hem de Bijbel nadroeg — weer voor de standen en verklaarde, „dat hij in gewetens- en geloofszaken slechts één Heer erkende, die een Heere aller heren en Koning aller koningen is". „In deze zaak ging het maar niet om een helm vol vlees, maar om de ziel en haar zaligheid, waarover niet de keizer, maar God te gebieden had. Hij had nooit gehandeld in strijd met de Augsburgse confessie. En hij was bereid zich uit Gods Woord door ieder beter te laten onderrichten". Zijn slotwoorden waren: „Overigens vertroost ik mij daarmee, dat mijn Heere en Heiland Jezus Christus mij met al Zijn gelovigen deze gewisse belofte Gods gedaan heeft, dat alles wat ik om Zijn eer of om Zijns naams wil zou verliezen, mij in de andere wereld duizendvoudig zal vergoed worden. Daarmee beveel ik mij onderdanig aan de genade uwer Keizerlijke Majesteit".

Dit moedig geloofsgetuigenis maakte zeer diepe indruk op de vergaderde vorsten. De keizer mocht beweren dat „men dit ongedierte moest verdelgen", hij bereikte niets. Tevergeefs trachtte hij de evangelische standen te bewegen tot de verklaring Frederik niet te erkennen als aanhanger der Augsburgse confessie. Eén der vorsten zei tegen omstanders: „Waarom bestrijden we deze goede vorst, die vromer is dan wij allen? "

Opgewekt keerde de keurvorst weer naar Heidelberg terug, vast besloten voort te gaan op de ingeslagen weg. Met heilige ijver en toewijding heeft hij zich in zijn verder leven mogen geven aan de bevordering van het gereformeerde kerkelijk leven in de Paltz. Met recht heeft men steeds in Frederik III het voorbeeld van de christelijke vorst gezien. Niet voor niets draagt hij in de geschiedenis de naam van Frederik de Vrome. Hij is één van de weinige groten der aarde, wier woord en daad getuigenis afleggen van persoonlijke godsvrucht niet alleen, maar ook van het zoeken van het waarachtig heil hunner onderdanen. Ook zijn tegenstanders konden niet ontkennen, dat hij zich gewetensvol naar Gods Woord zocht te richten en het welzijn zijner onderdanen te bevorderen. Door een christelijke levensorde en - tucht in zijn gezin en strengheid van zeden gaf hij zijn volk het beste voorbeeld. Hij zorgde voor goede scholen, stichtte wees- en ziekenhuizen.

De laatste jaren van zijn leven heeft deze grote in het Koninkrijk der hemelen door een borstkwaal veel geleden, hetgeen echter slechts dienen mocht tot verdieping van zijn geloofsleven. Zijn ziekbed was zeer smartelijk; daarbij voegde zich veel huiselijk verdriet; van zijn elf kinderen gingen er hem vijf voor in de dood, zijn gemalin Maria, met wie hij zo geheel eensgeestes was, ontviel hem, zijn reeds genoemde schoonzoon berokkende hem veel smart, maar de enige Troost verliet hem niet.

Lodewijk, de oudste zoon en dus de opvolger, was tot groot verdriet van zijn vader luthers gebleven. Toen Frederik zijn einde voelde naderen, kon hij dan ook niet hopen, dat zijn zoon in zijn voetstappen zou treden. „Mijn Lutz (afk. van Ludwig) zal het niet doen'', zei hij dan, „maar hij zal geen grote vervolger worden, want hij is van nature vroom en goedig". Helaas heeft z'n vaderlijke goedheid verkeerd gezien. Lodewijk heeft na de dood van zijn vader alles gedaan om wat zijn vader had opgebouwd af te breken en ook de laatste sporen van het gereformeerde kerkelijke leven uit te wissen.

Op zijn sterfbed sprak Frederik tot, de omstanders o.a.: „Ik heb voor u en de kerk lang genoeg geleefd, nu wordt ik tot een beter leven geroepen. Ik heb voor dé kerk zoveel gedaan als ik kon, maar ik vermocht niet veel. God, Die alles vermag, en voor Zijn knechten gezorgd heeft, voordat ik in de wereld kwam, leeft en heerst in de hemel; Hij zal u geen wezen en mijn tranen en gebed, dat ik in dit vertrek knielend gedaan heb tot God voor mijn opvolgers en voor de kerk, niet zonder vruchten laten". Tot Olevianus zei hij: „Ik ben lang genoeg opgehouden door het vrome gebed der christenen; het is tijd, dat ik mijn leven eindig en tot mijn Heiland in de ware rust worde overgebracht". Nadat hij zich nog Ps. 31 en Joh. 17 had laten voorlezen, ontsliep hij, 61 jaar oud, op 26 oktober 1576.

Boquinus zei in zijn lijkrede: Als het bij 't martelaarschap op de gerechtigheid der zaak, op de zielsstemming, op de blijde bereddwilligheid tot het lijden aankomt, dan mogen we deze heerlijke vorst tot de martelaren van Christus rekenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONZE CATECHISMUS (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's