Boekbespreking
Dr. W. Nijsnhuis : Enkele actuele vragen betreffende de Oecumene. Ing., 30 pag., 1962. Veenman, Wageningen.
Dr. Nijenhuis heeft een brochure geschreven met bovengenoemde titel. De actuele vragen zijn vier in getal:
1. De oecumene en de wereldgodsdiensten.
2. De oecumene en Israël.
3. De oecumene en Rome.
4. De oecumene en de reformatorische kerken in Nederland.
Deze vragencomplexen worden voorafgegaan door de beantwoording van twee principiële vragen, die in het centrum van de oecumenische discussie liggen, n.l. die naar de fundamenten en het karakter van 'de eenheid van de kerk.
Bij de vraag naar de fundamenten van de eenheid der kerk schetst de schrijver de twee stromingen die er waren in New-Delhi. De eerste legt de nadruk op de eenheid in dogma en kerkorde bij alle oecumenische arbeid, terwijl de ander aan samenwerking tussen de kerkorde prioriteit verleent.
De reformatorische kerken geven de voorkeur aan het eerste standpunt. Zij krijgen van Dr. N. twee vermaningen mee, n.l. dat de waarheid nog iets anders is dan de formulering van de waarheid en dat de huidige kerkorden niet absoluut zijn.
De belijdenis en de kerkorde moeten dienstbaar zijn aan de taak van Christus' gemeente in de wereld.
Daaruit blijkt dat de oecumene alles in beweging zet en dat het al dynamiek is wat de oecumenische klok slaat.
Bij de tweede principiële vraag, n.l. naar het karakter van de eenheid der kerken, komen vijf vormen van „eenheid" aan de orde.
Hierbij komt het schema: zichtbaar-onzichtbaar binnen het gezichtsveld. De Wereldraad van kerken koos aanvankelijk geen positie, maar dat is veranderd. Sinds New-Delhi is het uiteindelijk doel van de oecumene: de zichtbare eenheid van Christus' Kerk. Deze eenheid zal van structureel organisatorische aard moeten zijn.
Dat hier geen spanning meer gevoeld wordt tussen de zichtbare- en onzichtbare kerk, doet voor de toekomst het ergste vrezen, omdat bepaalde organisatorische eenheidsstructuren in onze vaderlandse kerkgeschiedenis niet altijd, om niet te zeggen: zelden, bevorderlijk zijn geweest aan het geestelijk welzijn van de gemeente Gods. Laat staan in het geheel van de oecumene ! Zijn de leiders van de oecumenische beweging dan niet beducht voor een ontwikkeling van een wereldomspannend eenheidsinstituut, dat één groot aangrijpingspunt vormt voor de vervalsing van de leer ? Met geen woord wordt over deze dreiging gesproken, terwijl de bijbel toch zo indringend over de verleugening van de kerk spreekt, zó zelfs, dat zij in plaats van lichaam en instrument van de Here Jezus Christus, instrument' wordt van de Anti-Christ. Dit laatste is uiteraard niet de bedoeling van deze leiders in de oecumene, maar past hier niet een veel critischer houding tegenover onszelf en andere kerken, zo, dat de eenheid doorgloeid wordt met de waarheid en omgekeerd ?
Dat deze gedachten geen schrikbeelden zijn, blijkt ook wel uit het hoofdstuk over: De oecumene en de wereldgodsdiensten. Wat in New- Delhi over de wereldgodsdiensten in positieve zin is gedacht en gesproken, is eenvoudig om te schrikken. Bijv. : „Wij moeten het gesprek over Christus met hen (de andere wereldgodsdiensten) opnemen in het besef, dat Christus tot hen door ons en tot ons door hen spreekt". (Vet gedrukte van ons).
Deze gedachte vind ik eenvoudig ontstellend. Het gaat mij niet zozeer over de vraag, of Christus tot hen door ons spreekt. Want dit kan alleen, wanneer v/ij als geroepenen alleen Christus' Woord spreken. Maar het gaat mij over de vraag, die ook Westerse afgevaardigden beroerde, hoe Christus door de andere wereldgodsdiensten sprak en spreekt.
Hier is een scheiding van Woord en Geest aan de orde, die levensgevaarlijk is.
'k Verbind deze opmerking met de vorige om te laten zien, dat de waarheid waarlijk niet veilig is bij een samenwerking van kerken in de Wereldraad, laat staan bij het door haar voorgestane eenheidsinstituut.
Hoe langer hoe meer worden de oude zendingsmethoden via een — door Barth beïnvloede — oecumenische theologie gewijzigd in een gespreksvorm tussen het christelijk geloof en de andere geloven. De objectieve stand van zaken is toch voor alle volken en religies dezelfde ? Helaas blijkt ook Kraemer de strekking van Earth's theologie in dit opzicht te aanvaarden. .
Dat is voor de zending niet zonder gevaar! Sinds de aansluiting van de Internationale Zendingsraad bij de Wereldraad, is het ook voor de zending een zaak van uiterste waakzaamheid om te volharden bij de zendingsmethoden van Paulus en Barnabas, die geen gesprek aangingen, ook niet te Athene, maar de Here Jezus Christus als het Licht der wereld verkondigden vanuit Zijn Woord. Zij zeiden niet, dat zij niet wisten, wat God zou doen met deze mensen, maar gingen ervan uit, dat zij zonder God in de wereld waren en ook zonder hoop. Paulus zocht niet naar het kleinste gemene veelvoud als uitgangspunt voor het gesprek als de Indiase theoloog Devanandan, maar begon bij het Woord.
Dat zijn toch dingen, die onder ons volkomen zekerheid dienen te hebben ? Wij kunnen alles wel willen loswrikken, maar wanneer het gezaghebbend Woord Gods spreekt, houdt op dit punt alle discussie op en dient er alleen maar geloof en gehoorzaamheid te zijn.
Zelfde opmerkingen kunnen u gemaakt worden over het hoofdstuk: Oecumene en Israël. Ook hier is zending allang ingewisseld voor gesprek. „Het mag" — zo zegt een rapport van Bossey — „niet een eenzijdig spreken zijn van de zijde van de kerk, maar een gesprek, waarin wij zowel moeten luisteren als spreken, zowel ontvangen als geven, zowel leren als onderwijzen".
Waaruit moeten zij geleerd en wij onderwezen worden ? Uit het Oude Testament ? Geldt niet meer het woord van Paulus, dat zij beminden zijn om der vaderen wil, maar vijanden van het Evangelie ? Dat dit ook van een ieder van ons geldt, die niet waarlijk voor Christus buigt ?
In het voorlaatste hoofdstuk wordt de verhouding met Rome aan de orde gesteld. Vanzelfsprekend komt het Concilie ter sprake.
Het laatste hoofdstuk handelt over de oecumene en de reformatorische kerken in Nederland. De scheiding tussen de Hervormde Kerk en de (gereformeerde Kerken wordt — oecumenisch gezien — een binnenbrandje genoemd. De 18 en de 64 alsook de reacties van de Hervormde Kerk in haar geheel en van de Vrijzinnigen en de Gereformeerde Bond in het bijzonder, passeren de revue.
De achttien hebben bewegingsvrijheid nodig. De vereniging moet de gehele Hervormde Kerk en Gereformeerde Kerken meenemen en moet het apostolaat bevorderen.
Als tegenwicht tegen de eenzijdigheid, die een hervormd-gereformeerd gesprek zou bedreigen, moeten ook de Remonstranten gelijktijdig in dit gesprek betrokken worden. Prettig voor de Gereformeerden! De vrijzinnigheid en de Gereformeerde Bond zullen — volgens dr. N. — een bijzondere gelegenheid hebben hun eigen, resp. historische en eigentijdse bijdrage te leveren.
Prettig vooruitzicht voor deze beide groepen! Immers deze bijdrage is, wat de Gereformeerde Bond betreft, reeds geleverd in een minderheidsrapport inzake het rapport over de verkiezing. Wat is er met dit rapport gebeurd ? De Synode weigerde dit minderheidsrapport de kerk in te zenden. Sommige leden van de Commissie over de Uitverkiezing werden door anderen vervangen. Het resultaat was een éénheidsrapport, dat grotendeels de mening weergeeft van de middengroepen van de kerk. De Remonstranten zijn met dit rapport uiterst tevreden. Waarin kan nu nog de bijdrage van de Gereformeerde Bond in het gesprek met de Remonstrantse Broederschap bestaan, nu gebleken is, dat de essentie van het minderheidsrapport niet eens is verwerkt?
De bespreking van deze brochure moge aangeven, dat de inhoud wel zó belangrijk is, dat ieder, die meeleeft, ervan kennis moet nemen. Deze brochure is uiterst deskundig geschreven, al roept de inhoud allerlei tegenspraak op.
B.
R. Bijl, Oecumene en Belijdenis, ingen., 24 blz., 1962. Prijs ƒ 1, 25. H. Veenman, Wageningen.
Deze brochure is ontstaan uit een lezing. Bij de contacten tussen hervormden en gereformeerden wil dit werk in een tijd van groeiend oecumenisch besef dienstbaar zijn.
Na de grond in de existentie van de kerk te hebben aangegeven stelt ds. Bijl allerlei vormen van belijden aan de orde. Het belijdeniskarakter is wijd, zegt de schrijver. Zo wijd, dat allerlei vormen van belijden aan de confession de foi voorafgaan en de belijdenisgeschriften zo met het actuele belijden worden omgeven, dat zij bijna niet aan het woord komen.
Bovendien wordt hun gezag gerelativeerd vanuit de bijbel, de geschiedenis en de aardrijkskunde.
Wat blijft er over van de gemeenschap met de belijdenis des vaderen? M.i. niet veel. Daarbij worden er argumenten in het veld gebracht, die al zo vaak weerlegd zijn, dat het weinig zin heeft die hier te herhalen.
De oecumenische theologie in wording is het een en het al. Of het reformatorisch belijden in overeenstemming en gemeenschap is met de Heilige Schrift komt niet ter sprake.
Daarom is deze brochure zo onbevredigend. Het is al oecumene wat de klok slaat, maar waar is de bijbelse fundering.
Wie deze brochure lezen wil, zal veel oecumenisch gemeengoed vinden, veel opvattingen over het belijden der zonden, de invoering van de kerkorde veel dieper en intussen besproken zijn.
De oecumene wordt hoe langer hoe meer een zoeken van de grootste gemene deler, waarbij de Heilige Schrift hoe langer hoe minder meespreekt. Deze ontwikkeling te signaleren en daarvoor te waarschuwen is geen zaak van vreugde, maar is wel noodzakelijk!
Om de ontwikkeling van de oecumene en de oecumenische gedachten te kunnen volgen, kan het lezen van deze brochure dienstbaar zijn.
B
Clarence W. Hall, Abenteuer für Gott. Christliche Verlagsanstalt, Konstanz. Geb., 150 blz., prijs D.M. 10.80.
In dit boek zijn dertien zendingsverhalen samengebracht uit de zendingsarbeid van deze tijd. Zij spelen af in de meest verborgen oerwouden, op de meest afgelegen eilanden van de wereld. De zending van kerken der Methodisten, Presbyterianen, Luthersen, Episcopaten, Anglicanen enz. is er bij betrokken.
Dit boek wil een gedenkteken zijn voor de heldenmoed van de pioniers in de zendingsarbeid. Zij timmeren niet aan de weg maar worden door de schrijver even voor het voetlicht gehaald. Dat mag ook wel! Wanneer de zendingsliefde daardoor wordt aangewakkerd en het zendingsgebed verinnigd, is er de vrucht, die de schrijver bedoelt en beoogt. Zeer hartelijk aanbevolen!
B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's