De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

11 minuten leestijd

Onze vlag gestreken — De Kruisvlug blijft wapperen — Uit de klopper — De catechismus aan de mast gespijkerd.

Op de eerste januari van dit jaar is in Hollandia, de hoofdstad van Nieuw- Guinea, de Nederlandse vlag gestreken. Ieder onzer zal het in zijn dagblad gelezen hebben. Maar verder is er in de pers bij mijn weten weinig of geen aandacht aan geschonken. Men zweeg. „Begrijpelijk", zal deze en gene misschien zeggen. „Van weinig betekenis na alles wat er aan voorafging", zal een ander wellicht opmerken. Is dat wel zo?

Zie, als er een der onzen is gestorven, dan heeft de begrafenis toch wel haar zin en betekenis. Is ze niet de openbare en officiële afsluiting van dat leven? Zo ook hier. Het strijken van onze nationale vlag op Nieuw-Guinea is de afsluiting, de officiële, de definitieve beëindiging van een tijdperk, waarin „Holland groot was", om een paar woorden uit Potgieters monumentaal proza aan te halen.

Hollands grootheid was niet in alle opzichten gaaf. Wij hebben in onze koloniale politiek fouten gemaakt, zelfs grote fouten. Maar de keerzijde is er ook. Er zijn grondslagen gelegd voor een geordend politieke en sociale samenleving, welke waarborg waren voor een gezonde ontwikkeling tot zelfstandigheid.

Het is alles anders gelopen, dan verwacht en gehoopt werd. Ook op Nieuw- Guinea. Het heeft geen zin over dat verleden, nu uit te weiden. Een tijdperk, een belangrijk tijdperk in ons nationale bestaan is afgesloten. De Nederlandse vlag werd in Hollandia op 1 januari 1963 gestreken. Straks zal de Indonesische vlag, nu nog enkele maanden geflankeerd door die van de Verenigde Naties, alleen uitwaaien over heel Nieuw-Guinea. En dan? Zal er, naar het verdrag van New York, op de vastgestelde tijd een volksstemming worden gehouden? Zal Nieuw-Guinea zelfstandig worden of gelijk andere delen van het voormalig Ned.-Indië, onder directe zeggenschap van Djakarta komen? Wie zal het zeggen? Maar vóór alles klemt de vraag, hoe het zal gaan met de christelijke kerk in Nieuw-Guinea.

Evenals zovele Nederlanders onder wie ook, die werkten in de dienst van het Evangelie, is ds. Teutscher uit Nieuw- Guinea weggetrokken. In „Nieuws uit de Kerken", een geregeld voor de microfoon der N.C.R.V. verzorgde rubriek, beluisterde ik zondagavond 6 januari jl. een vraaggesprek, dat ds. T. had met een van de leidende predikanten der Papoeakerk. Deze predikant was met drie van zijn collega's, in verband met verdere studie, voor de tijd van drie jaren naar Nederland uitgezonden. Maar zijn Synode had hem na een jaar verzocht terug te keren, omdat zijn aanwezigheid in zijn vaderland dringend nodig was. Die terugroeping hing natuurlijk samen met de veranderde situatie daar. Dankbaar voor wat hij in dat jaar in Nederland aan kennis en dieper inzicht had verkregen — ook zijn vrouw had, naar zij mededeelde, veel verrijkende inzichten en, aanwijzingen voor het werk ontvangen — was hij met nieuwe moed en bezieling teruggekeerd. Ze gingen hun werk voor de zaak van Christus' Kerk, weer enthousiast opnemen en waren goedsmoeds voor de verdere gang der dingen. Ook het christelijk onderwijs kon met nieuwe krachten uit de Indonesische kerk, onverminderd voortgang hebben. Zo ongeveer werd in dat vraaggesprek gemeld.

Maandagavond 7 januari jl. was er in diezelfde rubriek weer een vraaggesprek van Ds. Teutscher te beluisteren. Nu was ds. Kuit, de, in 1962 uitgezonden missionair-predikant der Geref. Gemeenten, de antwoorder. De eerste missie-groep naar Nieuw-Guinea bestond uit vier personen. Drie daarvan waren al spoedig na aankomst weer weggetrokken. De reden daarvan is mij niet recht duidelijk geworden uit het gesprek. Ds. Kuit was alzo vrijwel alleen overgebleven. En hij gaat het werk, pionierswerk, aanvaarden en doorzetten met Gods hulp. Het terrein, hem aangewezen, is voor een groot deel nog onontgonnen, letterlijk en figuurlijk. Hij zeide bezig te zijn met de aanleg van een klein vliegveld, waardoor de communicatie — per Vliegtuigje, daar ten dienste van het zendingswerk beschikbaar gesteld — met de overige zendingsposten kan worden onderhouden. Veel hulp ontving hij niet van de bevolking, hoewel zij hem allervriendelijkst ontving. Hij werd echter steeds trouw vergezeld en ter zijde gestaan door een jongeman — Mali is zijn naam, als ik het goed verstaan heb —, die de taalmoeilijkheden voor ds. Kuit wonderlijk overwon, en hem in graven en kappen van een stukje oerwoud, zeer van nut was. Ds. Kuit was goedsmoeds, en hoopte na dit „graven" te kunnen „bouwen", zoals ds. Teutscher het typeerde, om straks het eigenlijke werk te kunnen aanvangen.

Beschamend voor ons, dit moeizame, nog maar voorbereidende werk! Wij zijn veelal zo traag geworden om zelfs maar het eenvoudigste werk voor de zaak van het Evangelie hier onder zoveel gunstiger omstandigheden voort te zetten. Toen de winter zijn koude adem over onze landen begon uit te blazen — eerst in storm en regen, later in vrieskoude — Heten velen, jongeren vaak in de eerste rij, de plaatsen in de kerk aldra leeg. Naar het gewone werk gingen ze, maar in de heerlijk verwarmde kerkgebouwen konden ze niet komen. Wat een lauwheid tegenover het Evangelie, tegenover den Christus, Wiens merk en veldteken die allen dragen! Laat de ijver, de trouw, de drang om door te zetten voor Gods zaak, het verlangen om van „een Licht zo groot, zo schoon" te getuigen in het Papoea-volk, dat uit woord en daad van ds. Kuit zo treffend bleek, ons in onze gemakzucht, traagheid en onbewogenheid, beschaamd doen staan voor God tot bekering en hernieuwing van het Verbond. Als Gods Geest ons daartoe aangreep, — Hij geve het op het gebed — wat zou het onzen Heiland verblijden en het eigen hart verrijken.

Ik heb mij in die beide vraaggesprekken zeer verheugd. Ze zeiden mij, dat al is dan onze nationale vlag in Hollandia gestreken, de Kruisbanier nog uitwaait over Nieuw-Guinea. Zo blijve het. En de Geest doorwaaie alle zendingsterreinen daar, mild en krachtig. Allen, die in Nieuw-Guinea in de de jonge kerk, in de christelijke scholen, in of voor nog te ontginnen terreinen werken zij toegebeden, dat zij mogen ondervinden, dat het Evangelie „een kracht Gods tot zaligheid is, een iegelijk, die gelooft" (Rom. 1 : 16). Zo zullen ze te meer de Kruisbanier omklemmen, om onder breed uitwaaiende banen te kennen:

Het leven is geen vrede alhier. Geen wapenstilstand vragen. Het leven is de Kruisbanier Tot in Gods handen dragen.

Een schoolblad werd me toegezonden. Een blad voor ons Christelijk onderwijs. Wie het me zond weet ik niet. Ik heb het niet helemaal doorgelezen. Het is ook een „dubbelnummer" en er was behalve dit blad ook nog wel andere lectuur, die moest verwerkt worden.

Uit wat ik wel las, geef ik hier enkele regels door: „Hard is ons de mentaliteit van een deel der huidige jonge generatie christelijke onderwijzers tegengevallen.

We hebben sterk de indruk gekregen, dat bij velen het huis, liefst de villa en omgeving van de standplaats belangrijker is, dan de roeping om waar mogelijk en nodig het Koninkrijk Gods in het onderwijs te dienen. Het lijkt mij, dat er op dit punt voor de kweekscholen ©en zeer belangrijke taak ligt om de vermaterialisering en vervlakking onder het toekomstig onderwijzerscorps te trachten te stuiten" (ds. Baas te Haaften).

Wisten we niet van het bestaan van deze dingen? Helaas wel. Maar als men er dan opnieuw van hoort, nog vers onder de indruk van wat over de aanpak voor het christelijk onderwijs door die uit Nederland in Papoea-land teruggekeerde inlandse predikant werd betuigd, dan schrijnt een bericht over de veeleisende onderwijskrachten dubbel. Ach, ik weet het wel, zo zijn ze — gelukkig — lang niet allen. Er zijn er meerderen in wie nog iets vonkt van het oude vuur. Dat bleek mij ook wel uit het stuk van ds. B. Maar de in de overgenomen regels gesignaleerden hebben hun medestanders. Tegen hen moet stelling genomen worden. Herhaaldelijk. Naar het franse: „frappez, frappez toujours", d.w.z. altijd weer, dient ge te kloppen. De naam van het blad, mij toegezonden, deed de franse uitdrukking me onwillekeurig neerschrijven. Het blad heet „de klopper" en is hét contactorgaan van de Stichting „Hervormd-Gereform. onderwijzersfonds".

Ik hoop, dat dit orgaan voor velen zij de „klop op de deur"; van de gewetens, van de harten en zo mag dienen, dat onze harten weer brandende harten worden voor de gave Gods in ons Christelijk onderwijs. We hebben het allen nodig. Daartoe zij de verrezen Zaligmaker „tot ons sprekend op den weg" (Lukas 24: 32).

„Wanneer zij zeilden over de zeeën naar het verre oosten of 'het westen, hadden zij de Catechismus gespijkerd aan de mast naast hun vlag en met Nederlandse doorzetting trachtten zij de wereld te veroveren voor de Catechismus en voor Holland." Dit zegt een Amerikaans kerkhistoricus James Good van ons voorgeslacht, in een werk, dat in 1914 het licht zag.

Ik trof dit citaat aan in een artikel van de hand van Prof. Dr. A. N. F. Lekkerkerker, geplaatst in „Trouw" dd. 5-1-'63.

Natuurlijk is het verhaalde in dat citaat wat overdreven. Maar het laat wel zien, dat de indruk, die de Nederlandse kolonisators op de buitenwereld maakten niet deze was, dat het de Hollanders in dat bedrijf uitsluitend om het werelds goed te doen was. Dat wordt wel veel beweerd en de vaderen waren in dezen niet brandschoon. Degenen, die hen laken, en prijzen als James Good, spraken wel vaak in de overtreffende trap. Maar wat de heren van de Compagnieën er mede voor hadden, als ze er op stonden, dat scheepspredikanten nooit zouden ontbreken, nl. dat die ook het Evangelie onder de inboorlingen zouden trachten ingang te doen vinden, is dus, zelfs voor de buitenstaanders niet verborgen gebleven. De kerk, gesteund door de „hoogmogenden" heeft de Zending bevorderd, al had zij het intenser en met meer ijver moeten doen.

Maar dan is er nog iets. Dit citaat toont ook, hoezeer onder andere volken — ik denk aan Engeland — bekend was, welk een grote plaats en invloed de Heidelbergse Catechismus onder ons volk zich had veroverd. Daarom vindt Prof. L. het jammer, dat niet een interkerkelijke samenkomst ter herdenking van het 4e eeuwgetij van den Heidelberger hier in Nederland is tot stand gekomen. Ik sta in dit opzicht geheel aanzijn zijde. Voorts zegt hij (Prof. L.) nieuwsgierig te zijn, of er in de Paltz, 't land tussen Speyer en Kaiserslautem nog iets terecht zal komen van de viering van het 400-jarig jubileum in juni van dit jaar. De eigenlijke jubileumviering is dus toch gesteld in juni 1963, en niet, gelijk ik in de vorige Kroniek rectificeerd, op 19 januari e.k. De bronnen, die me ten dienste stonden, waren in dit opzicht niet eenstemmig. We zullen nu maar afwachten, hoe en wanneer precies het gedenken plaats zal hebben. Veel hoop, dat het jubileum inderdaad den Catechismus waardig zal zijn, heeft Prof. L., naar het me schijnt, niet. De Paltz is zijn Catechismus kwijt geraakt, door politieke verschuivingen voorheen; en sedert 1818, door de samensmelting van Lutheranen en Gereformeerden.

Uniëring is voor het kerkelijk leven waarlijk niet immer ten voordele. Men zij ook onder ons door dit voorbeeld gewaarschuwd!

In Utrechts' Universiteits-bibliotheek bevindt zich nog een exemplaar van de eerste uitgave van de Catechismus, de „oertekst". Prof. L. wilde die in de kerstvakantie nog eens raadplegen en merkte toen tot zijn verrassing, dat er van die „oertekst" 2 exemplaren waren: het eerste was er sedert 1863, en het tweede sinds 1868. Dit 2e exemplaar is te danken aan de bemoeiingen van wijlen Prof. Doedes, die in een studie over het leerboek van zijn scherpe kritiek op de Heidelberger deed blijken. In de Ie uitgave staan niet in antw. 80, de woorden dat de paapse mis „een vervloekte afgoderij" is. De uitspraken van het Concilie van Trente, zijn van de verandering in dezen in de 4e uitgave (nov. 1563) wel als oorzaak te zien.

Wat van dit alles zij, het blijkt, dat de Catechismus van Heidelberg, ook al is hij thans in zijn geboorteland niet of weinig bekend — ik constateerde zulks indertijd bij een verblijf in Heidelberg — onze Catechismus is geworden; en hij heeft zijn loop onder ons nog niet voleindigd", om nog eens Prof. L. te citeren. Moge dat onder ons blijken, niet alleen door hem te prijzen, doch door hem te gebruiken. Hij worde zo voor velen een „keine Bijbel", „om de kleinen", maar ook de groten „tot Jezus te leiden".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's