UIT DE PERS
In de rubriek Van Week Tot Week van het geref. Weekblad (Kok) bespreekt. prof. Ridderbos de rede die prof. Banning gehouden heeft op Kerk en Wereld, over de uitdaging van het atheïsme zowel aan de Reformatie als aan Rome. Een verslag van deze rede vond prof. R. in de Nw. Haagse Courant.
Als eerste oorzaak voor het ontstaan van het atheïsme noemde prof. Banning: Het conflict tussen geloof en wetenschap. Nog een andere voedingsbodem voor het atheïsme is volgens Banning: Het conflict tussen de theologie en de politieke en sociale werkelijkheid.
Blijkbaar vindt Banning dus „toevallig" de schuld van het opkomen van het atheïsme niet bij zichzelf, maar bij degenen die een andere opvatting van het Christendom hebben als Banning zelf.
Hij is immers vrijzinnig en een voorvechter voor het socialisme in Nederland.
En uit dien hoofde heeft hij dus in het conflict tussen geloof en wetenschap niet vastgehouden aan verouderde wereldbeelden. En zo gaat Banning ook vrijuit ten aanzien van de schuld die het nietsocialistische christendom op zich geladen heeft in het conflict tussen theologie en de politieke en sociale werkelijkheid. We mogen dus wel aannemen dat prof. Banning zich erg prettig zal gevoeld hebben tijdens het uitspreken van deze rede.
Prof. Ridderbos gaat op de beide genoemde punten in en merkt daar o.a. over op:
Ik vraag mij af, of prof. Banning zichzelf het recht kan toekennen aldus de schuld voor het atheïsme uit te delen. Ik ontken niet, dat de kerk in haar theologie menigmaal van verouderde wetenschappelijke praemissen is uitgegaan en dat zij daarmee ongelukken kan maken en gemaakt heeft. Maar als men de theologie de schuld wil geven van het atheïsme moet men, ik dacht óók prof. Banning, eerst iets anders zeggen. De grootste verwoestingen in de kerk zijn niet aangericht door het achterblijven van de kerk bij de wetenschap, maar door het falen van de kerk om voor haar eigen boodschap te staan en door de karakterloosheid, waarmee ze ja en nee tegelijk heeft willen zeggen. Naar mijn overtuiging geldt het nog tot op de huidige dag, dat het atheïsme daar zijn beste voedingsbodem vindt, óók in de kerk, waar de kerk zich zozeer heeft aangepast aan de wetenschap, levensgevoel en moderne mens, dat het christelijk geloof aan te hangen de moeite niet meer waard schijnt. Het conflict tussen kerk en wereld kan door de kerk op een inadaequate, valse wijze gesteld worden en aldus een aanstoot en een ergernis voor de wereld worden. Maar de grootste ergernis is toch altijd daarin gelegen, dat men het conflict, dat is het ware, échte conflict, dat het evangelie schept, tracht weg te nemen. Aan een theologie, die dat heeft beproefd, heeft het atheïsme zijn grootste triumfen te danken. En dat zou daarom m.i. ook vóór alle dingen gezegd moeten worden.
Dit is inderdaad een zeer behartigenswaardig woord; we hopen dat dit moge doorklinken tot de oren van prof. Banning maar ook nog verder, of om precies te zijn moet ik eigenlijk zeggen, dat dit woord niet nog verder van huis moge klinken maar vooral veel dichter bij huis.
Over het tweede punt merkt prof. Ridderbos o.a. het volgende op:
Ik wil er, op gevaar at persoonlijk te worden, nog één ding aan toevoegen. Ook hier meent prof. Banning blijkbaar niet de hand in eigen boezem, maar in die van anderen te kunnen steken. Hij is niet pas nu — zoals vele anderen — een anti-Colijn-man geworden. Hij is het altijd geweest. Maar heeft hij als christen dan het atheïstisch beginsel de wind uit de zeilen genomen, door altijd een tegenstander van de confessionele vakbeweging en politiek en een voorstander van de S.D.A.P. en N.V.V. te zijn geweest? Is het soms een middel om het atheïsme op sociaal-economisch gebied te keren, door — om het van het N.V.V. en de S.D.A.P. in de jaren 30 nu maar zo zacht mogelijk te zeggen! — de band tussen geloof en sociale kwestie te verbreken? En kan men in gemoede menen, dat men, door in het politieke en sociale leven de eis van het evangelie: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods niet te stellen, het evangelie veilig stelt voor de aanstoot van het atheïsme? Zou deze secularisatie dan soms het middel zijn om het atheïsme te keren? Of zou men hier mogen spreken van het uitbannen van de duivel door Beëlzebul?
In een artikel in Geref. Weekblad (Kok) schrijft prof. Brillenburg Wurth over de discussie rondom het rapport van de Herv. Synode over de kernbewapening, onder de titel: Christus' kerk in een god-loze wereld. Dat velen terugdeinzen voor het „neen" tegen de kernwapenen komt niet omdat ze deze wapenen niet zo erg verschrikkelijk vinden, maar men ziet zich geplaatst voor het dilemma: óf dit wapen gebruiken óf gedwongen worden zich straks te onderwerpen aan de macht van Rusland. Prof. Br. Wurth snijdt hier wel een uitermate belangrijk punt aan in de discussie rondom de kernwapenen. Want als velen, met het rapport van de synode, een onvoorwaardelijk „neen" tegen de kernbewapening zeggen, dan zit er ook wel deze oorzaak achter, zoals de schrijver opmerkt:
Er zijn er in onze tijd onder de christenen heel wat die voor alles wat maar enigszins in de richting van „corpus christlanum", d.w.z. van christelijk gestempelde cultuur als na Constantijn en in de middeleeuwen gaat geen goed woord meer over hebben en daarop alleen maar als op verburgerlijkt christendom weten te schimpen. Het kon wel eens zijn dat er een tijd komt dat, te laat, hun ogen open zullen gaan voor wat ze versmaad hebben en ze met heimwee aan die periode van een christelijke samenleving en een christelijke cultuur terug zullen denken als aan iets dat dan, helaas, niet meer terug te roepen is.
Maar aan de andere kant vraagt prof. Br. W. zich ook af of de heerschappij van Rusland en het verkeren onder dat godloze regime zonder meer het einde van de zaak van Christus zou betekenen. Hij schrijft dan verder:
Wij zijn geslachten aaneen gewend aan een kerk die de bescherming ondervindt van de staat of althans daardoor niet in de uitoefening van haar religie verhinderd wordt. Dat daarvan bij herhaling ook een funeste invloed is uitgegaan mogen wij niet vergeten. Dat een verwereldlijking en vervlakking van het christendom niet zelden het gevolg was laat zich niet loochenen. Maar dat behoeft ons er niet van te weerhouden op zichzelf God er voor te danken. Alleen, laten we dit ene nooit vergeten: Christus heeft ons nimmer gezegd, dat wij ten allen tijde er op kunnen rekenen, dat wij als kerk die bevoorrechte positie zullen blijven innemen. Hij zond Zijn jongeren de wereld in als schapen temidden van de wolven (Lukas 10:3). Hij liet ze achter in een wereld waarvan Hij maar al te goed wist dat ze blaakte van vijandschap tegen Hem en tegen Zijn Vader (Joh. 16 : 1—8).
Het Rusland van onze tijd is een atheïstisch land, zelfs een land van anti-christelijke religie, een land vol van geseculariseerd messianisme. Maar was Rome van de tijd van Jezus en de apostelen dat soms niet? Zat daar niet een Keizer op de troon, ja, die uiterlijk de christelijke religie soms haar gang liet gaan, maar die openlijk zichzelf tot de heiland der wereld proclameerde en eiste dat ieder die aan het publieke leven deel wilde nemen enige korrels wierook voor de „divus Augustus", de goddelijke keizer zou offeren. In die wereld heeft de jonge christelijke kerk drie eeuwen moeten leven. En het is misschien niet eens haar slechtste tijd geweest. De christenen wisten toen tenminste wat ze deden, als ze de naam van hun Heiland en Heer beleden en Hem gingen volgen.
Ik zeg natuurlijk niet dat we naar zo'n tijd van vervolging en druk terug moeten gaan verlangen. Ik zou het een teken van geestelijke overmoed vinden, als we dat deden. Als dit komen moet dan zal God dat op Zijn tijd wel over ons brengen. En wij mogen zolang gerust wel bidden: „O God, bespaar dat ons en onze kinderen!" en met al wat in ons is, ons beijveren om onze waardevol geestelijke vrijheid te bewaren.
Maar wij zullen toch wel er al meer rekening me mogen en moeten gaan houden, dat de bijbel nergens ons voor altijd die rust en bevoorrechting waarvan wij nu nog genieten waarborgt en dat ook, als er andere tijden mochten komen, Gods zaak in deze wereld door zal gaan, zoals ze ook nu in de kerken achter het ijzeren gordijn ondanks alles toch doorgaat.
In het afgelopen jaar heeft vooral ook in de geref. kerken de vraag over de een-
held en de hereniging in het middelpunt van de kerkelijke belangstelling gestaan.
In de rubriek Van Week Tot Week geeft prof. Ridderbos een overzicht over de bereikte resultaten en over de huidige stand van zaken. Zijn opmerkingen hierover nemen we in zijn geheel over:
Wij trekken gaandeweg het nieuwe jaar weer in. Het vorige heeft zich op kerkelijk gebied vooral gekenmerkt door vele, soms hooglopende discussies over eenheid, hereniging etc. Er zijn er die schrijven, dat het vuur al weer gedoofd is, de terughoudendheid groter wordt en wij bij de intrede van 1963 niet verder zijn dan bij die van 1962.
Men verwijt ons. Gereformeerden, daarbij wel dat wij volstaan met een afwachtende houding aan te nemen. Ik geloof niet, dat het waar is. Er is bij ons misschien zelfs méér in discussie en méér op de helling dan elders. We zijn bezig onze eigen posities kritisch, zéér kritisch soms opnieuw te waarderen. In confessioneel opzicht, denk ik bijv. aan het boek van ds. Volten en aan de artikelen van ds. Plomp. Ze zoeken de oplossing verschillend, maar beiden erkennen hetzelfde probleem. En voorts: al hebben wij ook vroeger wel nooit gezegd: wij zijn het en wij alléén!, we hebben toch dikwijls alles alleen gedaan en gemeend, dat het zo maar het beste ging. Daarin komt verandering en dat proces gaat nog steeds voort. De voorbeelden liggen voor het grijpen.
Toch is het de vraag of we vorderen. Dat zal alleen dan het geval zijn, wanneer niet alleen wij niet op de anderen blijven wachten, maar anderen ook niet op ons. Ik heb het gevoel, dat ook het laatste geen denkbeeldige zaak is en dat, wat m ieder geval de verhouding Hervormd- Gereformeerd aangaat, de gereformeerden zich meer in de richting van de hervormden bewegen dan dat de hervormden er „gereformeerder" op worden. Ik dacht er aan, toen ik onlangs las, dat nu ook in de — lang voor een confessioneel bolwerk doorgaande — hervormde gemeente van Den Haag de vrijzinnigen met hun drie predikanten met gelijke rechten zijn geïncorporeerd. In de confessionele pers heeft men vele kolommen nodig gehad om dit te motiveren en duidelijk te maken. Maar de zaak heeft haar beslag gekregen. Dit is incidenteel, ik weet het. Maar ik zie géén verschijnselen, die ons tot de conclusie zouden kunnen brengen: de toenadering brengt ons zakelijk dichter bij elkaar. De eenheidspogingen gaan wel voort, maar verandert er aan beide zijden zakelijk ook iets, dat op de wederzijdse gegronde bezwaren ingaat?
Het gaat hierbij niet — men wil mij wel niet misverstaan — om het „vóór wat hoort wat", als zouden we handel drijven. Het gaat — het kan niet vaak genoeg herhaald worden — om het kerk-zijn naar de Schriften. Is er die worsteling? Kan men zeggen: daar loopt de strijd over en daar gaat het verlangen, het heimwee naar uit, naar het Godsgebouw van Efeze 2 en naar de eenheid van het Lichaam van Efeze 4? Of volstaat men met de pogingen aan elkaar te „wennen"- en de mensen aan elkaar te laten gewennen? Wij horen tegenwoordig veel van het Concilie te Rome. Men krijgt als buitenstaander de indruk, dat toch wel bepaalde machtige posities bij de R.K. bezwijken of althans wankelen onder het gewicht van de onweersprekelijke goddelijke waarheid. De protestanten wijzen er elkaar vol verwondering op: zie hier eens en zie daar eens. Maar wanneer zullen ook onder hen, ook onder ons in Nederland, onder diezelfde waarheid de posities bezwijken, die aan de ware eenheid der kerk in de weg staan? Bezwijken onder en aan de waarheid; hetgeen nog iets anders is dan bezwijken aan elkaar! Wij trekken gaandeweg het nieuwe jaar weer in. Er valt voor ons allen nog veel te vorderen op de weg des Heren met zijn kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's