De ambten in de kerk
III
Profeten.
Het tweede buitengewone ambt waarvan het Nieuwe Testament melding maakt is het profetische ambt. Herhaaldelijk komen wij na het Pinksterfeest Profeten tegen in de Handelingen der Apostelen en de Brieven. Het blijkt, dat de profetie in de apostolische tijd een belangrijk aandeel heeft gehad in de fundering van de Christelijke Kerk. Paulus schrijft in Ef. 2 : 20, dat de gemeente gebouwd is op het fundament van apostelen en profeten. Met profeten worden daar niet bedoeld de Godsmannen van het Oude Testament, maar blijkens Ef. 3 : 5 en 4 : 11 profeten die optraden in de Nieuw Testamentische gemeente.
De profetie leefde wel in de schaduw van het apostolaat, maar dan toch zo, dat zij de gemeente Gods mede heeft gebouwd.
Zoals het apostelschap is afgeleid van Christus, Die de Apostel en de Gezondene des Vaders is, zo is ook het profetische ambt afgeleid van Hem, Die onze hoogste Profeet en Leraar is.
Wij zullen wat uitvoeriger op deze Nieuw Testamentische profetie en haar functie in de gemeente moeten ingaan, omdat men daar gewoonlijk geen duidelijk beeld van heeft in de gemeente.
In de Handelingen der Apostelen worden meer dan eens profeten, sommige bij name, genoemd. In Hand. 11: 27 lezen we, dat enige profeten, van Jeruzalem afkomstig, te Antiochië aankwamen. Hier blijkt dus uit, dat er in de gemeente van Jeruzalem profeten waren. Eén uit hen wordt met name genoemd, nl. Agabus. Deze gaf door de Geest te kennen, dat er een grote hongersnood zou komen, die ook inderdaad gekomen is tijdens de regering van Keizer Claudius. De gemeente te Antiochië reageerde spontaan op deze openbaring: Men besloot naar vermogen een bijdrage te schenken tot leniging van de komende nood, ten dienste van de broeders in Judea.
Dat er ook in de gemeente van Antiochië zelf naast leraars profeten waren, lezen we in Hand. 13 : 1. Naast Bamabas en Saulus worden genoemd Symeon, Niger, Lucius van Cyrene en Manahen.
Ook hier geeft de Heilige Geest door de profeten een duidelijke aanwijzing, nu met het oog op de verdere verbreiding van het Evangelie. „Zondert Mij af heiden Barnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb".
Dit geeft de stoot tot de eerste zendingsreis.
In Hand. 15 wordt ons de vergadering beschreven, die wij gewoonlijk het apostelconvent noemen, maar waar toch ook de profetie een belangrijke bijdrage heeft geleverd tot het stellen van de regels met betrekking tot de gedragslijn, waar de christenen uit de heidenen zich aan moesten houden. Dat dit zo is, lezen we in Hand. 15 : 28, waar de vergadering zich in het te zenden rondschrijven aldus uitspreekt: „Want het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, u geen meerdere last op te leggen, enz.".
Deze typische uitdrukking is m.i. alleen te verklaren, wanneer wij denken aan de Heilige Geest, Die door de profeten spreekt. Er waren profeten aanwezig. Judas en Silas, die er op uit gezonden worden om „met de mond hetzelfde te verkondigen" (27) worden in vers 32 profeten genoemd.
De profetie geeft dus ook in deze zaak concrete aanwijzing en zegt hoe het nu verder moet.
Nog eenmaal ontmoeten wij in de Handelingen profeten. In hoofdstuk 21. Daar wordt ons meegedeeld, dat Paulus te Caesarea aankomt, na zijn laatste zendingsreis volbracht te hebben, en logeert bij de evangelist Filippus. Deze heeft vier dochters, die profeteerden.
Of zij in die dagen ook al voorzegd hebben, dat Paulus lijden en gevangenschap te wachten stonden, kunnen wij uit vers 9 niet afleiden. Wel komt de profeet Agabus van Jeruzalem en deze voorzegt door de Heilige Geest, dat Paulus door de Joden te Jeruzalem zal worden gebonden en overgeleverd in de handen van de heidenen.
Let er op, dat hij dit doet door een symbolische handeling: Hij neemt de gordel van de apostel en bind daarmee zijn eigen handen en voeten. Dit op symbolische wijze voorstellen wat er gebeuren gaat, herinnert ons sterk aan de Oud Testamentische profeten (b.v. Jeremia, Ezechiël.)
Vervolgens letten we op de betuiging van Agabus: „Dit zegt de Heilige Geest". De Heilige Geest maakt gebruik van de profeten in de gemeente om de komende gebeurtenissen aan te kondigen en Gods wil ten aanzien van een bepaalde situatie bekend te maken.
Datzelfde zien we ook bij de inschakeling van Timotheus in de evangelie-arbeid. In Handelingen 16 wordt niet vermeld, dat dit is geschied op aanwijzing van de profetie. Maar in Paulus' eerste brief aan Timotheus lezen wij, dat het wel zo is geweest. In 1 Tim. 1: 18 herinnert de apostel aan de profetieën die voorheen met betrekking tot hem zijn uitgesproken en vermaant hij hem dienovereenkomstig de goede strijd te strijden in de hem opgedragen arbeid ten dienste van Christus Kerk.
In 1 Tim. 4 : 14 wijst Paulus opnieuw Timotheus op zijn roeping en de handoplegging, die hem ten deel gevallen is om op symbolische wijze uitdrukking te geven aan het ontvangen van de Heilige Geest en de gaven des Geestes. Zo- „door de profetie". Opnieuw zien wij dus, dat de profetie in dit concrete geval de wil Gods bekend maakte inzake de arbeid in dienst van het Evangelie in de wel het een als het ander is geschied Kerk.
Het overige dat ons in het Nieuwe Testament over de profeten en de profetie wordt meegedeeld, vinden wij voornamelijk in Paulus' eerste brief aan Korinthe.
In hoofdstuk 12 gaat het over de verscheidenheid der Geestesgaven. De apostel beklemtoont de eenheid in de verscheidenheid, daar het alle gaven zijn van dezelfde Geest en ze alle dienstbaar zijn aan het lichaam van Christus, dat is Zijn gemeente. Het is daarom verkeerd de gave des Geestes, die men zelf ontvangen heeft belangrijker te achten dan die der anderen. Het blijkt uit deze vermaning, dat te Korinthe deze misstand dreigde. Paulus waarschuwt er tegen en wijst op iets, dat belangrijker is dan alle bijzondere gaven, nl. de liefde.
In hoofdstuk 13 werkt hij dat verder uit.
In 12 : 28—30 worden allerlei functies en gaven genoemd. Het merkwaardige is, dat de apostel tussen die beide geen absolute grens kent. Over de gaven sprekend somt hij ook, wat wij zouden noemen, de ambten op. „En God heeft er sommigen in de gemeente gesteld. Ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmaking, behulpsels, regeringen, (gaven om te helpen en te besturen), menigerlei talen (glossolatie). Hier blijkt uit, dat de grens tussen ambt en charisma (Geestesgave) niet duidelijk was afgebakend. De apostelen waren tot hun ambt geroepen en bekleedden dit blijvend, maar zij hadden o.a. ook het charisme van gezondmaking. Daarentegen waren er ook gemeenteleden, die niet in het ambt gesteld waren en toch bepaalde gaven ontvangen hadden.
Enerzijds is er sprake van profeten, op zulk een wijze dat we aan een ambt denken, maar anderzijds wordt ook gesproken van de gave der profetie. Ik geloof, dat «we het zo mogen stellen: Vergeleken bij de apostelen moeten wij bij de profeten minder denken aan ambtelijke bediening, meer aan begiftigd zijn met de gave der profetie. De profeten traden dan ook door de aandrift van de Geest meer zelf naar voren dan dat zij daartoe door de gemeente geroepen werden.
Paulus slaat van alle gaven die der profetie het hoogst aan. Dat blijkt wel uit 1 Kor. 14 : 1 „en ijvert om de geestelijke gaven, maar meest dat gij moogt profeteren." Hij gaat dan vervolgens nader in op het onderscheid tussen de profetie en de glossolatie (het spreken in tongen). De profetie is daarom hoger te waarderen, omdat iemand die in tongen spreekt slechts zichzelf sticht; omdat zijn klanken voor niemand anders verstaanbaar zijn, tenzij hij ze uit kan leggen. Wie in tongentaal spreekt verheerlijkt wel God, maar de gemeente kan hem daar niet in volgen. Wie profeteert echter, spreekt verstaanbaar: hij vermaant en vertroost de anderen en daardoor sticht hij.
Ook met het oog op de ongelovigen is de profetie belangrijker dan de glossolatie. Paulus acht het niet uitgesloten, dat als de hele gemeente in vervoering tongentaal zou spreken, binnenkomende ongelovigen zouden zeggen: „Die mensen zijn gek, ze spreken wartaal". Zo worden ze in hun ongeloof gestijfd (14:23). Maar als allen zouden profeteren, zou de ongelovige die binnenkwam door allen worden overtuigd en aan zichzelf ontdekt (24.)
Het is dus duidelijk, dat Paulus de gave der profetie in de gemeente hoog aanslaat; veel hoger dan het spreken in tongen, dat zelfs schadelijk kan zijn. Dit argument mag in de discussie met de Pinkstergroepen niet verwaarloosd worden.
Er waren te Korinthe blijkbaar veel profeten. Opdat alles in de gemeente ordelijk zal toegaan, schrijft de apostel voor, dat in de samenkomst twee of drie profeten spreken zullen. Krijgt evenwel een andere, die nog zit een openbaring, dan heeft deze voorrang. Bovendien legt de apostel er de nadruk op, dat als één profeteert de andere profeten dit beoordelen zullen. Zo moeten de geesten worden beproefd of zij uit God zijn. Er kunnen ook valse profeten insluipen (1 Joh. 1 : 4, Openb. 2 : 20).
De vraag, die zich tenslotte voordoet is deze: Is het type profeten, dat Paulus voor ogen heeft gehad bij het schrijven van 1 Kor. 12 en 14 wel hetzelfde als dat van de Handelingen.
Hoewel er veel overeenkomst is, valt er toch onderscheid op te merken. Het eerste is dit: In de Handelingen treden de profeten op om de hun geschonken openbaringen ten aanzien van de toekomst of inzake de voorhanden situatie bekend te maken. In 1 Kor. 14 : 30 wordt ook de mogelijkheid van zulk een openbaring genoemd, maar meer op de voorgrond treedt te Korinthe het vermanende en vertroostende van de profetie (14 : 8), terwijl in vers 24 sprake is van het verkondigende karakter van de profetie. Hoe zou een ongelovige anders, overtuigd kunnen worden? In de tweede plaats komt het mij voor, dat de in de Handelingen genoemde profeten voor een deel de indruk geven reizende broeders te zijn, die de algemene kerk dienen, terwijl in 1 Kor. 14 veel meer de indruk wordt gewekt dat wij te maken hebben met de in de plaatselijke gemeente geschonken gave des Geestes.
Samenvattend mogen we zeggen: De profeten, die de Heere Christus in Zijn Kerk gegeven heeft, waren niet zo zeer geroepen of verkoren ambtsdragers, als wel door de Heilige Geest met de gave der profetie begiftigde mannen en vrouwen, die samen met de apostelen de gemeente hebben gebouwd.
In de na-apostolische tijd volgt nog een korte periode, waarin de gemeente de profetie kent en op hoge prijs stelt. (Didache). Later komen wij geen profeten meer tegen in de Kerk.
Naarmate de profetie door invloed van buiten verwildert (valse profetie), en het gemeenteleven zich meer en meer concentreert om de leer der apostelen, zoals men die schriftelijk heeft ontvangen in de Brieven en de Evangeliën, treedt deze gave des Geestes terug en wordt de stichting der gemeente en de bewaring bij het profetische Woord de taak van de ordelijk verkozen voorgangers en leraars.
Calvijn laat bij de uitleg van Ef. 4 : 11 en in de Institutie wel de mogelijkheid open, dat ook nu de profetie aan de kerk kan worden geschonken, maar spreekt zich zeer voorzichtig uit. Het buitengewone van dit ambt, dat Christus gegeven heeft in het begin van Zijn Rijk, wordt ook door hun onderstreept.
Pogingen om het profetisme te doen herleven vallen op door kunstmatigheid. We vinden deze trouwens alleen bij buiten de kerk geraakte stromingen. (Montanisme, 2e—6e eeuw. Later Adventisme, profetes, Ellen White).
In de tijd van de Hervorming spreekt men wel van profetie, maar men bedoelt Schriftuitleg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's