De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN SALAMIS NAAR PAPHOS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN SALAMIS NAAR PAPHOS

8 minuten leestijd

Van Salamis aan de oostkust van Cyprus, waar Paulus en Barnabas voet aan wal gezet hebben, liep een straatweg, dwars over het eiland kronkelend, naar de stad Paphos, die aan de westkust gelegen was. Het Romeins gezag had er zorg voor gedragen, dat deze weg aangelegd werd. Men heeft uitgerekend, dat hij ruim 150 'kilometer lang geweest moet zijn.

Langs deze heirbaan zullen ook de beide predikers van hét Woord Gods gegaan zijn, toen zij in gezelschap van Johannes Markus zich van Salamis naar Paphos begeven hebben. Stellig hebben zij zich daarbij ook van hun missionaire taak gekweten. Dat ligt immers wel opgesloten in de wijze, waarop Lukas van deze tocht melding maakt. In de steden, die zich langs hun route bevonden, zullen zij zeker het Evangelie verkondigd hebben, totdat zij eindelijk te Paphos arriveerden.

In de dagen, waarin Paulus en Barnabas het eiland Cyprus bezochten, bestonden er een Oud- en een Nieuw-Paphos. Oud-Paphos was een nederzetting van Phoenicische oorsprong, die enkele decenniën tevoren . door een aardbeving nogal zwaar geteisterd was. Mede door toedoen van de Romeinen was naast het het oude stadje een Nieuw-Paphos gesticht, dat langzaam aan tot grote bloei gekomen was. De twee steden grensden aan elkaar, zodat Oud- en Nieuw-Paphos in elkander overliepen.

Nieuw-Paphos was in zekere zin het politieke centrum van Cyprus geworden. Hier zetelde het Romeinse bestuur. De landvoogd had er zijn residentie, van waaruit hij het eiland regeerde.

De meest merkwaardige gebeurtenis van het gehele bezoek, dat Paulus en Barnabas aan Cyprus gebracht hebben, heeft zich juist in dit Paphos en aan het hof van de toenmalige proconsul afgespeeld. Hier stootte de prediking van het Evangelie op een Joodse weerstand van zeer bijzondere aard. Een zekere Bar- Jezus trachtte te verhinderen dat Sergius Paulus, de Romeinse proconsul, tot het geloof in Christus komen zou, zonder dat echter dit verzet enig succes had. De poging van Bar-Jezus om Sergius Paulus te weerhouden zich aan de verkondiging van Paulus en Barnabas over te geven, bereikte alleen het tegenovergestelde van wat er mee bedoeld was: zij heeft er zelfs mede toe moeten bijdragen, dat er van Sergius Paulus getuigd kan worden, dat hij tot geloof kwam. Daarop doelt immers Hand. 13 vers 12, wanneer daar gezegd wordt: „Als de stadhouder zag hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heeren".

Sergius Paulus moet, naar zijn naam laat vermoeden, behoord hebben tot één van de oudste Romeinse families. Op verscheidene inscripties heeft men zijn naam teruggevonden. Maar 't is niet zeker, of de persoon, die op die inscripties voorkomt dezelfde geweest is als die, welke wij in Hand. 13 tegenkomen. Voorzichtigheid is bij deze identificatie een eerste vereiste. Waarom zouden twee mensen niet één dezelfde naam gedragen kunnen hebben? Men zij op zijn hoede voor een al te vlotte gelijkstelling van personen. Vergissingen zijn vooral op dit terrein maar al te snel mogelijk. Wie bewijst, dat b.v. die Sergius Paulus, van wie op een inscriptie gevonden is, dat hij één dergenen was, die toezicht op de oevers van de Tiber bij Rome uitoefenen moesten, ook werkelijk dezelfde geweest is als de proconsul uit Hand. 13? Verder dan tot een bepaalde graad van waarschijnlijkheid komen wij nooit.

Op last van de Romeinse senaat was Sergius Paulus naar het eiland Cyprus gezonden, toen hij benoemd werd tot dezelfde functie als die welke Gallio, ons in Hand. 18 genoemd, in Achaje bekleed heeft.

Sedert keizer Augustus kende men bij de Romeinen twee soorten provincies. Enerzijds waren er senatorische en anderzijds keizerlijke provincies. Wie met het bestuiur over een senatorische provincie werd belast, zoals Sergius Paulus en ook Gallio, kreeg de titel van proconsul. Senatorische provincies waren over het algemeen gebieden waar het vrij rustig was en waar — i.t.t. de keizerlijke provincies — geen revolutionaire 'bewegingen te verwachten waren. En de taak van de proconsul was dan ook voornamelijk het regelen van het bestuur. Militair gezag oefende hij niet uit. Er waren geen troepen, waarover hij het commando voeren moest.

Sergius Paulus wordt ons door Lukas getypeerd als een „verstandig man". Meteen daarop wordt ons dan verhaald dat hij Paulus en Barnabas tot zich heeft geroepen uit begeerte naar het Woord Gods, dat zij brachten.

Het komt ons voor, dat wij het een niet los mogen zien van het ander. Naar ons oordeel moeten wij beide opmerkingen nauw met elkaar verbinden. Sergius Paulus zal een van die velen geweest zijn, die in die dagen een open oor hadden voor wat uit andere religies en andere filosofieën tot hen kwam. Hij had, om zo te zeggen, veel metafysische interesse. Een verschijnsel, dat destijds zich in hoge mate voordeed. Dat daarbij ook vaak een neiging tot bijgelovige praktijken aangetroffen werd, weten wij o.a. uit het voorbeeld van keizer Tiberius, een begaafd man, die zich bezig gehouden heeft met diepgaande retorische en wijsgerige studies, maar die al meer en meer overhelde naar het bijgelovige. De aanwezigheid van Bar-Jezus aan het hof van Sergius Paulus zou in dezelfde richting kunnen wijzen. Het mysterieuze bezat toentertijd een buitengewone aantrekkingskracht. Vooral als het met allerlei geheimzinnigheden gepaard ging en er de belofte van diepere religieuze kennis aan verbonden was.

Hoe dit ook bij Sergius Paulus geweest moge zijn, in ieder geval is de omstandigheid, dat hij „een verstandig man" was er mede aanleiding toe geworden dat Barnabas en Paulus aan zijn hof ontboden werden om hem Gods Woord te laten horen. En het schijnt, dat zij daar niet zonder zegen gesproken hebben. Want anders zou Bar-Jezus zich niet zo ingespannen hebben om de proconsul van het geloof afkerig te maken. Het gepredikte Woord moet dan toch op de een of andere wijze weerklank gevonden hebben.

Van Bar-Jezus kan Lukas ons mede delen, dat hij „een tovenaar" was. Letterlijk wordt hij „een magiër" genoemd. Wie kennis wil nemen van hetgeen er op dit punt in de antieke wereld leefde, leze eens het rijk gedocumenteerde werkje van Dr. K. H. E. de Jong: „De magie bij de Grieken en Romeinen". Dr. de Jong haalt daar o.m. ook een avontuur aan, dat een gewezen slaaf met een tovenaar gehad zou hebben, gelijk ons dat in het „Gastmaal van Trimalchio" van Petronius (plm. 50 na Chr.) beschreven wordt. Wij kunnen niet nalaten de desbetreffende passage hier te citeren:

„Eens op een keer was mijn patroon naar Capua gegaan om wat snuisterijen van de hand te doen. Gebruik makende van de gelegenheid haal ik onze gast over om vijf mijlen ver met me mee te gaan; het was een soldaat, een vent als een duivel. Wij maken ons uit de voeten bij het hanengekraai (de maan blonk alsof het mid­dag was) en komen te midden van grafmonumenten. Mijn makker verwijdert zich achter een steen; ik ga al neuriënde verder en tel de monumenten. Toen ik vervolgens naar mijn begeleider omkeek, kleedde hij zich uit en legde al zijn kleren naast de weg neer. De moed zonk mij in de schoenen; ik stond als, verstijfd. Maar hij maakte een kring om zijn kleren en plotseling was hij een wolf. Denkt niet dat ik grappen verkoop; ik zou niet willen liegen om al het geld van de wereld. Maar waar had ik het over? Wat ik begonnen was te vertellen, toen hij een wolf geworden was, begon hij te huilen en vluchtte naar de bossen toe. Ik wist eerst niet waar ik was; toen trad ik dichter bij om zijn kleren op te rapen, maar die waren in steen veranderd. Als ik niet van angst verging, wie dan? Ik trok echter mijn zwaard en hakte al de weg langs op de schimmen in, totdat ik het landhuis van mijn meisje bereikte. Als een spook trad ik binnen; bijna gaf ik mijn ziel op; het zweet brak mij uit; ik zag niet uit mijn ogen; ternauwernood kwam ik weer bij. Mijn meisje verbaasde er zich over, dat ik zo laat wandelde en „als je", zei ze, „eerder gekomen was, had je ons tenminste kunnen 'helpen; een wolf drong onze stal binnen en al onze schapen — als een slager heeft hij het bloed afgetapt. Maar hij heeft er ook van gelust, al is hij ontvlucht, want onze slaaf heeft hem met de lans zijn hals doorboord". Toen ik dit gehoord had, kon ik geen oog meer dichtdoen, en zodra het dag was, vloog ik naar het huis van mijn patroon als een bedrogen kroegbaas en toen ik op die plek kwam, waar de kleren in steen waren veranderd, vond ik niets dan bloed. Maar toen ik thuis kwam, lag mijn soldaat in bed als een os, en een dokter behandelde zijn hals. Ik begreep nu, dat hij een weerwolf was, en van toen af had ik geen stuk brood meer met hem kunnen proeven, al had je me doodgeslagen". 

Natuurlijk heeft Petronius dit als een satyre bedoeld. Maar dat neemt niet weg, dat hij hiermede wees op een stuk bijgeloof, zoals dat in de Hellenistische wereld rijk vertegenwoordigd was. Ook onder de hogere standen.

Wat voor praktijken Bar-Jezus beoefend heeft, is ons niet bekend. Heeft hij zich ingelaten met het verklaren van dromen? Of soms met het voorspelen van de toekomst uit de sterren? Of wellihcht met allerhande geheimzinnige handelingen, waarmede hij Sergius Paulus beïnvloeden kon?

Daarover de volgende maal nog iets.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN SALAMIS NAAR PAPHOS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's