HET VERBOND MET ABRAHAM
Het verbond houden.
Reeds een en ander maal werd opgemerkt, dat de eigenlijke kracht en werkelijkheid van het verbond in het geloof wordt gekend en doorleefd. Niet het verbond, maar het geloof wordt door God tot gerechtigheid gerekend.
De rechtvaardigheid is niet uit het verbond, maar uit het geloof. „Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus". (Rom. 5 : 1)
Toch spreekt het Goddelijk gebod bij de instelling van de besnijdenis over een „houden van Gods verbond", hetwelk meer op de onderhouding van deze instelling dan op de geloofsbeleving van de geestelijke werkelijkheid schijnt te zien. (Genesis 17: 10—14) Ook hieraan kleeft een belangrijke kwestie, die in het leven der kerk tot de moeilijkste vraagstukken behoort. Er schijnt iets tweeslachtigs te zijn in dat verbond, zodat men zelfs van een uitwendig en een inwendig verbond gesproken heeft. De inwendige gestalte van het verbond zou dan de geestelijke, de geloofsgestalte zijn en de uitwendige zou bepaald worden door de onderhouding van het teken. Bevredigend is deze beschouwing niet en het wordt nog bezwaarlijker, als de mensen aan het „uitwendig" verbond conclusies verbinden ten aanzien van de geestelijke staat der „bondelingen", die bij het licht der Schrift niet verantwoord zijn. Het kan daarom zijn nut hebben dit punt nauwlettend onder de ogen te zien.
Het eerste, wat ons treffen moet, is dit, dat het verbond Gods wordt opgericht met Abraham en zijn zaad. Dit zaad ziet in algemene zin op de nakomelingschap van Abraham: het volk Israël in zijn geslachten. Dat zaad wordt ook in de eerste plaats aangewezen bij de instelling van de besnijdenis: „Een zoontje dan van 8 dagen zal besneden worden". (Gen. 17 : 12) Dan echter wordt met nadruk gewezen op de ingeborene van huis en de gekochte met geld van alle vreemde, welke niet is van uw zaad. (Genesis 17 : 12)
God betrekt hiermede dus niet-Israëlieten, vreemdelingen, dienstknechten in het huis geboren en slaven met geld gekocht, onder de betekening van Zijn verbond met Abraham. Deze vreemden worden bij Israël door het teken des verbonds ingelijfd, alsof zij zaad van Abraham waren.
Ook vreemdelingen
Het ligt derhalve voor de hand, dat ook niet-Israëlieten bij het verbond met Abraham en zijn zaad als deelgenoten worden betrokken. Het Nieuwe Testament leert dit zeer duidelijk, waar het gaat over de twee olijfbomen; de goede en de wilde olijfboom. De eerste doelende op Israël als planting van God en de tweede op de vreemdelingen. De apostel tekent daar de ongelovige Israëlieten als afgebroken takken van de goede olijfboom, in welker plaats takken van de wilde olijfboom worden ingeënt om deel te hebben aan de wortel en vettigheid van de goede boom. (Romeinen 11 : 17 v.v.)
Dientengevolge kan de uitdrukking „Abraham en zijn zaad", niet eenvoudig op het zaad in natuurlijk genealogische zin zien. Dan toch waren de vreemden uitgesloten en zou men voor alles Israëliet moeten geweest zijn om het Koninkrijk Gods te kunnen beërven. Aangezien dat niet zo is en de verkiezing Gods ook over de heidenen gaat, moet het woord „zaad" als geestelijke verwantschap worden verstaan, op een dergelujke wijze als in de bekende profetie van Genesis 3 : 15 het zaad der slang en het zaad der vrouw. Beiderlei zaad ziet op de vleselijke nakomelingschap van Adam en Eva, maar de onderscheiding zaad der Slang en zaad der vrouw in de ene nakomelingschap wijst op een verwantschap van anderen aard. Als Christus tegen de Joden zegt: „gij zijt uit uw vader de duivel", dan bedoelt Hij niet, dat zij uit de duivel geboren zijn, maar dat hun gedachten en strevingen duivels zijn. Christus wijst op een geestelijke verwantschap met de duivel, op een duivelse imputatie in hun ziel. De uitdrukking „zaad" kan derhalve op geestelijke verwantschap wijzen, zowel naar de zijde van de duivel als naar Gods zijde, zodat duivels kinderen en kinderen Gods onder de mensen worden gevonden.
Hoewel dus de verbondsluiting met Abraham en zijn zaad allereerst ziet op zijn nageslacht, bewijst de instelling der besnijdenis, waarbij ook de vreemde wordt betrokken, terwijl ongelovige Israëlieten worden uitgesloten van het Koninkrijk Gods, dat het woord zaad op een geestelijke verwantschap ziet en de uitverkorenen omvat. Niet het verbond rechtvaardigt, maar het geloof. Men kan het ook zó zeggen, het eigenlijke verbond, het verbond in zijn geestelijke werkelijkheid, is een verbond met degenen die in hetzelfde geloof als Abraham gemeenschap hebben met de God van Abraham. Het eigenlijke zaad, het zaad in geestelijke zin, is de uitverkoren gemeente Gods.
Desniettemin eist God gehoorzaamheid in de onderhouding van de tekenen van het verbond van allen, die onder het verbond gezet zijn, zoals wij zagen. Derhalve is het ongehoorzaamheid en zonde als mensen, die door geboorte tot de kerk behoren, omdat hun ouders leden van de kerk waren, de bediening van de H. Doop nalaten in het verbond en daarmede Gods beloften verachten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's