De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

12 minuten leestijd

Bar en Boos — Nes Amim — Verdriet en Verweer — De januari-concio van 1963.

Onze ouders spraken nogal eens over „de barre winter van 1890", wanneer wij in een zachte winter verlangden naar vriezend weer, of, als wij de vrieskoude hadden, er over klaagden. Die „barre winter van 1890" gold wel als een record. Er zullen weinigen onder onze lezers zijn, die genoemde winter hebben meegemaakt en er notie van hebben.

Zal de winter van '63 ('62/'63) onder het nageslacht ook bekend staan als zulk een record-winter? Hij is inderdaad „bar en boos". Niet, dat er in onze 20e eeuw geen winters geweest zijn, waarin, de temperaturen niet nog lager waren. In 1929 werd de „Friese elfstedentocht" gereden bij een temperatuur van 20° onder nul. Zo laag was het kwik 18 januari jl. niet. Maar er woei een harde, stormachtige wind en het ijs was vaak haast niet te berijden. Daardoor was het experiment haast „bovenmenselijk" en naar veler opinie onverantwoord.

Wij hebben in deze eeuw heus wel, naar het kwik gemeten, koude winters gehad — voorzover daarover nu te oordelen is —, men herinnere zich de winters uit de „bezettingstijd", waarin we haast geen brandstof hadden. Maar de harde wind, die de sneeuw zich deed ophopen, meerdere plaatsen door die sneeuwverstuivingen isoleerde, dat alles doet spreken van „bar en boos".

En dat niet alleen in ons land. In schier heel Europa, Engeland er bij inbegrepen, woedt een uitzonderlijk strenge koude. En het tegenwoordig geslacht, schijnt er niet meer zo tegen bestand te zijn als het voorgaande. Verslappende invloed van welstand en weelde? Het zou kunnen.

Bij al het klagen over koude en ongerief, — het wordt soms morren en murmureren! — vergete men niet, dat ook in vrieskoude en sneeuwstormen de heerlijkheid en majesteit Gods openbaar wordt. Luister slechts: „Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn Woord loopt zeer snel. Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit den rijm als as. Hij werpt Zijn ijs henen als stukken; Wie zou bestaan voor Zijn koude? Hij zendt Zijn Woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien; de wateren vloeien henen".

(Psalm 147 : 15-18)

In het natuurgebeuren openbaart de Heere ook Zijn „inzettingen aan Jakob maakt Hij Zijn inzettingen en rechten aan Israël bekend". Het staat er ook voor ons. En het staat in den psalm, die begint: „Looft den Heere, want onzen God te psalm zingen is goed, dewijl Hij liefelijk is". „Na het zure geeft Hij het zoet", zingen we meermalen. Hij geeft ook wel in het zure het zoet. Wie zo „de liefelijkheid" des Heeren ervaart, heeft het goed, ook in barre tijden.

In de staat Israël wil een protestants-christelijke organisatie een „model-dorp" bouwen en daarin een stukje christelijke samenleving in protestantse geest gestalte geven. Men kan van deze plannen gelezen hebben in zijn dagblad. De vereniging, welke deze plannen voorstaat, dient zich aan onder de naam: Nes Amim, twee Hebreeuwse woorden, die betekenen: Banier (nes) der volken (amim). Leiders van Nes Amim zijn de Nederlandse arts J. J. Pilon en Yakob Bemardt, een Zwitsers ingenieur, die directeur is van „Nes Amim A.G." uit Zurich afkomstig. De naam van de vereniging of stichting is een bijbelse. Hij is ontleend aan Jesaja 11 : 10: „Want het zal geschieden te dien dage, dat de heidenen naar de wortel van Isaï, Die zal staan tot een banier der volkeren, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn". In plaats van „banier", wordt „nes" ook wel vertaald als „wonder". Dat verandert aan betekenis en bedoeling van die tekst, die bijzonder „messiaans" is, in wezen niets.

Aanvankelijk schenen de plannen zonder moeite hun verwezenlijking te zullen krijgen. De autoriteiten in Israël, die men er over raadpleegde, gaven toestemming voor de vestiging der bewoners, van het dorp, dat in Galilea zou gesticht worden. De grond — 120 ha — werd aangekocht; jonge mensen hadden zich al opgegeven, om zich in het te bouwen „Nes Amim" te vestigen en door hun arbeid , het inzicht der Israëliërs te verruimen". Zo schrijft de correspondent van de N.R.Crt. in Jeruzalem in een tweetal artikelen, die te lezen staan in de nrs. 7 en 8 januari 1963.

Het wachten was alleen nog op de visa, welke de Israëlische minister van Binnenlandse Zaken zou moeten verschaffen. Maar de visa bleven uit en zullen uitblijven, zolang die minister „als lid van de nationaal-religieuse coalitiepartij" er nog niet van overtuigd is, dat de zaak „bona fide is". Aldus de bovengenoemde correspondent in Jeruzalem. En hiermee zijn we midden in de huidige moeilijkheden rondom „Nes Amim".

Wat toch is de zaak? De leiders van „Nes Amim" hebben van meet af aan, hier in Nederland en in Israël, vrijwillig de verzekering gegeven, dat het project, in genen dele missionaire bedoelingen had. Bedoeling van de te stichten nederzetting zou dus een maatschappelijke zijn — verruiming van de inzichten der Israëliërs in technisch en sociaal opzicht. Het geheel, zo maak ik uit wat ik van de bedoelingen van de stichting meerdere malen las op, zou van culturele aard zijn.

Dit nu wordt in de laatste tijd in joods-orthodoxe kringen hier in twijfel getrokken. En aangezien deze kringen contacten hebben met de orthodoxe partij in Israël, is ook daar argwaan ontstaan. Bekend is geworden, dat .de arts Pilon, 10 jaar aan „het Schotse zendingshospitaal in Tiberias" werkzaam was geweest. En voorts: „De voorzitter van 't Nederlandse bestuur van Nes Amim, ds. J. J. Buskes, had een tijd lang in datzelfde ziekenhuis de leiding gehad en verder was ds. Buskes een uitgesproken voorstander van zending onder de Joden. Toen ook nog bleek dat ds. Buskes deel had uitgemaakt van de eerste buitenlandse delegatie die twee jaren geleden de eerste officiële besprekingen met Israels minster van financiën inleidde en dat enige medewerkers aan dit project zowel in Nederland als in Israël christenen van Joodse afkomst waren was de beker vol. „Hier komt nog bij, dat naar gebleken is, de leiders van Nes Amim, nimmer contact hebben gezocht met de „orthodox-religieuze kringen in Israël", die de leiders der stichting er van schijnen te verdenken met halve waarheden te zijn gekomen.

Het spreekt vanzelf, dat de heren Pilon en Bernardt direct naar Israël zijn gereisd en gepoogd hebben bij de leidende kringen in Israël de misverstanden uit de weg te ruimen. Hun bezoek is te kort geweest, naar ik in het Ie artikel van de N.R.Crt. las. Overigens is er wel bij meerdere instanties beter begrip ontstaan. Echter, „de enige man die zij niet ervan hebben kunnen overtuigen, dat men niet met halve waarheden naar de verwezenlijking van een ontmoetingsplaats tussen Joden en christenen toewerkte, is Israels minister van religie, dr. Wahrhaftig.

Drie uur duurde het onderhoud met deze Israëliër, die in zijn eigen partij (die der nationaal-religieuzen) juist ten opzichte van Nes Amim een ronduit afwijzende houding en bovendien een streng ondenzoek propageerde". Of de zaak nog voortgang zal hebben tot het gewenste doel? De heren Bernardt en Pilon hebben wel veel „goodwill" ondervonden, naar zij verklaarden. Zij menen te moeten doorgaan. Zij verklaren ook, dat zij fouten hebben gemaakt, o.m. deze, dat „zij het probleem der Joden en Christenen nu pas hier (in Israël) hebben leren kennen" en de „draagwijdte (van hun fouten) niet eens hebben gezien". Maar, hoe eerlijk dit ook zij, daarmede is de zaak nog niet gered, en zijn degenen, die zich contractueel hadden verbonden om te emigreren, niet uit de moeilijkheden.

Het wachten is nog op de uitslag van het onderzoek door een commissie van Israëlische ministers en van het parlement. En het is, zo gezien, wel zeer de vraag of de weg open zal komen.

Ik heb, toen de „Nes Amim" werd gesticht en gepropageerd, direct bezwaar gevoeld tegen de „vrijwillige" verklaring, dat missionaire bedoelingen waren uitgesloten. De vraag het mij niet los of dat mocht.

Men kan zijn bezwaren hebben tegen methodische fouten in de „Zending onder Israël", 't was toch haar bedoelen het Kruis te planten onder het volk, dat zijn Messias heeft verworpen, en nochtans, zo God het pogen zegent, voor zijn Messias moet gewonnen worden. Ik weet wel, dat men er in onze leidende kerkelijke kringen anders over denkt, van Zending onder de Joden niet wil weten, daarvoor „het gesprek met Israël" heeft in de plaats gesteld, doch de Evangelische opdracht, hoe men ze wil betitelen, eist tocht het Kruis der verzoening. Heeft aanvaarding van de nieuwere inzichten „Nes Amim" in de moeilijkheden gebracht?

De achterdocht der „orthodox-religieuze" kringen in Israël — zij zijn fel tegen het Kruis-Evangelie — is begrijpelijk, gezien de naam der stichting, — „Banier der volkeren" — gezien de antecedenten van meerderen in de leiding. Die kringen kunnen m.i. zich niet indenken, dat een stichting met die naam, en geleid door meerderen, die in de Zending onder Israël werkten, met al hun actie niet op de een of andere wijze zouden arbeiden tot de bekering van hen, met wie ze in contact mochten komen. In dat opzicht hadden ze m.i. een fijne neus. En het was en is van „Nes Amim" in haar leiding minstens naïef, naar ik meen aan dit alles niet te hebben gedacht. Men moge velerlei bedoeld hebben, dan toch ook om het Evangelie „voor te leven" onder de Israëliër, en als dat zo is — en van een echt „protestants-christelijke" stichting kan ik het tegendeel me niet indenken — dan zal er ook wel eens gesproken moeten worden, en kan men om het missionaire, het zending, het christelijke zendingbedrijven, niet heen. Dat zou ontrouw zijn aan Hem, Die aan de leden van Zijn gemeente het „ambt aller gelovigen" heeft gegeven.

Het was voor prof. dr. G. C. Berkouwer een eer, dat hij Werd uitgenodigd als waarnemer de zittingen van het 2e Vaticaanse Concilie bij te wonen. Hij heeft het zeer zeker te danken aan zijn studiën 'betreffende 't probleem: „Rome- Reformatie". Het was iets bijzonders, iets wat maar enkelen te beurt viel.

Het is ook te begrijpen, dat zijn gangen en wegen in Rome met argusogen werden nagegaan, vooral die, welke heenleidden naar een ontvangst van de „protestantse waarnemers" door paus Johannes XXIII. Men spitste zich op wat dienaangaande gemeld werd en of die „waarnemers" ook voor de paus geknield hadden om de apostolische zegen van hem te ontvangen.

En nu heeft zich het geval voorgedaan, dat in persorganen uit de kring der „vrijgemaakte geref. kerken" heeft gestaan, dat prof. B. voor de paus geknield had. Prof. B. schrijft daarover in 't „Geref. Weekblad" (uitgave Kok) van 11 januari '63 onder het opschrift: „Verdriet en Verweer". Dit stuk gaat vooral tegen de vrijgemaakte geref. predikant ds. Amelink. Deze heeft „gelezen", met „verdriet en verontwaardiging", „dat B. knielend de pauselijke zegen in ontvangst neemt". Waar hij (ds. A.) dat heeft gelezen, werd niet vermeld. Het bericht is dus ongecontroleerd overgenomen. Desniettegenstaande heeft ds. A. daarin aanleiding gevonden „om een riool wat hardhandig open te 'breken". Een dergelijke uitdrukking, afgestemd op een ongecontroleerd bericht, is wel wat onvoorzichtig en onverantwoord. Moest dit aangegrepen worden om zijn ergernis op prof. B. te luchten, die immers voorzitter was van de Synode der geref. kerken, waar besloten werd tot de schorsing en afzetting van wijlen prof. K. Schilder? Ds. A. is niet kieskeurig op zijn geschreven woord. Hij noemt dat, nl. het knielend in ontvangst nemen van de pauselijke zegen — „religieuze flauwekul". Die uitdrukking op zichzelf, deed mij ijzen. Onze taal, ook de omgangstaal verruwt schrikkelijk. Een dergelijke uitdrukking — ze werd helaas in de huidige conversatie heel „gewoon" gevonden, — doet me altijd onaangenaam en verdrietig aan. Maar als een dienaar des Woords uit een reformatorische kerk, ze zo neerschrijft, dan heb ik daar geen woorden meer voor. Dat is ergerlijk tot in de hoogste graad. Dit is geen „rede met zout besprengd", gelijk de H. S. ons die te allen tijde — aanbeveelt.

Een broeder uit het Noorden, ook een vrijgemaakte, had het bericht van het „knielen" in het „Gezinsblad" en nog een andere krant gelezen. Hij schreef aan prof. B.'s adres in Amsterdam het volgende: „U zou mij een groot genoegen doen van u te vernemen of het bovenstaande juist is en ook op u van toepassing is". Daarop antwoordde mevrouw Berkouwer — haar man was nog in Rome —, „dat het niet juist is". Prof. B. schrijft dan nog: „Meer is daar niet van te zeggen: helemaal en gewoon: niét juist".

Ik meende goed te doen, van dit „verdriet en verweer" hier iets door te geven. Wij hebben te allen tijde het woord van onze Heidelberger in praktijk te brengen (gelijk het slot van antw. 112 het zegt): „ook de eer en 't goed gerucht van mijn naaste naar mijn vermogen bevordere". In de bezettingstijd was dit veelal een vergeten hoofdstuk. Het schijnt er na die druk nog niet veel beter op geworden te zijn. Dat is erg, vooral waar het geldt kringen, die Gods gebod en de Catechismus belijden hef te hebben. En niemand onzer vergete, dat aan de geciteerde woorden ook nog zo iets voorafgaat, van „den zwaren toom Gods op mij laden".

Dinsdag 8 januari en ook nog de 9e januari jl. is naar traditie van enkele jaren reeds, onze predikantencontio gehouden op Woudschoten. Ik kon er tot mijn spijt niet aanwezig zijn. Er waren bijzonder verhinderende omstandigheden. De bezoekers waren niet in die mate opgekomen als uit de aanmeldingen verwacht werd. Misschien heeft koude en ongesteldheid meerderen teruggehouden. Uit wat ik van een collega hoorde, — „Trouw", mijn dagblad, gaf bij mijn weten geen verslag — was het er goed. Hij roemde alle referaten.

Het is daar op Woudschoten alzo een instructieve en sterkende samenkomst geweest. Zij late niet na te bekrachtigen en te stimuleren in de 2e helft van het winterseizoen in en tot het grote werk. Een predikant moet telkens geven. Het is een weelde als hij dan ook enkele dagen mag ontvangen. Wij hebben dat allen nodig op tijd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's