De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WIE ZAL BESTAAN VOOR ZIJN KOUDE?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WIE ZAL BESTAAN VOOR ZIJN KOUDE?

7 minuten leestijd

Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt, en zo gij het ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt? 1 Cor. 4 : 7

Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt?

Laten we beginnen met deze vraag te vernemen als tot ons persoonlijk gericht en er over na denken, o£ we iets kunnen ontdekken in ons leven, waarop we gewoon zijn het stempel mijn af te drukken, dat we niet ontvangen hebben.

We zullen moeten bekennen: niets, dat we niet ontvangen hebben. Alles gegeven goed: de adem, gezondheid naar lichaam en ziel, have en goed, kennis, verstand, wijsheid en Wetenschap, kracht om deze gaven te gebruiken, bekwaamheid en kunstvaardigheid, macht en heerschappij, veelmeer dan we ons bewust zijn.

Daarom zijn we met deze bekentenis nog niet, waar we wezen moeten om de vrucht van deze waarheid in ons leven te kunnen genieten. Het is heus niet zo diepzinnig om te ontdekken, dat we in alle opzichten afhankelijk zijn, afhankelijk van de „natuur", van de natuurlijke orde en loop der dingen, van weer en kIimaat, van de omstandigheden. Alle dingen zijn betrekkelijk en we zijn met duizend banden gebonden aan elkander en de omstandigheden, aan het zijn en niet-zijn en aan het zo-zijn der dingen.

Wij ervaren dat dagelijks en maken er gewag van: „door omstandigheden verhinderd", zo voeren we als excuus aan, „weg en weder dienende" nemen wij ons voor te zuilen komen, „bij leven en welzijn" hopen we dit of dat te doen.

Men zou zo zeggen, dat we ons aardig bewust zijn van onze afhankelijkheid, maar, als het niet verder komt dan deze algemene ervaring, blijft het nog verre verwijderd van de levenswijsheid, die de Heilige Schrift bedoelt.

Wat anders toch kenmerkt de menselijke samenleving zozeer als het streven om de loop der dingen en der omstandigheden denkend en technisch te beheersen, macht en heerschappij te nemen over het ganse leven? Is dit niet de eigenlijke cultuurdrang? Zekerheid door macht en heerschappij?

De moderne mens heeft zo grote vorderingen gemaakt, dat hij er eigenlijk niet goed weg mee weet, en zich alles behalve veilig gevoelt, maar hij roemt, roemt in zijn buitengewone vorderingen in kennis en vinding en de ontstellende toeneming van zijn macht. Hij bespiedt de planeten — astronomisch gesproken — van dichterbij met behulp van zijn vernuftig gebouwde en met bewonderenswaardige instrumenten — men zou haast zeggen — bemande ruimteschepen. Hij splitst de elementen, stelt nooit tevoren gekende energieën in zijn dienst en omspant de aarde.

Die roem is in zijn algemeenheid ontdekkend, 't Is waar, dat de moderne mens huivert bij de gedachte aan een kernoorlog, maar een gloed van bewondering trekt door alle ziel, die leest van de Mariner II, die, in de buurt van Venus gedirigeerd, van daar bericht doet aan de aarde over zijn bevindingen daar miljoenen kilometers van haar weg. En dan de kunstmanen, die visuele communicatie tussen de werelddelen mogelijk maken.

Want in die algemene bewondering trekken we de roem der vakgeleerden naar ons toe en we delen er in. Is het niet de geest van de mens, die dit alles construeerde? De geest van de mens, die zijn heerschappij ook in de wereldruimte zoekt te vestigen? Machtige geest!

Dat is het juist. We bewonderen en roemen de geest van de mens, omdat wij van dezelfde geest zijn. Het is ten slotte onze wetenschap, onze techniek, onze onderneming, onze heerschappij, onze macht, onze roem. In dit opzicht zijn wij zeer solidair.

Het alles zo mooi en zo groots, zo machtig, dat we de huivering der onveiligheid naar de uiterste schuilhoeken verdrijven en trachten te begraven onder de alledaagse beslommeringen en afleidende bezigheden.

En nu komt de Bijbel als een spelbreker daar tussen: „Wat hebt gij; dat gij niet ontvangen hebt? " „En zo gij het ontvangen hebt, wat roemt gij? "

Denk niet, dat die zichzelf verheffende, roemende mens, zich zo maar op de eerste aanmaning gewonnen geeft aan dat Bijbelwoord. Want ook over de Bijbel heeft hij zijn gedachten, althans voor zover hij kennis draagt van de Bijbel en daarvoor nog enige belangstelling heeft. En wat zal de grote menigte in onze moderne wereld, die vervreemd is van de kennis der Heilige Schrift, en die met kerk, geloof en belijdenis als ouderwets en niet meer voor de mens van deze tijd hebben afgedaan?

Zolang God ze in hun wegen laat wandelen, zullen de mensen opgaan in de roem van de mens, in zijn macht en heerschappij. Blind voor de ijdelheid, waarin zij zich verheugen, zullen ze zich overgeven aan de dromen van een ideale samenleving, een paradijs van menselijke architectuur, een hemel op aarde, maar dan zonder God. De geest der revolutie heeft het heel duidelijk gezegd: geen God en geen Meester.

Alleen, die nare gruwelinstrumenten A-bommen en H-bommen. Die moesten de mensen maar liever niet gemaakt hebben. Dat is een donkere schaduw over de dromen van de vooruitgang. Eigenlijk is het een angstige bedreiging. Men moet er niet aan denken: een wereldoorlog met gebruik van kernwapens. Dat kan niet anders dan algehele ondergang betekenen.

Waren de mensen nu maar even soli­dair in naastenliefde en wijsheid ais in verlangen naar heerschappij en macht. Het blijkt echter, dat dit niet het geval is. Het ontbreekt zelfs aan onderling vertrouwen bij de verantwoordelijke machthebbers, die het gevaar door een voorzichtig verdrag zoeken te bezweren. Waarlijk niet zonder oorzaak.

De moderne mens moge naar zijn eigen oordeel ontgroeid zijn aan de eenvoud, die de Heilige Schrift als Gods Woord ontvangt, daarvoor beeft en daaruit leeft, het moet hem toch wat te zeggen hebben, dat de barre winter machtiger is dan hij. Handel en arbeid in boeien geslagen, transport belemmerd of stilgelegd, voorraden aanwezig van levensmiddelen en brandstof, maar het vervoer gestremd, bedrijven stilgelegd, schepen ingevroren in de rivieren en kanalen, treinen blijven steken in de sneeuw, dorpen worden geïsoleerd, zelfs in het land van de zuidvruchten heerst strenge vorst. En het houdt zo aan.

Dat is het, het houdt zo aan en naarmate het strenge weer langer duurt, naar die mate gaan de boeien van de winter meer knellen, en worden symptomen waargenomen van dreigende nood.

Het water, levensvoorwaarde voor alles, wat adem heeft, ook voor de mens, datzelfde water is in bevroren toestand een bedreiging voor het leven.

Heeft dit ons niets te zeggen?

Wij roemen in de macht van de mens over de „natuur", zoals dat heet, maar vermogen niets tegen Hem, die de natuur schiep. Hij toch, die het water heeft voortgebracht en alles, wat leeft, de adem en het leven geeft, heeft ook de veranderingen in temperatuur geordineerd, de wisselende jaargetijden en ook de vorst. Het is alles in Zijn hand: „Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn Woord loopt zeer snel, Hij geeft sneeuw als wol, Hij strooit de rijm als as. Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude? " (Psalm 147 : 17)

Kennelijk worden we bij onze onmacht bepaald, aan onze zwakheid herinnerd en aan de ijdelheid van onze roem.

Ook de macht is gegeven goed. Dat geldt niet alleen van overheidsmacht, maar van alle vermogen. „Want er is geen macht dan van God en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd." (Rom. 13 : 1)

Daarom hebben wij slechts zolang en zover beschikking over onze vermogens, over onze macht en heerschappij, ais Hij ons die beschikking laat.

Zo waarlijk het uitspansel de werken van Gods hand verkondigt, zo waarlijk klinkt er een stem uit deze langdurige en strenge koude, een roep tot bezinning en verootmoediging, tot lering en bekering, tot erkentenis van Zijn Majesteit, en tot aanbidding, opdat de nood worde afgewend.

Als gij mens, alles zonder enige uitzondering ontvangen hebt, wat maakt gij u groot en wat roemt gij?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

WIE ZAL BESTAAN VOOR ZIJN KOUDE?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's