De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONZE CATECHISMUS (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONZE CATECHISMUS (4)

10 minuten leestijd

De lezer zal nog graag iets naders horen over Ursinus en Olevianus, de twee mannen, die 'bij de totstandkoming van de catechismus zo'n grote rol hebben gespeeld. Aan deze wens willen we graag voldoen.

Zacharias Ursinus is de man, die steeds weer met grote bekwaamheid en scherpzinnigheid de pen opnam ter verdediging van de leer van de catechismus tegen de heftige aanvallen van Lutherse zijde. Tal van geschriften verschenen er van zijn hand, meest geschreven in naam van de Heidelberger theologen. In één van deze vermeldt hij een uitlating van Luther over de avondmaalsstrijd vlak voor diens laatste reis naar Eisleben tegenover Melanchton: „Beste Philippus, ik beken, dat de zaak van het sacrament te veel op de spits gedreven is". — Er brandde van Lutherse zijde een hel op los.

Het lag heel niet in de aard van Ursinus om steeds weer te vechten; hij was een vredelievend figuur. Doch de opgedrongen strijd mocht hij om der waarheid wille niet uit de weg gaan, hoewel dit hem diep smartte. „Uit deze strijd", schreef hij eens aan Bullinger, „heb ik een wond meegedragen, waarvan ik de genezing in dit leven niet verwacht". Dag en nacht heeft hij gearbeid en onder de zware arbeidslast werd zijn levenskracht opgeteerd. Zijn ogen verzwalkten en hij leed erg aan slapeloosheid. Daarbij kwam het gevoel, dat hij niet opgewassen was tegen de vervulling van zijn taak, zoals zijn geweten hem die met pijnlijke nauwgezetheid deed beseffen. Naast zijn hoogleraarambt had hij de verzorging van het predikanten-seminarie. Een tijdlang was hij van de ongeveer zeventig seminaristen de enige leraar, terwijl ook de hele economische leiding van de inrichting op zijn schouders rustte. Hij sprak dan ook in zijn brieven over het seminarie vaak als zijn „tredmolen". Enige verlichting bracht hem de komst van Zanchius in 1568, die de colleges in de dogmatiek overnam.

Nochtans bleef de overbelasting zo groot, dat hij in 1569 tegenover een vriend klaagde, dat hij in het gehele jaar zelfs niet zoveel tijd had gehad, dat hij eens de stad uit kon. „Als mijn vader hier gekomen zou zijn, zou ik hem niet kunnen bezoeken". Hij kon zich uit zijn „tredmolen" niet losmaken. En dan steeds weer gekweld te worden door ischias en aanvallen van niersteen. In 1571 werd hem een professoraat in Lausanne aangeboden op zeer gunstige voorwaarden. Maar de keurvorst liet hem niet gaan en zijn geweten gaf hem geen vrijheid om zich hiertegen te verzetten.

Onder deze omstandigheden werd zijn zwaarmoedigheid groter en troostte hij zich met de hoop, dat God hem spoedig van zijn post zou aflossen.

Bij alles droeg hij het heil der kerk als een last op zijn ziel. Wat heeft hij geleden onder het gemis aan kerkelijke tuchtoefening. Steeds doorijverde hij voor opzicht en tucht als het sieraad van het Huis des Heeren. Deze zachtmoedige man was onwrikbaar als het ging om de eer des Heeren. Een droeve geschiedenis was de afval van een paar predikanten, waarvan er één zelfs overging tot het mohammedanisme. Eén van deze beiden — daar de andere, die overging tot het mohammedanisme, naar Turkije wist te ontkomen — werd terecht gesteld. Dit doodvonnis droeg odk de goedkeuring weg van Ursinus en Olevianus.

We mogen dit in het kerkelijk leven van de Paltz diep ingrijpende en smartelijke voorval niet beoordelen vanuit onze tijd, maar moeten goed in het oog vatten, dat in die tijd de algemene overtuiging leefde, dat dergelijke ketters moesten uitgeroeid worden.

Inder dat alles zal Ursinus' zachtmoedige geest niet weinig geschokt zijn en geleden hebben. Eén vuur brandde slechts in zijn hart: de ere van de naam des Heeren, en dat verteerde zijn leven in de dienst van zijn Koning.

Wat moet het daarom voor hem geweest zijn, toen hij na de dood van Frederik III door diens opvolger Lodewijk VI uit zijn ambt werd gezet. Hij mocht er de smaadheid van Christus in dragen. Anderzijds was het hem een genadige verlossing uit zijn „tredmolen", waaronder hij dreigde te bezwijken. Hij was gemoedigder dan ooit en schreef aan Beza: „Ik leef met mijn gezinnetje (voor twee jaren was hij getrouwd en had één zoontje) en ben al een poos zonder werk, waardoor ik in het levensonderhoud zou mogen voorzien; middelen heb ik niet. Maar door Gods goedheid ben ik, wat mij betreft, opgeruimder dan ooit". Hij mocht, bevrijd van alle zorgen, op de Heere vertrouwen, en zo zijn catechismus beoefenen, dat alles uit Gods Vaderlijke hand hem toekwam.

Een jaar heeft hij nog gewoond in de ambtswoning van het seminarie. Op 16 oktober 1577 moest hij die verlaten. Vrienden namen hem met zijn vrouw en kind gastvrij op, waarna hij spoedig een nieuwe werkkring vond met andere uitgewezen theologen aan de nieuw-opgerichte gereformeerde hogeschool te Neustadt, in het gebied van Johan Casimir, de jongste zoon van Frederik III, die eenmaal op de bekende rijksdag van Augsburg zijn vader de Bijbel had nagedragen.

Ursinus' lichamelijke kracht was bij zijn verhuizing naar Neustadt reeds bijna geheel gebroken. Door zware pijnen gekweld en veel aan zijn bed gebonden, was 'hem de eenzaamheid, opdat hij zo mogelijk nog werken kon, het liefst. Boven de deur van zijn studeerkamer las de bezoeker de woorden: Vriend, wie gij ook zijt, die hier komt: maak het kort of ga heen, of help mij bij het werk. Met deze van de professor vooraf ontvangen boodschap kwam men bij hem binnen.

Verbazingwekkend is de arbeidskracht, die Ursinus in deze laatste jaren van zijn wegkwijnend leven nog heeft mogen ontplooien. Eén groot theologisch werk en twee kleinere geschriften ter verdediging van de gereformeerde leer mocht 'hij nog voltooien.

Toen kwam de tijd der aflossing. Op 6 maart 1583 werd deze strijder Gods na een laatste smartelijk ziekbed van een paar maanden uit dit tranendal 'bevorderd tot heerlijkheid om het loon van een getrouwe dienstknecht te ontvangen.

In zijn gedachtenisrede roemde Ursinus' collega Franciscus Junius de vrede en het geloofsvertrouwen, waarin de man Gods mocht heengaan.

Zijn nagedachtenis wordt nog altijd door veel predikanten geëerd in het naslaan bij de voorbereiding van de catechismuspreek van Ursinus' Schatboek. Dat mogen we tenminste veronderstellen, want het bevat een schat van gegevens, die het bestuderen ervan ook voor onze dag nog steeds tot een lonende arbeid maakt.

Na de dood van de keurvorst moest ook Olevianus het veld ruimen in Heidelberg. In een preek had hij de gemeente gewaarschuwd tegen de Lutherse reactie, die komen zou. Hierdoor nog meer geprikkeld, liet de nieuwe keurvorst Lodewijk reeds drie dagen na zijn aankomst in Heidelberg Olevianus voor zich komen, ontzette hem uit zijn ambt en kondigde hem huisarrest aan. Bij zijn invrijheidstelling werd 'hij uitgewezen. Na enig rondzwerven werd hij door Graaf Lodewijk van Wittgenstein, vriend van Frederik III naar Berleburg beroepen. Daar en in het naburige gebied van de 'graven van Nassau, Wied en Solms mocht hij de presbyteriale kerkregering invoeren. Onder alles door preekte hij veel en was zijn pen zeer vruchtbaar. Een heel bekend werk van zijn hand is een verhandeling over het genadeverbond, nog altijd het lezen waard. Het getuigt van diepe godsvrucht en helderheid van gedachten en vertolkt op uitnemende wijze de rijkdom van Gods genade voor Zijn Kerk. Tot in allerlei uitdrukkingen toe merkt men Olevianus' nauw verbonden zijn met de hervormer van Geneve.

In 1584 werd hij door de graaf van Nassau-Dillenburg als predikant naar Herborn beroepen, waar hij ook aan de pas geopende universiteit het professoraat in de dogmatiek op zich nam. Spoedig werd hij echter zwaar ziek en in 1587 ontsliep hij, overgegeven in de handen des Heeren, op eenenvijftig-jarige leeftijd. Ook hij had zijn leven mogen verteren in de dienst van zijn Koning. In zijn studententijd had hij op het keerpunt van zijn leven een belofte gedaan. Hij studeerde toen in het franse Bourges. Bij een wandeling met enige vrienden, waaronder een zoon van de latere keurvorst Frederik III, gingen de laatsten in een boot, welke omsloeg. Olevianus was op de oever achtergebleven doch sprong, toen hij het ongeluk zag gebeuren, in de rivier om de drenkelingen te redden. Daarbij geraakte bij echter zelf in levensgevaar. In deze nood beloofde hij God, dat, als hij in leven mocht blijven, hij zijn medeburgers in het vaderland het Evangelie zou verkondigen. Hij werd gered en erkende daarin Gods bijzondere leiding. Met brandende ijver heeft hij zich vanaf dat ogenblik geworpen op de bestudering van de Heilige Schrift en de commentaren van Calvijn. De belofte, in zijn studententijd op zon kritiek moment van zijn leven afgelegd voor het aangezicht Gods, heeft hij tot zijn laatste ademtocht mogen houden en vervullen.

In zijn testament was o.a. het volgende te lezen: Ten eerste dank ik mijn goede God, Vader, Zoon en Heilige Geest, dat Hij mij tot een redelijk schepsel op deze aarde geschapen heeft; daarna in het bijzonder, dat Hij mij krachtig heeft geroepen en mij het geloof geschonken heeft, mij heeft levend gemaakt in onze enige Middelaar en Heiland Jezus Christus, daar ik dood was in zonden, en mij in Hem geschonken de gerechtigheid Gods in het heilig offer van mijn Heiland Jezus Christus en de toekomstige heerlijkheid, en mij heeft geopenbaard de rijkdom zijner genade, dat hij mij heeft uitverkoren tot het kindschap in Christus uit genade, waaruit al deze genadegaven voortvloeien en mij die heeft deelachtig gemaakt door de Geest van het kindschap, waardoor wij roepen Abba, Vader.

De eigenhandige ondertekening luidt: Ik, Caspar Olevianus, heb met eigen hand ondertekend en betuig openlijk voor de heilige Drieëenheid, dat ik het onvervalst christelijk geloof door de Geest en de genade Gods, beide met woord en schrift, heb geleerd en dat ik in datzelfde geloof en diezelfde leer door Gods genade tot de eeuwige zaligheid en door de verzegeling van de Heilige Geest volhard in vertrouwen op Zijn genade, die Hij mij in Zijn Woord heeft geopenbaard. Amen door Jezus Christus.

Op zijn ziekbed heeft hij nog rijk mogen getuigen van Gods genade. Eens zei hij: „In deze ziekte heb ik eerst recht geleerd wat zonde is, en hoe groot Gods majesteit is". Aan zijn vriend en collega Johannes Piscator vertelde hij toen: „Gisteren ben ik langer dan een uur met onuitsprekelijke vreugde vervuld geweest. Het was mij alsof ik op een blinkende weide wandelde, en terwijl ik er inging, droop hemelse dauw niet in droppels maar in stromen op mij neer. Daarin heeft zich lichaam en ziel meer dan in iets anders verlustigd. De goede Herder heeft mij tot de bron van het levende water gevoerd".

Herhaaldelijk liet Olevianus zich voorlezen uit de Schrift. Hij zag uit naar het uur der ontbinding: „Ik wil mijn reis naar de Heere niet langer uitstellen, ik verlang ontbonden en bij Christus te zijn". Toen hij stervende was vroeg hem een ambtgenoot: „Lieve broeder, ge zijt zonder twijfel zeker van uw zaligheid in Christus, zoals gij die aan anderen hebt geleerd? " De stervende legde daarop zijn hand op zijn hart en zei: „Certissimus" (volkomen zeker). Dit was zijn laatste woord.

Zo hebben de drie mannen, die het nauwst bij de opstelling van onze catechismus betrokken zijn geweest, in het geloof gearbeid en zijn ze in de Heere ontslapen. Hun arbeid is niet ijdel geweest in de Heere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONZE CATECHISMUS (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's