De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

7 minuten leestijd

OPENBARINGEN 20 HET DUIZENDJARIG RIJK

OPENBARINGEN 20 HET DUIZENDJARIG RIJK

(48)

Openbaring 20:5 en 6

De vorige maal zagen wij, dat volgens die verklaarders der Heilige Schrift, die op het standpunt staan, dat het duizendjarig rijk zijn vervulling vindt reeds nu in de loop der geschiedenis, de heerlijkheid, waarvan sprake is in vers 4, een hemelse is. Deze heerlijkheid valt volgens hen de gelovigen ten deel na htm sterven en mist haar invloed op aarde niet.

De vraag is gerezen, of deze opvatting wel te handhaven is, vooral in verband met wat volgt in de verzen 5 en 6.

In deze verzen is immers sprake van een eerste en tweede opstanding. Eist die uitdrukking, eerste opstanding, niet, dat wij bij die heerlijkheid, in vers 4 beschreven, veel meer zullen denken aan een bijzondere toestand op aarde, waarin de gelovigen zullen verkeren, nadat zij lichamelijk zullen herrezen zijn?

Deze herrijzenis zou dan een opstanding zijn, waarin zij alleen zullen delen en die aan de algemene opstanding der doden op de jongste dag zal voorafgaan. Wijst ook het begin van vers 5 niet in die richting: „Maar de overigen der doden werden niet weder levend"?

Het is bekend, dat de Chiliasten juist in wat staat in vers 5 en 6 een belangrijk argument voor hun standpunt menen te vinden. Volgens hen zal er dus in de toekomst eerst een wederkomst van Christus plaats vinden, waarbij alleen degenen, die reeds in de hemel waren, lichamelijk zullen herrijzen en daarna zullen dezen dus met Christus op aarde regeren, — het 1000-jarig rijk! Deze herrijzenis is niet de algemene opstanding in de dag der dagen, maar één, welke daaraan voorafgaat, — daarom de eerste opstanding. Dit staat duidelijk in vers 5 en 6 te lezen!

Behalve op wat staat in deze verzen van het visioen uit Openbaring 20 beroepen de Chiliasten zich voor hun zienswijze op andere plaatsen uit de Heilige Schrift, zowel uit het Oude als uit het Nieuwe Testament. Het is hier hét moment, om daar even op in te gaan.

Enkele van de belangrijke plaatsen zijn wel Job 19 vers 25—27, waar Job zegt: „Ik weet, mijn Verlosser leeft en Hij zal de laatste over het stof opstaan, en ik zal uit mijn vlees God aanschouwen". In deze woorden van Job beluisteren de Chiliasten een profetie van de eerste opstanding.

Vervolgens Jesaja 26 vers 19 waar staat: „Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan". Ook in deze woorden lezen de Chiliasten één zelfde profetie, omdat in het verband staat: „Dood 'zijnde, zullen zij niet weder levend worden, overleden zijnde, zullen zij niet opstaan". Dit laatste wordt ge­zegd van de vijanden Gods. Daarom moet het volgens de Chiliasten in de eerste uitspraak gaan over een bijzondere opstanding, welke wel aan de gezaligden, niet aan de vijanden des Heeren te beurt zal vallen. In de algemene opstanding zullen immers gelovigen én ongelovigen delen.

Verder zijn er nog andere plaatsen in het Oude Testament te noemen, waar sprake is van het niét-opstaan der goddelozen. En dan is daar in het Nieuwe Testament Lucas 14 vers 14, waar wij lezen: „En gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben om u te vergelden, want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen". Ook deze opstanding kan volgens de Chiliasten geen andere zijn dan de eerste, omdat hier met nadruk gesproken wordt over de opstanding der rechtvaardigen.

En dan zijn daar vervolgens nog Lucas 20 vers 34—36 en vooral 1 Corinthen 15 vers 23—28, waar Paulus inderdaad spreekt van een bijzondere orde in de opstanding. Daar is eerst de opstanding van de Eersteling Christus, dan die van hen, die in Christus zijn in Zijn toekomst. En daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben. Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. Ook in dit gedeelte bedoelt de apostel volgens de Chiliasten niet te spreken over één algemene opstanding in de dag der dagen, maar bedoelt hij onderscheid te maken tussen een éérste opstanding der gelovigen en een daarop volgende, algemene, op de jongste dag.

Die exegeten, die het Chiliasme afwijzen, vinden echter in de genoemde Schriftplaatsen helemaal geen argument voor de gedachte van een éérste en tweede opstanding.

Daar is b.v. weer Job 19 vers 25—27, de jubel van Job, dat hij uit zijn vlees God zal aanschouwen. Maar de bedoeling daarbij is wel deze, dat hij dan ook in de heerlijkheid, welke hem ten deel zal vallen, voor aller oog gerechtvaardigd zal worden. Allen, ook zijn vijanden, zullen dan zien, dat hij Gods gunstgenoot is. Echter, zo vragen genoemde exegeten, als hier gedacht moet worden aan een aparte eerste opstanding, hoe zullen dan de vijanden, die in die opstanding nog niet zullen herrijzen, die heerlijkheid kunnen zien? Ligt het niet veelmeer voor de hand om hier te denken aan de algemene opstanding op de jongste dag, waarvan de Schrift ons op andere plaatsen leert, dat dan Christus niet alleen Zichzelf in majestueuze glorie zal rechtvaardigen tegenover al Zijn vijanden, maar ook al Zijn volk.

En wat de aangehaalde teksten uit Jesaja betreft, daarin lezen deze exegeten eveneens iets geheel anders, dan wat de Chiliasten erin menen te vinden.

Daarbij vragen deze exegeten, — ons inziens terecht, —: moeten wij niet één ding goed bedenken, nl., dat het Oude Testament sober is, als het gaat om de opstanding ten laatsten dage. Inderdaad noemen die plaatsen, welke spreken van de opstanding des vleses, hoofdzakelijk alleen de verrijzenis der gelovigen. Doch daarbij mag niet vergeten worden, dat de openbaring Gods op dit punt in het Oude Testament nog in nevelen gehuld is. Dit betekent nooit, dat zij ons onware dingen zou verkondigen, want dit sluit haar onfeilbaarheid buiten, maar dit houdt wél in, dat het licht in dit opzicht in het Oude Testament nog niet zo helder schijnt als in het Nieuwe. Het heeft zich nog niet uitgebreid tot een licht, dat haar glans in volle stralen uitgiet. En zo is het te verstaan, dat ook op dit punt de dingen nog in schaduwen gehuld blijven en dat, wat de opstanding betreft, vooral het licht valt op de opstanding van het volk des verbonds en van de gelovigen en de verrijzenis van allen in de schaduw blijft.

En wat betreft de door de Chiliasten aangehaalde plaatsen uit het Nieuwe Testament? Daar is b.v. Lucas 14 vers 14. De exegeten, die het Chiliasme afwijzen, vragen: moet de uitdrukking van Jezus, „de opstanding der rechtvaardigen", inderdaad verklaard worden in de zin van een éérste opstanding? Kan Jezus niet bedoeld hebben, dat op de éne dag van Zijn wederkomst, aan het eind der wereldgeschiedenis, er tweeërlei opstanding, gelijktijdig, zal plaats vinden en dat het in Zijn uitspraak hier dan gaat om die éne, de opstanding van de rechtvaardigen, de gelovigen?

Bovendien wijzen deze exegeten op het feit, dat Jezus Zelf b.v. in Johannes 5 vers 28 en 29 duidelijk spreekt van één wederkomst van Hem ten oordeel en dat dan dé opstanding uit de doden zal plaats vinden, waarbij wel die des levens, der gelovigen, en die der verdoemenis, der ongelovigen, moet worden onderscheiden.

In dit licht willen deze exegeten ook de uitspraak van Christus in Lucas 20 zien. Terwijl zij evenmin in 1 Corinthe 15 een opeenvolging in tijdsorde van verschillende opstandingen willen lezen, noch een chiliastisch intermezzo.

Omdat het woord, dat Paulus hier gebruikt voor de toekomst des Heeren, op verschillende andere plaatsen in het Nieuwe Testament gebruikt wordt en dan steeds aanduidt Christus éne komst om te oordelen de levenden en de doden!

Volgens deze exegeten kent de schrift maar één opstanding, nl. bij die wederkomst des Heeren, en deze opstanding is algemeen, voor allen, maar onderscheiden voor de gelovigen en voor de ongelovigen.

Een volgend maal zetten wij de bespreking van deze verzen uit Openbaring 20 voort.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's