Meditatie
DE MAANZIEKE JONGEN
En Jezus hem bij de hand grijpende richtte hem op; en hij stond op. Markus 9:27
Een aanvankelijke teleurstelling
Op weg haar de genezing van zijn enig 'kind, ontmoette de vader een ongedachte ontgoocheling. Hij had gemeend dat de discipelen er ook wel iets van verstonden en konden. Maar het was op een felle woordenwisseling uitgelopen. De discipelen waren in debat met de Schriftgeleerden, die bun voldoening over de mislukte genezing stellig als slagzwaard hanteerden.
Hoe vaak verwachten we het van de discipelen, van de kerk, van zijn dienaren en van Gods kinderen. Dikwijls loopt het op een teleurstelling uit. Ze hebben het niet gekund; de kerk heeft gefaald. Hoe vaak lezen we deze kwalificatie niet om er een minderwaardigheidscomplex van te krijgen. Maar inderdaad waartoe zijn de discipelen in staat, wanneer ze niet optreden in levende geloofsverbondenheid met hun Meester? We moeten leren afzien van het schepsel hoe vroom ook en hoe hoog aangeschreven. Hoogstens mogen ze als instrument fungeren, maar de mens, zelfs Gods kind, heeft steeds nog dat vergif in zich, dat nawerkt: Gij zult als God zijn. Een mens is niet tevreden met de plaats die de Heere toewijst.
Christus is afwezig. Maar grijp moed, arme teleurgestelde vader. Hij is onderweg. Hij daalt af van de zalige berg der verheerlijking. Na een hemel op aarde wacht een hel. Zo is het gedurig in het leven van Christus en van de Zijnen. De pestwalm van ongeloof en ijdele vrome discussie waait Hem in het gezicht. De Schriftgeleerden hebben het grootste woord, ze zijn meester op het terrein. Zo is het maar al te vaak, wanneer de levende Heere geweken is, ook in eigen hart. Met één enkel woord legt Hij echter Zijn vijanden het zwijgen op. Weldra trekken ze zich zwijgend terug. Van de 'buitenrand komt echter de vader met zijn ongelukkig kind in het middelpunt. Daaraan kennen we de Meester. Eersten worden laatsten en laatsten eersten. Die opzij werden gedrongen komen in het centrum en de centrale figuren komen aan de kant te staan.
Wat twist gij met dezen? Ook al hebben de discipelen gefaald en mee door eigen dwaasheid en kortzichtigheid, toch neemt Hij het voor de Zijnen op en Hij maakt hun twistzaak tot de Zijne.
De vader echter komt aan het bod. Snel geeft hij het trieste verhaal van de ziekte van zijn kind. Hij heeft een stomme geest en de stomme geest heeft hem.
Even ontvangen we een blik in de moeitevolle opdracht van de Middelaar. Zijn ganse leven was lijden. Als Hij eigen wil gevolgd had, was Hij allang heengegaan. O, veracht niet de rijkdom van goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid. Weet dat de goedertierenheid tot bekering leidt. Wisten we dat, het zou ons tot onschatbaar heil strekken. Maar met alles zijn we zo blind, zo stekeblind.
Glorende hoop
Voor de vader gaat een lichtje schijnen in de duisternis. Een woord vol belofte. Brengt hem tot Mij! Een woord om doopouders in te prenten. Een bevel, veelmeer een genadige permissie. Waren we zo begaan met de ziel van onze kinderen als deze vader met zijn zieke zoon, stellig zouden grote wonderen plaats vinden.
Als een streepje morgenrood aan de horizon, zo doet dit machtwoord de hoop rijzen.
Brengt hem tot Mij. Komt allen tot Mij. Wendt u tot Hem alle gij einden der aarde.
Andermaal een teleurstelling
Veel rampen, veel wederwaardigheden zijn des vromen lot. Ook op de wegen die naar het heil leiden. We moeten rekenen op geweld en list van duivel, wereld en vlees, wanneer we ons wenden tot Christus en wanneer we ons aan Hem willen houden.
Satan ruimt nooit zonder slag of stoot het terrein. Hij is de uitvinder en meedogenloze toepasser van de verschroeide aarde-politiek. Ik niet, dan Gij ook niet Heere Jezus. De knaap krijgt een vinnige aanval. Een droeve aanblik: die jongen die zich rondwentelt over de grond met het schuim op de lippen.
De echte doktersvraag: hoe lang? brengt de vader nog dieper in de put. Alle hoop moet wel echt en geheel ontvallen, zal ooit redding dagen. Ik vrees dat er zoveel zogenaamd geloof en christendom zich breed maakt vandaag aan de dag, dat nooit met zichzelf en met alles aan het einde is gekomen. Te vroeg overend is straks te laat. De vader moet vol wanhoop belijden dat de nare ziekte dateert van de kindsheid. Is het alzo niet met de kwaal aller kwalen, de stamkwaal: Ik ben ia zonde geboren en in ongerechtigheid heeft mij mijn moeder ontvangen. Vuur en water — vijandig als Pilatus en Herodes — spannen samen tot het verderf van de jongen. Om hem te verderven. In de duisternis van zijn wanhoop formuleert de vader helder en scherp het naakte doel dat Satan onafgebroken voor ogen zweeft. Verderven. Appolyon is zijn naam. Daarom kwam Christus om de werken van de duivel te verijdelen en te verbreken. Opdat die gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
In zijn onbeschrijfelijke nood boort de vader de goudader aan. Innerlijke ontferming. Vrije gunst die eeuwig Hem bewoog. Hij werpt zijn kind op Christus en op Zijn vrije genade.
Toch een mogelijkheid
Die Mij eren zal Ik eren. De vader verwacht het alleen van Christus. Deze echter wijst het geloof als enige en almachtige mogelijkheid. Het geloof dat bergen verzet.
Een geloof niet uit de vader — want hij spreekt niet van mijn geloof, wel van mijn ongelovigheid — maar uit God. Het is Gods gave en het wordt onder tranen geboren in het hart dank zij de scheppende Geest. Wanneer Christus spreekt van geloven en van geloof alleenlijk roept Hij de dingen die niet zijn in het aanzijn. Uw God, o Israël, heeft door Zijn bevel de kracht u toegebracht. Zulk een God hebt ge nu, o Israël. Daar vallen alle goden der heidenen bij in het niet. Een gaarne gevende en scheppende God.
Ik geloof, roept de vader. Zo moeten we in zieleworsteling met deze vader de aanhef van de twaalf artikelen leren. Credo: ik geloof. Zonder barensweeën geen geboorte.
Ditmaal is de duivel één ondeelbaar moment achterop. Hij heeft de wedloop verloren. Wel grijpt het ongeloof — mijn ongeloof — de vader naar de keel, maar even heeft het zegevierend geklonken: Ik geloof. Nu wordt hij gebouwd. Ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp. Is deze kreet niet de ademtocht van het nieuwe leven der wedergeboorte van ogenblik tot ogenblik?
Winden en boze geesten zijn Hem gehoorzaam. De stomme geest moet thans het veld ruimen. Kom niet weer in hem. Er is, wonder van genade, een volharding der heiligen. Die eens verdreven werd komt nooit weer terug al probeert hij het wel dag en nacht.
Een laatste teleurstelling
De genezing was te erg. Het had te veel gevergd. Het kind was als dood. In 'het gezicht van de haven strandde het scheepje.
Thans is de beurt aan het publiek. De Schriftgeleerden zien een rentree. Dood, dood, dood gaat het van mond tot mond. De vader krijgt evenveel dolkstoten. Was hij maar nooit met de jongen naar Jezus gegaan.
Dikwijls vlak voor de verlossing gevoelen we ons dorder en doder dan ooit tevoren. Geen verruimingen in het gebed, geen verkwikkingen onder de predikatie. Ik zal wel 'een dezer dagen gewis omkomen.
Volkomen verlossing
Chistus stoort Zich niet in het minst aan alle commentaar van velen. Velen zeggen: Hij heeft geen heil; Wie zal ons het goede doen zien?
Zonder woord pakte Hij hem bij de hand. Hij wil immers onze rechterhand vatten en ons leiden door Zijn raad. Jezus greep zijn hand en hij stond op. Omdat er opstandingskracht uitging van de Heere. Het gaat ten slotte in het Evangelie om opstanding. Opstanding uit ziekte, zonde en dood.
Er is een hardnekkig geslacht, dat alleen zwicht voor bidden en vasten. Bidden is aandoen van de nieuwe mens. Vasten is doodhongeren van de oude.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's