DE GEMEENSCHAP VAN HET VERBOND
Degenen, die door het teken des verbonds, de besnijdenis, verbonden zijn, vormen een gemeenschap naar aardse trant, alleen onderscheiden van andere aardse .gemeenschappen door het teken. Daaronder kunnen kinderen Gods zijn, deelgenoten van de geestelijke, de hemelse gemeenschap, maar ze leven onder de aardse gestalte van het verbond.
Die aardse gestalte is het gezin, de familie, de stam, zo straks het volk Israël, met andere woorden de gemeenschap, zoals die in haar sociale geledingen en verhoudingen bestaat, verenigd door het teken des verbonds. Deze gemeenschap vertegenwoordigt het verbond Gods in zichtbare gestalte en is als zodanig teken van het verbond, draagster van Gods beloften en bewaarster van Gods Woord.
Als zodanig, dus als aardse gemeenschap, door de onderhouding van Gods instelling geheiligd, is zij nochtans van de geestelijke gemeenschap onderscheiden als teken en betekende zaak.
Alle titels, waarmede Gods gemeente wordt versierd; kinderen Gods, uitverkorenen, gemeente des Heeren, kunnen op de aardse gemeenschap des verbonds (het volk Israël en later de Kerk) worden gelegd, doch alleen met inachtneming van de genoemde onderscheiding.
De aardse gemeenschap des verbonds wordt naar Gods inzetting en bevel door het sacrament (Doop of besnijdenis) gekenmerkt, de hemelse gemeenschap door het rechtvaardigmakend geloof.
In de huishouding van Abraham, de herdersvorst, moet het een gebeurtenis van buitengewone betekenis zijn geweest, toen al wat manlijk was besneden werd. Als we ons indenken, dat Abram een legertje van driehonderd 'krijgers, allen ingeborenen van zijn huis, kon afzonderen om Kedor-Laomer en de zijnen te vervolgen, dan kan het duidelijk zijn, dat het huis van Abraham met al de dienstbaren, ingeborenen, slaven en slavinnen, in de honderden liep en dat de besnijdenis een indrukwekkende zaak moet geweest zijn.
Cultuurhistorisch beschouwd is het zelfs niet onmogelijk, dat het gebruik van de besnijdenis onder andere volkeren en stammen, want het komt ook elders voor, terug gaat op het goddelijk gebod aan Abram.
In dat geval was de besnijdenis in de tenten van Abraham iets geheel nieuws. Hoe de huisgenoten en onderhorigen dit ontvangen hebben en ondergaan, wordt ons niet medegedeeld, maar het is geschied. (Genesis 17 : 23-27) We mogen echter veilig aannemen, dat de motivering druk besproken is, dat Abrahams geloof en zijn bijzondere ervaringen niet geheel onbekend zijn geweest onder zijn onderhorigen, dat hij er in ieder geval over gesproken moet hebben, en dat de hoge waardering voor Abraham en boven alles de toebereiding van de Heere God, die de harten neigt als waterbeken, deze gebeurtenis hebben begeleid en tot een historische gemaakt.
Inderdaad is de besnijdenis in ere gehouden onder Izaak en in de tenten van Jacob, ja ook in Egypte. (Jozua 5 : 5) In zoverre is het verbond onderhouden, hoewel het geslacht, dat uit Egypte toog, in de woestijn wegens ongehoorzaamheid is gestorven en het land der belofte niet mocht zien, hoewel het besneden was. Zo blijkt, dat 't teken des verbonds dragen wat anders is dan in het geloof wandelen. Behalve van de Aartsvaders: Abraham, Izaak en Jacob, wordt ons over het geestelijk leven slechts van enkelen iets medegedeeld. Op zich zelf genoeg om aan te tonen, dat God Zijn Kerk in stand houdt, maar anderzijds is er aanleiding om aan te nemen, dat de kennis van God ver beneden die der Aartsvaders is gebleven. Aan Mozes maakt God zich bekend als „de God uws vaders en de God van Jacob". (Exodus 3 : 6) Verder zegt God tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: „Jaweh (Jehovah) de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izaak en de God van Jacob heeft mij tot u gezonden". (Exodus 3 : 15 en 16) De naam Jaweh wordt in de St. Vertaling door Heere vertaald. In een volgend hoofdstuk sprak God tot Mozes: „Ik ben Jaweh en Ik ben aan Abraham, Izaak en Jacob verschenen als God de Almachtige, doch met Mijn Naam Jaweh (Jehova) ben Ik hun niet bekend geweest". (Exodus 6 : 1 en 2) Zie voor de openbaring aan Abraham en Jacob als de Almachtige, resp. Genesis 17 : 1 en Genesis 35 : 11.
De aartsvaders hebben God als de Almachtige gekend, maar klaarblijkelijk sprak de volkstraditie van de God van Abraham, Izaak en Jacob, een traditie, welke in ere is gebleven, zoals blijkt uit de rede van de apostel Petrus, naar aanleiding van de genezing van de kreupele. (vgl. Handelingen 3 : 13)
De inhoud van het volksgeloof is vooral gericht geweest op de belofte Gods aan Abraham, Izaak en Jacob gezworen, dat ze Kanaan zouden beërven, waarop Jozef bij zijn sterven met grote nadruk wijst. (Genesis 50 : 24 v.v.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's