Het verbond van de Sinaï
Na de uittocht uit Egypte kwam het volk Israël in de woestijn Sinaï. God gebood Mozes 't volgende tegen de kinderen Israels te zeggen: „Gijlieden hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren gedaan heb; nu dan, indien gij naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen en mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn; en gij zult Mij een priesterlijk Koninkrijk en een heilig volk zijn." (Exodus 19 : 4 v.v.)
Mozes brengt de Heere het antwoord van het volk weer: „Al wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen!"
Daarop zeide de Heere tot Mozes: „Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdat het volk hore, als Ik met u spreek en dat ze ook eeuwig aan u geloven." (Exodus 19 : 9)
Dan volgt: Op de derde dag verscheen de Heere op de berg Sinaï „voor de ogen van al het volk". (Exodus 19: 11) Toen gaf Hij de tien geboden. (Exodus 20) Deze verschijning was zo machtig, dat het volk van vrees vervuld distantie nam van de berg, van verre bleef staan en vroeg, dat Mozes met de Heere zou spreken en dat zij het van hem zouden vernemen. „Dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven". (Exodus 20 : 19)
Op Gods bevel moet Mozes het volk op het geheel bijzondere van dit geschieden wijzen. Het ganse volk heeft gezien, is er getuige van geweest, dat God, de God van Abraham, Isaak en Jacob, de God, die zij thans als Jaweh, de Heere, kennen, met hen van de hemel gesproken heeft! Zij hebben het allen gezien en gehoord. Evenals in den beginne tot Adam en later tot Noach heeft Hij gebiedend en verbiedend gesproken: gij zult en gij zult niet! Hij is immers de Almachtige, Schepper van hemel en aarde.
Hier hebben we niet van doen met een individuele bevinding, maar met een manifestatie voor heel Israël. Het ganse volk ziet en hoort, dat de levende God spreekt: Hij is het, de God van Abraham! de God van de besnijdenis! Hij heeft met hen, het zaad van Abraham, een verbond gesloten, toen ze nog niet geboren waren en nu kwam Hij het voor hun ogen en oren bevestigen: „Gij zult Mij een priesterlijk Koninkrijk en een heilig volk zijn". (Exodus 19 : 6)
Geen nieuw verbond, maar vernieuwing en bevestiging van het verbond met Abraham en zijn zaad. Ze weten thans allen, dat Israël van doen heeft met een God die leeft. Zij worden door Hem onderwezen in het verbond en omtrent de verhouding, welke dit medebrengt, tussen God en die van het verbond zijn: God heeft de mens als zedelijk-geestelijk wezen geschapen en Hij gaat met hem om als met een zedelijk-geestelijk wezen. Het verbond is de vorm van omgang, welke daarop niet alleen wijst, maar ook een nadruk legt op de zedelijke vrijheid en verantwoordelijkheid van de mens.
Toen God van de Sinaï sprak, moet het het volk wonderlijk te moede zijn geweest; een voorsmaak van de hemelse sfeer, waarvan de profeten gewagen: „zij zullen Mij allen kennen". Daar hebben ze bij wijze van spreken van God zelf een onvergetelijke catechisatie gehad over de verhouding van het verbond, gelegen in gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid is de grondwet van de schepping en heel de schepping is gehoorzaam op Zijn wenken, maar de mens (en ook de engel) is een zedelijk wezen. Hij kan tegen God „neen" zeggen, en de mens heeft „neen" gezegd. Daarom is de eis der gehoorzaamheid eerste voorwaarde voor de verwezenlijking van het verbond. (Exodus 19 : 5: „Indien gij naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen".)
De Heere God geeft ze te kennen, hoe Hij gediend wil worden d.w.z. Mozes ontvangt deze onderrichting van God en deelt al de woorden des Heeren aan het volk mede. Het antwoordt: „Al deze woorden, die de Heere gesproken heeft, zullen wij doen". Mozes schreef deze woorden op in een boek, dat volgens uitleggers afzonderlijk heeft bestaan, als het boek des verbonds, dat we vinden in Exodus 20:22 tot 23:33. Dr. W. H. Gispen verdeelt de inhoud in de volgende hoofdstukken:
I Voorschriften inzake de eredienst. 20 : 22-26.
II Rechten der Hebreeuwse slaven. 21:1-11.
III Voorschriften inzake het leven van de naaste. 21: 12-36.
IV Voorschriften in zake het eigendom van de naaste 22 : 1—17.
V Voorschriften inzake drie gruwelijke zonden. 22 : 18-20.
VI Voorschriften inzake de houding jegens hulpbehoevenden 22 : 21— 27.
VII Voorschriften inzake eerbied voor voor God en de Overheid, de eersteling en het verscheurde 22 : 28 -31.
VIII Voorschriften inzake de handhaving van het recht jegens de naaste. 23 : 1-12.
IX Voorschriften inzake de verhouding tot de Heere 23 : 13-33. (Dr. W. H. Gispen. Korte Verklaring van de Heilige Schrift met nieuwe vertaling. 2e druk. Kok Kampen. 1951. II blz. 75 v.v.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's