De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

9 minuten leestijd

OPENBARINGEN 20 HET DUIZENDJARIG RIJK

(49)

De vorige keer zagen wij, dat die verklaarders van de Schrift, die het CHiliastische standpunt verwerpen, de gedachte van twee, met tussenruimte van tijd op elkaar volgende opstandingen afwijzen en daarvoor verschillende uitspraken van de Schrift naar voren brengen.

Echter, van betekenis blijft dan toch, dat hier in het visioen van Openbaring 20 sprake is van een eerste opstanding. „Deze is de eerste opstanding" en „Zalig, heilig is hij, die aan de éérste opstanding deel heeft".

Zij, die het chiliastisch standpunt innemen, wijzen juist met grote nadruk op deze uitdrukkingen en zij voeren ze aan voor de juistheid van hun gedachte, dat wij moeten onderscheiden tussen twee opstandingen, welke wat de tijd betreft, niet samenvallen. Daarbij zijn er onder hen, die aanvoeren, dat het woord dat hier in het oorspronkelijke voor opstanding gebruikt wordt, alleen maar zou kunnen betekenen opstanding in letterlijke, lichamelijke zin, dus verrijzenis uit het graf.

Dit laatste is evenwel niet juist. Immers, het woord, dat hier in het oorspronkelijke gebruikt wordt, heeft in het Nieuwe Testament soms geen letterlijke, maar overdrachtelijke en geestelijke betekenis. Wij denken hier b.v. aan de uitspraak van Simeon in Lucas 2 vers 24: „Zie, deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël" en aan wat Paulus schrijft in Efeze 4 vers 14: „Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op luit de doden".

Wat hier in de verzen 5 en 6 van Openbaring 20 staat, behoeft dus niet beslist te doelen op een opstanding in letterlijke zin, doch kan ook hier heel goed een andere, geestelijke betekenis hebben. En dan behoeft wat hier staat, dus geen argument tegen de opvattingen van hen, die het Chiliasme verwerpen, te zijn. Integendeel.

Bovendien zagen wij in het voorafgaande reeds, dat in dit visioen dus sprake is van de zielen dergenen, die onthoofd waren. En wij zagen toen tevens, dat dat kon betekenen, dat Johannes dus visionair aanschouwde de zielen van hen, die Christus getrouw gebleven waren tot in de dood en dat hem dus geopenbaard werd dat die zielen, de ontslapenen zonder lichaam, met Christus heersten. Ook dit pleit tegen de gedachte van een lichamelijke opstanding.

En dan moeten wij hierbij nog acht geven op het feit, dat in vers 4 van die zielen, die Johannes aanschouwt, staat, niet alleen dat zij met Christus heersten, doch ook dat zij leefden. Ook wat deze laatste woorden betreft, is er verschil van gevoelen. Verschillende exegeten, die het Chiliastisch gevoelen zijn toegedaan, zeggen, dat wij deze woorden „en zij leefden" eigenlijk op grond van het oorspronkelijke moeten vertalen met „en zij werden levend" en dat wij dat dan niet anders kunnen opvatten dan in letterlijke, lichamelijke zin. Andere verklaarders echter voeren aan, dat wat 'hier ia het oorspronkelijke staat, inderdaad vertaald kan worden met „en zij werden 'levend", doch dat dit beslist niet de enige goede vertaling behoeft te zijn. Het oorspronkelijke zou ook heel terecht kunnen worden weergegeven met „en zij leefden". En dan behoeft ook dit helemaal niet te slaan op een lichamelijke opstanding uit de doden, maar dan kan ook dit aanduiden de heerlijkheid, welke de gelovigen, na hun sterven, in de hemel bij Christus ontvangen.

Wat nog verder staat in deze verzen is bij dit alles van betekenis. Wij lezen nl. in vers 5: „Maar de overige doden werden niet weder levend". Met dezen worden dus andere gestorvenen, de ongelovigen, bedoeld.

Doch de uitdrukking „de overige doden" houdt toch in, dat hiermee gezegd wil zijn, dat zij, van wie Johannes ziet, dat zij met Christus heersen, in zekere zin ook nog tot de doden behoren.

't Is te begrijpen, dat die exegeten, die het Chiliasme verwerpen, ook op deze uitdrukking met nadruk wijzen. Ze is een versterking voor de gedachte, dat het in dit visioen gaat om mensen, die voor ons besef dood zijn. In andere zin, naar de ziel, leven zij. Dit ligt dan in de lijn van wat Jezus Zelf eens zei tot de wenende Martha: „Ik ben de Opstanding en het Leven, die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven".

Intussen, van die overige doden staat er dus, dat zij niet weder levend werden. Of, dat zij niet leefden. De Chiliasten lezen hierin dat deze doden, de ongelovigen, niet zullen delen in de staat van heerlijkheid op aarde gedurende de duizend jaren. Maar ook hier kan de vraag gesteld worden, of dit juist is.

Kan dit niet betekenen, dat deze doden niet delen in die andere glorie, in dat leven met Christus in de hemelse heerlijkheid, welke alleen de gelovigen ten deel valt? Er staat nog bij, dat dit zo duurde, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Inderdaad, gedurende die jaren, d.i. gedurende de heerschappij van Christus, is er voor de gestorven ongelovigen geen redding uit de dood meer mogelijk. 't Is een volkomen Schriftuurlijke gedachte, dat bij het sterven voor de mens de beslissing gevallen is; van bekering en redding na de dood is geen sprake.

Ja, zelfs wanneer ook de ongelovigen nog éénmaal uit de dood zullen herrijzen, zullen zij niet leven in de eigenlijke, bijbelse zin van het woord. Leven in bijbelse zin toch is leven met God, met Christus, hetzij door geloof, hetzij in aanschouwen. Maar dat zullen de ongelovigen nooit meer. Ook na hun opstanding niet. Dan zullen zij daar zijn, waar naar ziel en lichaam alleen de volkomen en definitieve scheiding met God is.

In deze lijn ligt ook de uitdrukking „tweede dood", waarvan sprake is in vers 6. Wat de ongelovigen wacht, is het volstrekte tegendeel van leven. Daarom noemt de Schrift dat de eeuwige of tweede dood. Tweede dood, als rechtvaardig oordeel op de eerste dood, de afkeer van het menselijk hart door de zonde van God, welke haar uitloper heeft in het lichamelijk sterven. Deze tweede dood, zo staat er in vers 6, zal over de andere gestorvenen, de gelovigen, die gedurende de duizend jaren met Christus heersen, geen macht hebben. Inderdaad, van dat vreselijk oordeel zijn zij immers verlost. Christus heeft voor hen de volle zwaarte van de dood gedragen. Voor hen is het leven met God, met Christus, in geloof door aanschouwen. Hier op aarde reeds en na hun sterven naar de ziel, en straks na de opstanding ook naar het lichaam!

Nogeens richten wij nu onze aandacht op die uitdrukking: „eerste opstanding", 't Is wel duidelijk, welke uitleg die exegeten die hier niet aan een opstanding in letterlijke zin willen denken, aan die uitdrukking geven.

De Schrift zelf neemt opstanding dus wel meer in overdrachtelijke, geestelijke zin. En zij verstaat dan daaronder die geestelijke opstanding, welke een aanvang heeft in de wedergeboorte. De zondaar leert door de Heilige Geest opstaan uit de geestelijke dood van de zonden en misdaden. Dit krijgt haar beslag bij het sterven, wanneer de Heere de zielen der Zijnen opneemt in Zijn heerlijkheid. Dan verrijst als het ware uit de wateren van de tijdelijke dood de ziel der gelovige tot dat heerlijke hemelse leven en al toeft dan nog de opstanding van het lichaam, de ziel is bij Christus, overkleed met een woning in dat gebouw Gods, dat niet met handen gemaakt is, doch eeuwig in de hemelen. Voor haar ontsluit zich het zalige leven in het Vaderhuis, ja meer dan dat. Zij mag, zoals Johannes aanschouwt, zitten op de troon, en met Christus regeren.

't Is dan begrijpelijk, waarom deze heerlijkheid in dit visioen van Openbaring 20, de éérste opstanding heet. Ook voor de gestorven gelovigen geldt, dat zij naar het lichaam nog éénmaal zuilen herrijzen. Dat zal ais het ware de tweede opstanding zijn, waarin zij eveneens naar het lichaam verheerlijkt zullen worden. Doch deze opstanding zal er alleen dan zijn, wanneer die andere éérst hun deel is geworden. Die is de eerste, ook in de zin van de beslissende. Het al of niet delen van een mens in de eerste, geestelijke opstanding is beslissend voor het hoe van zijn eeuwige toekomst.

Midden in deze verzen van het visioen staat nog een zaligspreking: „Zalig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding". Ook, als wij dit visioen niet in chiliastische, maar in andere zin moeten nemen, is deze zaligspreking hier geheel op haar plaats. De gelovigen delen immers na hun sterven naar de ziel reeds volkomen in de vreugde van hun Heere.

Bovendien worden zij heilig genoemd. Tenminste, in sommige handschriften staat dit in het oorspronkelijke niet, in andere echter wel. In elk geval is het hier op zijn plaats.

Immers, zij, die delen in de heerlijkheid van Christus, zijn niet alleen zalig, maar ook heilig. Naar de ziel zijn zij volmaakt den Heere en Zijn dienst toegewijd, priesters in de volle zin van het woord. Zij leven niet meer in de strijd tussen vlees en Geest; hun dienen van den Heere wordt niet meer gebroken door de macht van de zonde in hun vlees; zij zijn gereinigd van elke smet, welke in dit leven de allerheiligste nog aankleeft! En zo wachten zij op de jongste Dag, wanneer ook hun lichaam zal herrijzen en zij naar ziel en lichaam heilig zullen zijn!

En weer zeggen wij, ook, wanneer inderdaad dit de uitleg is van het visioen uit Openbaring 20, welk een troost en uitzicht liggen er dan in voor elk gelovige, die hier nog staat in de strijd van het eigen geestelijke leven en in de grote worsteling in het volle wereldleven om de zege van het Koninkrijk Gods.

En hoe komen wij onder de indruk van de schittering, op allerlei wijzen, van de heerlijkheid van de verhoogde Christus en van allen, die in dit leven in oprecht geloof Zijn Naam hebben beleden en éénmaal in die glorie zullen delen!

Een andere maai over de volgende verzen uit dit visioen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's