Rondom het belijden der kerk
4
In het laatste artikel schreven wij over de opvattingen van ds. Volten over de handhaving en de ondertekening van de belijdenis. In dit artikel willen wij de andere hoofdstukken van zijn boek bespreken. De belijdenis als confessie van de leer der Schrift.
Het thema is: wij geloven niet onze belijdenis, maar de belijdenis is er om het geloof te belijden. Wij geloven met het hart en belijden met de mond. In dat belijden is ook beslissen. Het gaat om een leer, waar wij bij zijn. De belijdenis is geen document, maar weergave van het Woord Gods en dat in verband met het geloof van de gemeente. Wanneer deze belijdenis niet leeft, kan dat liggen aan de vorm (te ouderwets) en aan de inhoud (b.v. controvers met de Luthersen over de hemelvaart).
Verder pleit ds. Volten voor meer geduld in de leer-procedure. Het drietal: spreken — schorsen — afzetten moet verlangzaamd en verbeterd worden. Men moet elkander over en weer de tijd gunnen om tot een gerijpt inzicht te komen. Een schorsing en een afzetting werkt meestal verbittering en maakt de persoon in kwestie brodeloos. Daarom is tijdelijke ontheffing of helpen aan een andere betrekking beter.
Hier legt ds. Volten de vinger op een wonde plek in de uitoefening van de kerkelijke tucht niet alleen in de Ger. Kerken, maar ook in andere denominaties van de gereformeerde gezindheid. Wie wel eens zulke leer-procedures van nabij heeft meegemaakt, vraagt zich af: Moet dat zo? Daarmee is de noodzaak van de tucht niet ontkend, maar treedt aan de dag hoezeer de verscheurdheid van de. kerk de rechte tuchtoefening in de weg staat. Dat op dit punt een grote voorzichtigheid, gepaard gaande met barmhartigheid jegens de persoon en strengheid tegenover de dwaalleer, geboden is, is duidelijk.
In het vervolg van dit hoofdstuk geeft ds. V. het onderscheid aan tussen de dingen èn de begrippen over de dingen. Oude mensen zouden zeggen: er is een groot verschil de dingen te weten uit eigen ervaring of het te moeten hebben van horen zeggen! Ook onder ons wordt meermalen gewaarschuwd tegen de gelijkstelling van de theologie en het geloof.
Dit onderscheid brengt ds. V. ertoe kritiek uit te oefenen op drie begrippenparen:
essentie en existentie (wezen en bestaan)
stof en vorm
potentie en act.
De kritiek is gericht op de scholastiek in het algemeen en die van A. Kuyper in het bijzonder. Kuyper zou de raad Gods overspannen hebben en het historisch gebeuren onderschat hebben. Ook de kiemtheorie stamt uit de wijsbegeerte. Zoals bekend heeft deze theorie een grote rol gespeeld bij Kuyper's wedergeboorte-theologie. Door deze wijsgerige invloeden kwam er volgens ds. V. een leersysteem, dat over de belijdenis werd heengelegd en geloofd moest worden. Daarbij spelen allerlei interpretatieperikelen een rol.
De conclusie van hoofdstuk II is: uitzuivering van allerlei filosofische invloeden en verkorting van de belijdenis om zo eenvoudig mogelijk te belijden.
In het derde hoofdstuk wordt kritisch gekeken naar de belijdenis als antwoord op de leer der Schrift.
Hét kerkelijk gezag van de belijdenis wordt door ds. V. verzwakt. Wij vragen: Het kerkelijk gezag van de belijdenis is toch geen mindering op het gezag van de Heilige Schrift? Wanneer Volten beweert dat de belijdenis geen feilloze weergave is van de Schrift, zal niemand hem dit tegenspreken. Maar wanneer hij het kerkelijk gezag van de belijdenis aantast, ontmoet hij wel tegenspraak. Waarom wilden de Remonstranten telkens opnieuw de belijdenis reviseren? Waarom verzetten de gereformeerden zich daartegen? Omdat de belijdenis een feilloze weergave van de Schrift zou zijn? Allerminst. De wettige weg was: dien een gravamen in met bewijs uit de H. Schrift. Niet de Synode van een geref. kerk heeft de inhoud van de belijdenis te verdedigen of te verzwakken, maar hij, die er bezwaren tegen heeft. Zo is het m.i. juist, wanneer sommigen, die pleiten voor een bepaalde evolutie, die hen in strijd brengt met bepaalde hoofdstukken uit de belijdenis, een gravamen indienen tegen deze delen van de confessie. Dit is geen vereenzelviging van Schrift en belijdenis, maar eenvoudig handhaven van de belijdenis. Al wat Volten schrijft over de lange afstand tussen openbaring en dogma doet aan het kerkelijk gezag van de belijdenis niets af.
Meestal gaat verzwakking van het gezag der belijdenis gepaard met vervreemding van haar inhoud. Volten heeft vele bezwaren tegen de inhoud van de belijdenis. Die bezwaren (betreffen vooral de Dordtse Leerregelen. Hij verwijst naar het boek: De Verkiezing Gods van Prof. Berkouwer. Hij wenst dit boek in de handen van vele , gereformeerde bonders". Tientallen predikanten zouden volgens Volten niet meer mogen preken, eer zij in dit werk een tentamen hadden afgelegd.
Ik kan ds. Volten gerust stellen. Want „gereformeerde bonders" lezen alle werken van Prof. Dr. Berkouwer en zijn daar grotendeels dankbaar voor. Of prof. Berkouwer voor alle predikanten een tentamen in zijn boek zou willen? Misschien mag ik de tentamina uitbreiden? Dan zou ik inde eerste plaats noemen: de Institutie van Calvijn; verder: Vom unfreien Willen van Luther en ook de werken van Augustinus over de erfzonde en de predestinatie, enz.
Ds. Volten heeft veel bezwaren tegen de inhoud van de belijdenis. Het ziet er werkelijk zwart van. Daarna krijgen wij beschouwingen over het standpunt van Kuyper inzake de binding aan de belijdenis, haar vastheid en onveranderlijkheid en de onderscheiding inhoud-vorm. Daarbij stelt Volten Calvijn en Groen van Prinsterer tegenover Kuyper en Polman. Calvijn en Groen zouden dan voor de hoofdzaken staan, terwijl Kuyper en Polman — hoe genuanceerd onderling — een meer letterlijke binding zouden voorstaan.
Volten kiest voor een geest en hoofdzaak of vorm-inhoud. Toegepast op de verhouding Hervormde Kerk-Gereformeerde Kerken betekent dit, dat de Ger. Kerken teveel quia (de belijdenis heeft gezag, omdat zij in overeenstemming is met de Schrift) heeft en de Hervormde Kerk teveel quatenus (de belijdenis heeft gezag, inzoverre deze in overeenstemming is met de Heilige Schrift) heeft. Beide kerken moeten elkander van hun dubbelzinnigheid en halfslachtigheid genezen en voorlopig er zorg voor dragen, dat zij de caricaturen over elkander opruimen.
Volgens Volten staan de Ger. Kerken voor de tweesprong: Dr. Kuyperlaan of Groen van Prinstererweg?
Niemand mag ds. V. ernst ontzeggen in deze dingen. Toch is zijn weg m.i. een verkeerde weg. Zijn visie op de Hervormde Kerk is m.i. te optimistisch. Dat is geen stijven van de zelfstandigheid van de Gereformeerde Kerken, maar een stellen van de werkelijke situatie. En de situatie is, dat de Gereformeerde Kerken tot nu toe met alle gebreken een greep met het Woord op het kerkvolk hebben gehad, terwijl de theologische standpunten waarheen ds. V. neigt, in de Hervormde Kerk tot een grote verarming en tot verschrompeling van de gemeenten hebben geleid. Meermalen komt de vraag op, of men dat in de Ger. Kerken niet ziet.
In het laatste hoofdstuk stelt ds. Volten het belijden van de toekomst aan de orde. Een nieuw belijden is volgens hem noodzakelijk, omdat er een grote vervreemding van de 3 formulieren aan de gang is. Zij zijn verouderd. Verder worden allerlei andere motieven diepgaand besproken. De tijd ontbreekt om ze allen weer te geven. Men leze dit werk zelf.
Het hoofdbezwaar is niet een eventueel nieuw belijden. Dat kan de kerk niet laten. Het hoofdbezwaar is, dat volgens Volten het gereformeerd belijden (Dordt) een specialiteit is, die moet worden prijsgegeven. De voortgang van het belijden — volgens Volten — gaat niet gepaard met medeneming van de inventaris van de reformatie. Daarom is dit nieuwe belijden een belijden, dat de schat van de reformatie niet ongeschonden meeneemt. Wie daarin eenmaal de volle tonen van het belijden der kerk heeft gehoord in de meest diepe zin van het woord, vreest niet voor een verder en dieper belijden — als dit mogelijk is — maar zal met alle kracht de schat der reformatie bewaren en in het heden plaatsen. Dat dit de uiterste inspanning van ons allen vergt, is duidelijk. Wie echter in de Schrift en in de Reformatie graaft en tegelijk op de hoogte is met de vragen van deze tijd, staat niet verlegen met de belijdenis. Zij is — ondanks alle gebreken die mensenwerk aankleven — fonkelnieuw, omdat zij op een m.i. nog door niemand overtroffen manier de waarheid Gods belijdt. Wie in deze schat graaft in de congenialiteit van de Heilige Geest, zal telkens oude en nieuwe dingen voortbrengen.
Het boek van ds. Volten kan dienstbaar zijn om deze diepe samenstemming te 'beproeven en in de crisis te werpen. Gelukkig elk, bij wie deze samenstemming met nieuwe glans tevoorschijn treedt. Het goud der reformatie, ook van Dordt kan de toets van het 'boek van ds. Volten glansrijk doorstaan.
Het past ons ds. Volten te danken voor het véle werk, dat hij verrichtte en de confrontatie met het heden aan de orde te stellen. Bij alle dank is er verdriet, dat hij niet inziet, dat het waarlijk gereformeerd zijn geen sta-in-de-weg voor de ware oecumene is, maar juist een bevordering. Dit verdriet is groter, wanneer wij ons de worsteling rondom de belijdenis van de vorige eeuw door de gereformeerden voor ogen stellen. Het is geen kleine zaak, wanneer nu o.a. door ds. Volten argumenten worden gebruikt tegen de belijdenis, die stammen uit het kamp, waartegen de vaderen van de afscheiding en de doleantie gestreden hebben. Wellicht zal de strijd voor de inhoud van de gereformeerde belijdenis zwaarder worden. Maar deze strijd zal gestreden worden èn in de Hervormde Kerk èn in de Gereformeerde Kerken. Want zij staat midden in de geloofsbeleving van de kerk Gods. Het moet toch ook ds. Volten te denken geven, dat in perioden van opbloei en vernieuwing de papieren van de belijdenis hoog genoteerd staan, terwijl in perioden van inzinking deze papieren teruglopen.
Daarom wil ik eindigen met een woord van prof. Polman, die een citaat aanhaalt van één van de vaderen van de afscheiding: „De belijdenis kan geen ogenblik langer haar natuurlijke plaats, levensbestaan en ambt (functie) bewaren dan zij inwendig in de subjectiviteit en in de praktijk der gemeente is en leeft. Ontbreekt haar dit, dan is haar uitwendig bestaan een onding en leugen en louter bedrog".
Dit betekent, dat van deze zijde gezien, eerst het leven uit de belijdenis wegzinkt. Dan volgt de verschrompeling van de belijdenis zelf.
Maar dit betekent ook, dat het geestelijk leven ook van nu de belijdenis van de kerk eert, omdat deze op onovertroffen wijze uitdrukking geeft aan het geloof, dat ons van de vaderen is overgeleverd.
Daarbij beware God èn de Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's