UIT DE PERS
Met de vereniging tussen Christel. Gereformeerden en Vrijgemaakt Gereformeerden wil het nog niet in elk opzicht vlotten. Door de beide synoden zijn wel besluiten genomen en uitspraken gedaan, maar men laat toch niet na om tot grote voorzichtigheid te manen.
In de „Wekker" schrijft ds. Velema een drietal artikelen over deze materie. Het blijkt, dat het in landelijk verband op de synode-vergaderingen iets vlotter en gemakkelijker verloopt dan in de plaatselijke gemeenten, Plaatselijk wil de hereniging nog niet zo best; deze indruk krijgen we althans uit de mededelingen van ds. Velema.
De conclusie is dat beide kerken niet rijp zijn om met elkaar te verenigen op dit ogenblik. In de verhouding tussen beide kerken zijn er verschillende knelpunten; ds. V. schrijft daarover onder meer:
De echte knelpunten zijn de verschillende met name ten aanzien van de toeëigening des heils en met betrekking tot hantering van het gereformeerd belijden omtrent de kerk.
Wat het eerste punt betreft, kunnen we het verschil tussen deputaten het best aldus formuleren: daar wordt tussen schenking en deelachtigmaking van het heil, de belofte en de vervulling van de belofte een duidelijker onderscheid gemaakt dan door de gereformeerde deputaten. Dit hangt samen met het feit dat de toeëigening van het heil door deze deputaten nogal algemeen gesteld wordt als te geschieden door de prediking zonder meer, terwijl niet voldoende de gevarieerdheid van het werk van de Heilige Geest wordt gezien. Als we rapporten van plaatselijke samensprekingen lezen is daar wel eens gezegd: bondeling zijn is gelovig zijn. Wanneer dit inderdaad algemeen zou gezegd en geleerd worden — sommige artikelen en uitdrukkingen geven aanleiding dit te denken — dan wijzen we dit af als in strijd met Schrift en belijdenis. Deputaten van deze kerken wezen dit ook af. Het is zaak dat van vrijgemaakte kant geen aanleiding gegeven wordt tot deze gedachte.
Onlangs wezen we in ons persoverzicht op de kritiek die prof. Ridderbos in het Geref. Weekblad (Kok) oefende op een redevoering van prof. Banning, waarin deze laatste Colijn min of meer aansprakelijk stelde voor het atheïsme in de arbeidsbeweging van de dertiger jaren.
In een tweetal artikelen heeft dr. Buskes het in „Tijd en Taak" opgenomen voor Banning. Prof. Ridderbos zou prof. Banning niet begrepen hebben.
Dit laat dan prof. Ridderbos weer niet op zich zitten en hij antwoordt Buskes in het Geref. Weekblad. Dit artikel lezende mogen we zeggen dat prof. Ridderbos nu niet bepaald op zijn mondje gevallen is; het kon wel eens zijn dat het Buskes enkele zweetdruppeltjes bezorgd heeft.
Enfin Buskes heeft nu voorlopig weer stof genoeg om in allerlei artikelen antwoord te geven op kritiek die er geuit is op verschillende van zijn uitlatingen. Het artikel van ds. Kievit wacht nog steeds op een reactie en nu dit schrijven weer van prof. Ridderbos.
In zijn repliek stelt prof. R. twee dingen aan de orde: a. de economisch-sociale politiek van Colijn; b. het verband tussen deze politiek en het atheïsme.
Uiteraard beweegt de schrijver zich bij punt a met name op het politieke terrein en gaat hij ook een kijkje nemen in andere europese landen om te zien of daar meer rood georiënteerde regeringen aan de crisis van de dertiger jaren het hoofd wisten te bieden. In Engeland en Duitsland was het met de socialistische regeringen niet veel beter, dan hier met Colijn.
Wat punt b betreft schrijft prof. Ridderbos het volgende:
Het verhaal wordt wat lang. Maar misschien kan dr. Buskes na het bovenstaande enigermate begrijpen, dat ik mij moeilijk stil kan houden, wanneer figuren als prof. Banning en hijzelf, in hun doorlopende strijd tegen de confessionele politiek, het oorbaar achten op geregelde tijden Colijn als een der grote promotoren van het atheïsme in de arbeiderswereld te brandmerken. Dat er mensen waren, die bij de maatregelen van Colijn gevloekt hebben, zal wel waar wezen, vooral wanneer die maatregelen in het licht gesteld werden op de wijze, waarop dr. Buskes dat nu nog steeds doet. Een andere vraag is, wie voor dat vloeken de eigenlijke verantwoordelijkheid droeg: Colijn, de mensen zelf óf de leer, waarin zij In de anti-clericale en atheïstische arbeidersbeweging van die dagen onderwezen werden. Of er dan in de economische situatie zoal geen recht — want wie heeft het récht om te vloeken? — dan toch geen aanleiding, ja geen scherpe stenen des aanstoots lagen, om tot een vloeker te worden? Ik zal het niet gaarne ontkennen, ik ben veel te diep geworteld in de kleine luyden uit de vorige eeuw om dat maar licht te nemen. Maar dan nogmaals: welk een oppervlakkigheid en hoe ignobel om een man, die in de laatste etappe van een verdwijnende economische constellatie en aan de vooravond van een wereldcatastrofe, de destructieve krachten van de oude systemen niet baas kon, met de verantwoordelijkheid te belasten niet alleen van het economisch echec van die voor-oorlogse wereld, maar ook nog van het ongeloof dat, behalve op de hoogten van de welvaart, in de diepten van de armoede het weligst tiert? Wil men voor dit ongeloof schuldigen aanwijzen in de sociale sfeer, waarom dan ook niet gewezen op de goddeloze leersystemen die jaren en jaren de rijken de armen en de armen de rijken als hun natuurlijke vijanden gepredikt hebben. En wil men schuldigen aanwijzen in de religieuze sfeer, waarom dan niet éérst gedoeld op die prediking en theologie die de mensen stenen voor brood gaf en hen daarom, toen de nood aan de man kwam, èn in geestelijk èn in sociaal opzicht in de kou het staan? En waarom tot het hovaardig en onbillijk oordeel gekomen, dat men met de schuld van zovelen aan wat dan het proletarisch atheïsme genoemd wordt, althans voor die periode met name één man en één naam zou kunnen belasten? En dat, terwijl men toch anders over de solidariteit van de schuld zo treffende dingen kan zeggen?
Of ik daarmee denk Colijn schoon gepraat te hebben? Ik heb er nooit aan gedacht dit te ondernemen. Aan Colijn zijn, juist omdat hij zo ver boven velen van zijn tijdgenoten uitstak, voor ons op een afstand de beperktheden en fouten van zijn tijd, zijn generatie en zijn geestelijke afkomst beter te onderscheiden dan aan anderen, die in het geschiedenis-boek al spoedig niet meer voorkomen. Maar iets anders is of het geloofwaardig is van een kwaad, dat zó diepe en zó vele vertakkingen heeft in het lichaam van het Nederlandse volk, hem de zondebok te kunnen maken en het nageslacht wijs te kunnen maken, dat het zich voor de herhaling van zulk een kwaad het best kan vrijwaren, door nu voortaan maar voor de doorbraak te kiezen. Dr. Buskes moge in bewondering voor deze diagnose en voor deze therapie uitroepen: honderd-maal gelijk! Ik zeg in dit geval met een bekend theoloog-socioloog van onze dagen: geef bij deze verdeling van de schuld mijn portie maar aan fikkie.
Het is een bekend verschijnsel dat de zoveel oudere naam van Calvijn het nog heel wat beter doet, dan de naam van Kuyper op het kerkelijke en dogmatische vlak en de naam van Colijn op het politieke vlak. Maar dat neemt niet weg dat de voorstanders van de doorbraak hun handen vol zullen hebben aan deze hooggeleerde opmerkingen.
Dr. K. H. E. Gravemeijer is 80 jaar geworden. Ter gelegenheid van dit feit heeft het hervormd Weekblad een uitvoerig artikel gewijd aan deze bekende en markante figuur in het kerkelijk leven. Het is geschreven door dr. Terlaak Poot.
Een deel van dit artikel besteedt uiteraard ook aandacht aan de houding van ds. Gravemeijer na de oorlog, rondom de vernieuwing van de kerk; een houding die voor velen die hem voordien gekend hadden een raadsel was en bleef. In het artikel lezen we daarover het volgende:
In de na-oorlogse dagen scheen een nieuwe lente nieuwe reorganisatiemogelijkheden te brengen. Toenadering eiste deze periode. Er waren hoopvolle, bezielende uitingen van waar men deze niet zou verwacht hebben, In de lijn van ons hervormd belijden. Allerwegen waakte geestdrift op om onze kerk te helpen wakker roepen uit haar genootschappelijke sleurgang.
Gravemeijer, met zijn „gevoel voor het opene", en zijn liefde voor de oude kerk, zag haar kans en ging ook hier voorop. Niet zodra echter bleek dat de nadere ontplooiing van het geloofsinzicht en het kerkelijk ideaal van de „linker" groep op kardinale punten vreemd was gebleven aan het apostolisch-confessioneel karakter van onze kerk, of daar openbaarde zich in Gravemeijer's open, buigzame geest zijn onbuigzame onverzettelijkheid. Bij alle eerlijke, ridderlijke eerbied voor andere overtuiging, dreef de nood tot heilige onverdraagzaamheid binnen het erf der kerk hem aan, vanwege haar wezenlijke grondslag in de fundamentele Openbaringswaarheid.
Wie op de brug staat als kapitein of eerste stuurman, heeft te rekenen met wisselende winden en stromingen, terwijl zijn zeekaart hem ook waarschuwt voor onderzeese wrakken of klippen. Een en ander eist soms tijdelijke koerswijziging. Onder de opvarenden is er dan wel gemompel, men heft de slogan „Koers houden" aan; maar de man op de brug weet, dat een tijdelijke noordelijker of zuidelijker koers hem van het „waar bestek" niet afbrengt . . .
En zo gaat de feestschrijver nog enige tijd door. Veel mooie woorden en niet minder ingewikkelde zinnen en wendingen; alleen het overtuigt niet. De feestrede gaat verder in de taal van de zeescheepvaart; misschien omdat alles zich afspeelde zo dicht bij Scheveningen waar ds. Gravemeijer zo graag preekte en men hem ook zo graag hoorde. Laten we — dit beeld vasthoudende — hopen dat velen hier ook ergens een baken in zien mogen waardoor zij gewaarschuwd worden voor zulke zogenaamd tijdelijke koerswijzigingen in noordelijke of in zuidelijke richting.
We gebruikten daar het woord „ergens" (zie boven). Naar aanleiding daarvan willen we tenslotte nog een paar opmerkingen doorgeven van ds. Plomp in het Geref. Weekblad (Kok). Hij schrijft er boven: Hardop denken.
Het is al weer een poosje geleden, dat iemand voor het eerst zei: Ergens heeft meneer X gelijk. Ergens vond men dit blijkbaar een leuke manier van zeggen, want sedertdien hoort men dagelijks het woord „ergens" te pas en te onpas gebruiken.
Omstreeks dezelfde tijd beweerde iemand voor de eerste maal in de historie, dat men vooral zindelijk, en dus niet onzindelijk, moest denken. Ondanks de associaties die deze begrippen oproepen, kregen ze een vooraanstaande plaats in veler woordenschat. Tenminste, wie goed luistert, hoort zich elke dag tot zindelijk denken open van onzindelijk denken teruggeroepen.
Nu is er weer zo iets. Een paar maanden geleden schreef een niet onvermaard man ergens een artikel over „Hardop denken over de verenigde evangelische kerk van Nederland". De eerste twee woorden werden met fikse letters gezet: Hardop denken. Het is verbazingwekkend, zo veel mensen er sedertdien in vergaderingen, rapporten en artikelen aan het hardop denken zijn geslagen.
Misschien is het niet zo erg zindelijk uitgedrukt, maar als ik ook eens hardop denken mag, zou ik willen opmerken, dat wij toch ergens apen moeten zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's