DE CATECHISMUS (1)
Alvorens een begin te maken met het verklaren van de Catechismus wil ik enkele opmerkingen maken ter inleiding.
a. De leer der zaligheid wordt door de Heidelberger ontvouwd als troostleer. De eerste vraag (Wat is uw enige troost....? ) en het daarop volgende onvergelijkelijk schone antwoord stempelen het onderwijs van het gehele boekje. En het door dit begin aangegeven oogmerk van de leer des heils wordt ook in het vervolg nooit uit het oog verloren. Telkens lezen we: Wat baat u ...? , Wat nut hebt ge ...? , Waartoe dient ons . ..?
Juist deze persoonlijke gerichtheid van het onderwijs is — naast de heldere schriftuurlijke taal, die het spreekt — dan ook wel de oorzaak, dat het boekje bij zijn verschijnen in de Nederlanden in 1566 de harten der reformatorische christenen alhier stormenderhand veroverde en dat het van het begin af zo'n grote plaats in de gereformeerde kerken in de Nederlanden heeft ingenomen. Zelfs de Catechismus van Geneve moest het tegen de Heidelberger afleggen. Niet ten onrechte is daarom ook gesproken van de „eeuwige jeugd van Heidelberg". Juist door het onderwijs als troost door te geven raakt het de mens in nood in zijn diepste innerlijk en zodoende behoudt het ook zijn waarde, wijl deze mens in nood bij alle verandering van cultuur-patroon en levensomstandigheden door de eeuwen heen dezelfde blijft. In wezen veranderen zijn levensvragen niet.
Bovendien was de Catechismus hiermee ook aanstonds in het hart van het Evangelie, dat toch de levenstroost is voor Gods Gemeente op haar reis door deze wereld naar het profetisch woord:
Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.
b. De Catechismus wil dan ook in de ontvouwing van de troost-leer — en dat is de tweede opmerking — niet anders dan de leer der Schriften doorgeven. De Heidelberger daalt af in de goudmijnen van het Woord Gods en haalt de ene schat na de andere naar boven. Keurvorst Frederik III kon er terecht op bogen, dat zijn Catechismus letterlijk uit de H. Schrift genomen was, gelijk ook de teksten op de rand — naar hij verdedigde — uitwezen. Inderdaad doet hij niet anders dan putten uit deze bron. Daarmee wijst de Catechismus ook aanstonds de plaats aan, die hij wil innemen: niet boven of naast, maar onder de Heilige Schrift. Doch dan deze verstaan en beleden naar Ned. Geloofsbel. art. 5: Wij geloven zonder enige twijfel al wat daarin begrepen is; en dat niet zo zeer, omdat ze de kerk aanneemt en voor zodanig houdt; maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn. Een leer aangaande de Heilige Schrift zoekt men te vergeefs in de Catechismus, maar men hoort de Heilige Schrift als het Woord Gods spreken in alle vraag en antwoord. De Kerk Gods is erin aan het woord, die de Heilige Schrift zó als Gods openbaring verstaat, dat het is als hoort zij in haar Gods stem hoorbaar van de hemel klinken (Calvijn).
Daarom geeft dit geloof graag aan de Heilige Schrift voorrang en erkent het volmondig, dat de Catechismus ondergeschikt is aan haar. Maar dat wil nog niet zeggen, dat zij daarom alle kritiek op de Catechismus — ook al beroept deze zich op de Bijbel — au serieux neemt. Om de eenvoudige reden, dat maar al te vaak dit beroep blijkt op te komen uit een Schriftbeschouwing, die wezensvreemd is aan het geloof der belijdenis. Een voorbeeld daarvan is dunkt mij, wat sommigen schrijven over de demonische machten, als waren ze aan de regering van de voorzienige God onttrokken en als was de Catechismus in zijn belijdenis van de voorzienigheid Gods niet vrij te pleiten van monisme (visie, die rechtlijnig vanuit één beginsel redeneert). Hier is eerder een visie aan het woord, die — zoals terecht is opgemerkt door ds. Kievit in een vroeger nummer — eerder samenhangt met een onschriftuurlijk dualisme (het aannemen van twee tegenover en onafhankelijk naast elkaar staande beginselen ter verklaring van de gegeven werkelijkheid). En het beroep — tot bevestiging van deze gedachten aangaande de zelfstandigheid van de donkere machten — op de Heilige Schrift, verraadt een moderne Schriftbeschouwing, waarin bezwaarlijk kan teruggevonden worden het geloof der belijdenis aangaande het Woord Gods.
Doch wij gaan nu hierop niet verder in. We wilden slechts naar voren brengen, dat de Catechismus het goud der openbaring Gods uit de Schrift opdelft en dus juist leidt naar de Heilige Schrift in plaats van daarvan af te voeren. Kritiek op enig stuk van de Catechismus mag dan alleen serieus worden genomen, wanneer ze opkomt uit hetzelfde geloof in de Heilige Schrift als het Woord van God, als waarin de Catechismus geschreven is. En anders bekenne men eerlijk: Ik moet van dit reformatorische geloof, waaruit de Catechismus opkomt, niets hebben.
c. In de derde plaats wijs ik er op, dat in dit leerboekje — het leerboekje der Kerk — de Kerk zelf belijdt. Niet maar een willekeurige christen, maar de Kerk spreekt hier. Zij doet dat met open deuren naar de wereld en vrijuit tot ieder, of hij het horen wil of niet. Naar het apostolisch woord: Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met de mond belijdt men ter zaligheid. Het is dus de belijdenis des geloofs door de Gemeente, die Christus gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed. Daarom zijn de vragen zo persoonlijk gericht en de antwoorden vaak in de eerste persoon gesteld.
Herhaaldelijk is op dit laatste gewezen in verband met het onderwijs der kinderen der gemeente. Men heeft zich afgevraagd, of aan de kinderen „zo maar" deze antwoorden in de mond mogen worden gelegd. Daartegenover beroepen anderen zich op het verbond der genade om de kinderen juist deze antwoorden zich te doen eigen maken.
Inderdaad kan m.i. vanuit het verbond alleen het juiste antwoord gegeven worden op de vragen, die hier aan de orde komen.
Het is niet goed de kinderen der gemeente te gewennen aan een spreken óver het heil, waarbij van de eerste de derde persoon wordt gemaakt. Dan wordt de leer verobjectiveerd zonder dat zij beseffen er zelf bij betrokken te zijn.
Maar dat mag niet betekenen, dat daarbij de catecheet het zaad der gemeente zoekt te suggereren christen te zijn zonder te wijzen op de noodzaak van wedergeboorte en bekering. Ik meen, dat de pastor-catecheet zijn catechisanten heeft bij te brengen, dat zij leven op het erf van het verbond, waar alleen maar de belijdenis van Gods Kerk mag klinken; dat daarom hun — de kinderen des verbonds — deze heerlijke belijdenis in de mond wordt gelegd, opdat ze de Heere zoeken om deze als eigen geloofsgetuigenis in gemeenschap met de kinderen Gods in oprechtheid te mogen leren spreken. Gezegend de ouders en herders der gemeente, die zo lerend, biddend en worstelend met het zaad der gemeente mogen bezag zijn. Daarbij hebbe ieder, die op het erf der kerk leeft — hij zij nog jong of reeds ouder — wel te bedenken, dat dit christelijk geloofsgetuigenis tot zijn veroordeling is, indien het (nog) niet werd zijn oprecht getuigenis in beleving des geloofs; indien hij de Koning der Kerk niet van harte aanhangt. Wiens naam hij toch op het erf der kerk, waar de God des verbonds hem heeft geplant, mede belijdt.
Zo kan het spreken van de taal van de Catechismus, zoals hem dat bijgebracht wordt, een pijl worden, die hem de lever doorboort. Het brengt in de klem en moge leiden tot bekering. In ieder geval zal hem duidelijk worden, dat deze taai tegen hem getuigt, als hij zijn eigen leven handhaaft.
Laten we deze spanningen bij het catechetisch onderwijs en de catechismusprediking varen, zo doen we van tweeën één, óf we zullen de scharen misleiden en de stolp der genade over de onwedergeboren mens zetten en pleisteren met loze kalk, óf we zullen de onbekeerde een kussen geven, waarop hij zijn hoofd rustig kan neerleggen om voort te soezen in de verdovende gedachte, dat de preek voor „het volk" is en hem niet aangaat.
d. Tenslotte wijs ik er op, dat in de antwoorden het geloof in zijn volle kracht aan het woord is. Hier spreekt de Kerk Gods in haar gemeenschap met Christus, haar God kennend als haar genadige Vader in Christus, in de Heilige Geest, Die het onderpand is van haar verlossing. Uit de volheid van dit leven komt de Kerk op en spreekt de enkele christen in de gemeenschap van de gehele Kerk Gods staande. — De ik-vorm wijst er op, hoe zeer het een persoonlijke zaak is. Niet dat de Catechismus de gemeenschap der Kerk, het in-zijn van de enkele gelovige in het lichaam der Kerk uit het oog verliest, maar hij leert ons, dat niemand het in-zijn in het lichaam der Kerk en de gemeenschap der heiligen in het geloof beleeft dan na gekomen te zijn tot de persoonlijke kennis van Christus. En niet omgekeerd. Christus is de Deur van de stal der schapen. Door Hem gaan we in de schaapskooi der behoudenis en der gemeenschap der kinderen Gods. Het is niet zo, dat we — reeds in de schaapskooi zijnde — ons daarna van de Deur bewust worden. Dat we als gedoopten tot de verbondsgemeente behoren doet daaraan niets af. Het gaat hier om de kennis des geloofs. Zeker is er een geleid worden vanuit het besef van de gemeenschap der verbondsgemeente tot de persoonlijke kennis des geloofs. Doch dat neemt niet weg, dat eerst in de persoonlijke kennis van en gemeenschap des geloofs met Christus zich voor de gelovige ontsluit de rijkdom van het „een levend lidmaat zijn der Kerk" en de „gemeenschap der heiligen".
Het geloof nu is hier — zoals ik reeds zei — in zijn volle kracht en rijkdom aan het woord. Dat wil echter niet zeggen, dat het bij alle gelovigen ook tot deze volheid van rijkdom uitgroeit en zich zo heerlijk ontplooit. Het geloof kan nog slechts in de eerste aanvang van zijn groei zijn: een teer spruitje, dat net boven de grond komt. Daar is een zwak geloof. Niettemin worden alle eigenschappen, waardoor het geloof gekenmerkt wordt, er in aangetroffen. Centraal daarbij is de levende betrekking tot Christus. Daarom mag het rijke en vrije geloofsgetuigenis in de Catechismus niet afstoten of moedeloos maken, maar heeft het te dringen en uit te drijven, opdat de zondaar als veroordeelde gebracht wordt tot het bloed van Christus en zo kome tot de volle verzekerdheid des geloofs. Er is een wasdom van het geloof. Daarbij zal ook de minst geoefende in het geloof en de minste in het Koninkrijk Gods tijden kennen van het meegenomen worden in het vol en vrijmoedig belijden van de Catechismus. Nathanaël kan ineens de anderen een heel eind vooruit komen, hoewel hij eerst — daar volgens hem uit Nazareth niets goeds kon zijn — geheel achterbleef. (Joh. 1).
Zo kan het hooggestemde (maar niet te hoog gestemde) geloofsbelijden van onze Catechisimus ons allerlei dienst bewijzen. Het kan ons onze armoede doen zien en ons van onze heimelijke gronden buiten Christus afslaan; maar het kan ons ook moed en hoop geven in aanvechting en duisternis (wat hier komt echt aan het licht, wat genade is); en tenslotte kan het ons worden — met onszelf aan een eind gebracht — ons levens- en pelgrimslied: Wat ik leef, leef ik door het geloof des Zoons Gods.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's