DE VOLHARDING DER HEILIGEN
(I)
Een onderwerp is hiermee gegeven, dat maar weinig ter sprake komt, hoezeer het ook in de loop der eeuwen besproken is.
Ik denk aan de strijd tussen de kerkvader Augustinus (ongeveer 400 na Christus' geboorte) en de ketter Pelagius, juist terzake van dit punt; de titel van één van Augustinus' geschriften luidt: „De dono perseverantiae", (Over de gave der volharding). Niet minder hevige strijd woedde op de Dordtse Synode, dus ongeveer twaalf eeuwen later, tussen de Gomaristen en Arminianen. De volgelingen van Arminius dreven de „afval der heiligen", zoals zij ook leerden een uitverkiezing Gods op grond van een „vooruitgezien geloof", en de „vrije wil" van de mensen nog allerlei goeds toeschreven. Zoals bekend, is in een 5-tal artikelen tegen deze Remonstranten in 1619 een dam opgeworpen, en de kerk der Hervorming van deze oude roomse zuurdesem gezuiverd.
Het laatste, of vijfde Artikel van de D.L. zou ons een uitnemende richtlijn voor deze serie artikeltjes kunnen zijn, zo we daarmee niet de bespreking, die coll. L.V. aan de D.L. schier van week tot week, al enkele jaren achteréén, pleegt te wijden, zouden doorkruisen; wat niet de bedoeling van de geachte Redactie kan zijn, en stellig ook de mijne niet. 't Kan dus zijn nut hebben, reeds nu — in afwachting van de nadere uitleg van Art. V D.L., enkele beschouwingen aan dit belangrijke onderwerp te wijden. Graag probeer ik dan ook, hiertoe gevraagd van Redactie-wege, te voldoen.
We zullen proberen het zo eenvoudig, populair-mogelijk te houden. Anders is het ongenietbare spijs voor de doorsneelezers. Het betreft hier immers een stof, niet slechts voor theologen van belang, maar voor èlk meelevend christen en gelovige van gewicht.
Ik zou het onderwerp willen benaderen, allereerst van de zijde Gods, namelijk van Zijn trouw, als verkiezende God, en van Zijn liefde als de Verbonds-God, in Christus, voor al de Zijnen, uit.
Het mag wat vreemd klinken, maar toch is het een schriftuurlijke, onweersprekelijke waarheid, dat de „volharding der heiligen" ten diepste samenhangt met, ja geheel en al afhangt van de „volharding van God" (de perseverantia Dei, 'n uitdrukking, die we nog al eens in Calvijns geschriften ontmoeten).
Het is de doorlopende prediking in Oud en Nieuw Testament, dat de Heere niet verandert; en dat Hij geen berouw heeft noch hebben zal over Zijn eeuwig besluit en voornemen, dat Hij in Zichzelf nam, speciaal in Christus, voor de grondlegging der wereld.
Over dit stuk der Uitverkiezing, en over de nieuwere inzichten, van Synodale zijde gepubliceerd in een apart geschriftje, behoeven we nu niet te handelen. Coll. J. van Sliedregt wijdt op uitnemende manier, daaraan in dit blad regelmatig zijn aandacht; en afzonderlijk, in een klein geschrift, komt daarover binnenkort van mijn hand een bespreking en (gedeeltelijke) weerlegging uit, onder de titel: „Gods verkiezing in Christus". Ik mag daarheen dus wel verwijzen.
De liefde en de trouw van een Drieenig God vindt, als 't ware, haar beantwoording in de trouw en voIharding der heiligen".
Het is onder ons geen gangbare uitdrukking, „heiligen". Wij plegen van Gods Kerk, Gods volk, Christus' gemeente, Gods kinderen enz. te spreken; maar neen, „heiligen", het is een woord, dat in het gewone kerkelijke spraakgebruik weinig dienst doet. Toch bezit het een bijbelse wortel en achtergrond. In afweer tegen Rome en de aldaar, door ons afgekeurde, „heiligen-verering, zijn wij misschien ontwend, van Gods kinderen als „heiligen" te spreken. Misschien ontnuchtert het tezeer, de naam te vergelijken met het léven dier heiligen. Teveel verbinden wij bij het woord „heiligen" er de gedachte aan, van „heiligheid" en voortreffelijikheden in die mens zelf; te weinig gaan wij uit van het, door het geloof, dat is door God de H. Geest, „in Christus geheiligd zijn". In Christus heilig, door Christus geroepen ook ... tót heiligmaking. Hiermee raak ik een puntje van ons onderwerp aan, waarop ik in het vervolg nog nader moet terugkomen. Ik wijs er nog op, dat de uitdrukking „heiligen" (saints) heel gewoon is in oud- Engelse stichtelijke lectuur, zoals van een Thomas Brooks {1634-1668), die het mooie „Heaven on Earth" (dat is: Hemel op aarde) geschreven heeft.
Het woord „heilig" drukt iets van het innerlijk-zijn van de mens, en van zijn opdracht en roeping uit. Vernieuwd door God de H. Geest, wordt Gods Kerk ertoe geroepen „heilig te zijn": „Weest heilig, want Ik ben heilig!", zegt de Heere God. En Christus verdiepte dit gebod nog, door ertoe op te roepen: „Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is".
Eén en ander herinnert er ons aan, hoe God geen afstand doet van Zijn eis, in het verbond der werken aan de mens gesteld. Adam, ons aller bondshoofd, was weliswaar „naar Gods beeld en gelijkenis geschapen", zodat hij Gods eis kon volbrengen; maar ... hij is niet staande gebleven. Zijn val was groot. Daarmee verloor hij het beeld Gods; en werd hij een onheilige, een slaaf van satan en zonde.
Op de achtergrond van de „volharding der heiligen" zien wij dus enerzijds de ongehoorzaamheid van de „eerste Adam", maar anderzijds tegelijk de Borggerechtigheid en borgtochtelijke gehoorzaamheid van de Tweede Adam, de Heere uit de hemel, Jezus Christus. Wie denkt, dat God — waar Adam eenmaal viel — het met ons zondaren nog eens „probeert", heeft het geheel mis; en wie zou denken, dat de „volharding der heiligen" een vrome prestatie is van ons, mensen, buiten Christus Jezus om, dwaalt al evenzeer.
De „Volharding der heiligen" is een gave Gods; een gave van Zijn genadeverbond. In die „volharding" zien wij de Kerk van God op weg naar haar eeuwige bestemming, maar wij dienen te weten, waar zij vandaan komt. Dat wisten onze Geref. vaderen en b.v. Augustinus terdege. Spreekt het 5e artikel der D.L. van de volharding, de uitkomst van het geloof ... in het Ie artikel is daar de belijdenis onzer Vaderen, dat volharding en geloof niet hun oorsprong hébben in de mens, maar voortvloeien uit Gods eeuwige verkiezende liefde in Christus. „Uit Hem, door Hem, en tot Hem zijn alle dingen". Zou dit paulinische woord niet in bijzondere mate mogen gelden van Gods meest singuliere, meest „eigen" werk, namelijk Zijn Kerk, als zijnde het lichaam van Christus?
De „heiligen" en hun volharding mogen we dan ook nooit los-zien of apartstellen van hun hoofd en Koning, aan Wie ze door de Vader ter koping en verlossing zijn toebetrouwd — in de Raad des vredes (Pactum salutis) —, en met Wie ze in de tijd, door wederbarende genade van God de Heilige Geest, onlosmakelijk worden verbonden. Christus en Zijn bruidskerk — om met wijlen ds. E. van Meer te spreken — vormen een geheelheid, een totaliteit, waar niemand tussen kan komen; zélfs de satan, de verklager der broederen, niet. „Gij hebt ze Mij gegeven; zij waren Uwe", zo spreekt de Borg van zondaren in Johannes 17, in het Hogepriesterlijk gebed.
Voor de Bijbelgetrouwe en gelovige christen spreekt het dan ook haast vanzelf dat Gods liefde in Christus er garant voor staat, dat er geen afval, geen verloren-gaan der „heiligen" mogelijk is.
Toch liggen er spanningen op dit terrein, in het leven van Gods Kerk, die een brede bespreking rechtvaardigen. Er zullen er ook onder de godvruchtige lezers van dit blad zijn, die weliswaar niet twijfelen aan Gods eeuwig voornemen, noch aan Zijn verbondstrouw in Christus jegens de Zijnen, maar voor wie het een strijd, ja een zware aanvechting van de vorst der duisternis betekent, of zij persoonlijk wel „op de goede weg" zijn, en zo ja, of zij daarop wel tot het einde zullen volharden, teneinde zalig te kunnen worden. Reeds de zoeven door mij genoemde Thomas Brooks spreekt ervan, dat ook in zijn dagen slechts weinigen die heerlijke en volle geloofszekerheid kenden en beoefenden, waarvan Paulus in Romeinen 8, het slot, spreekt. Zijn gehele boek bestrijdt inmiddels de gedachte, als ware „heilszekerheid" onmogelijk. Maar de oproep tot, en noodzaak van volharding wijst erop, dat Gods „heiligen" en beminden zich temidden van vele gevaren, ja soms midden op dwaalwegen bevinden, van waar zij niet altijd even gemakkelijk de uitweg bespeuren, die het einde van alle weifeling en aanvechting betekent.
In deze weken van Advent-1963 donk ik aan Christus' Woord, uit Johannes 8, 12 „Die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar het licht des levens hebben". „Mijn schapen horen Mijne stem, en zij volgen Mij, en Ik geef ze het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid" (Joh. 10).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's