Dienst in het verbond
De wet der tien geboden, het verbondsboek, ze bevatten de rechten en verordeningen door God als leefregel voorgeschreven in de dienst van God en de naaste. De Heere God heeft het daarbij niet gelaten. Hij heeft Mozes geboden een tabernakel in te richten en een dienst des tabernakels opgedragen, als een sacramentele heenwijzing naar de tabernakel, niet met handen gemaakt.
Naar hemels voorbeeld moest Mozes die tabernakel bouwen. (Exodus 25 : 40)
In de eerste plaats wilde de Heilige Geest het volk door deze tabernakel beduiden, dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar was, zo lang deze eerste met handen gemaakte tabernakel zou stand houden. (Hebr. 9 : 8)
Dit kwam reeds daarin uit, dat het volk niet verder kwam dan de voorhof. Alleen priesters en levieten, de „ingewijden" dus, kwamen in het heilige, dat bovendien geen vensters had en dus verborgen bleef voor de niet „ingewijden". Op zichzelf beeldde het heilige het werk van de Heilige Geest uit: Mies in het heilige, de wanden, de kandelaar, de tafel der toonbroden, het reukofferaltaar, was goud, symbool van de waarheid. (Vgl. Openb. 1: 13 met Efeze 6 : 14. Op de eerste plaats wordt gesproken van een gouden gordel, op de andere van een gordel der waarheid. De kandelaar doet de waarheid ontdekken, het reukwerk van het reukofferaltaar, stelt het gebed voor en de tafel der toonbroden de dankbaarheid, alzo ontdekking aan en kennis van de waarheid en haar werkingen: gebed en dankbaarheid.
En dan het heilige der heiligen! Daar stond de ark des verbonds met de tafelen der wet, bedekt door het verzoendeksel met de cherubs, beeld van de verzoenende tegenwoordigheid Gods. Alleen de hogepriester kwam daar éénmaal per jaar met het zoenbloed.
Men ziet het is alles Messiaans. Het Woord, de Middelaar der openbaring Gods handelt en verschijnt en het is al op de Messias gericht.
Overigens werden ook de diensten der priesters en der levieten, en de offeranden nauwkeurig geordineerd. Het neemt niet weg, dat deze diensten van buiten af beschouwd, niet verschilden van het heidendom. Van buiten af beschouwd en velen komen niet verder. Inderdaad, „indien de Joden in die uiterlijke Godsdienst niet iets geestelijks ware voorgesteld, waarnaar zij moesten streven, zou den ze in het betrachten van die dienst evenzeer vergeefse arbeid hebben gedaan als de 'heidenen met hun beuselarijen". (Joh. Calvijn Inst. II 7. 1)
Hoewel ook vele Joden van de uitwendige dienst heil hebben verwacht, en gemeend hebben, dat het teken des verbonds en het burgerschap van Israël voldoende waren om deel te hebben aan de erfenis der beloften, berust dat toch op misverstand en goddeloosheid. Trouwens een dergelijke oppervlakkigheid is ook in de nieuwe bedeling niet zeldzaam. Terecht maakt Calvijn er ons opmerkzaam op, dat Mozes niet tot een Wetgever is gesteld om de beloften Gods aan Abraham te niet te doen. Veelmeer is Mozes gezonden om de Joden het verbond in gedachtenis te doen houden, dat God met Abraham gemaakt heeft en waarvan zij erfgenamen geworden waren om dat te vernieuwen, (vgl. Joh. Calvijn Inst. II.7.1). In 't zelfde verband schrijft Calvijn, dat de figuren en voorbeelden der wet, heel de Oud-Testamentische dienst, bedoelen op de geestelijke werkelijkheid te wijzen. Dat blijkt reeds uit „de natuur Gods", zo zegt hij. God is geestelijk en kan slechts behagen hebben in een geestehlike dienst.
In het algemeen kan men niet zeggen, dat de Joden dat geestelijk leven hebben ontdekt en gekend. Integendeel, het heeft zelfs in grote mate ontbroken aan de onderhouding van de ceremoniën der wet en van het verbond.
Zelfs het geslacht, dat alles had meegemaakt, wat op de Sinaï was geschied, dat had gesidderd bij het horen van de stem van de levende God, dat had beloofd: naar alle woorden Gods zullen we doen, maakte zich gedurende het verblijf van Mozes op de berg schuldig aan afgoderij door een gouden kalf te maken. Mozes trad tussen beiden en verkreeg genade voor het volk bij God. Doch hardnekkig als het volk was, heeft het telkens weer de Heere tot toorn verwekt, door ongehoorzaamheid en opstand, zodat zij het land der belofte niet hebben gezien en in de woestijn zijn gestorven. (Num. 14:22) In het beloofde land heeft het volgende geslacht het niet beter gemaakt. Zelfs de besnijdenis werd nagelaten. (Jozua 5 : 1-9)
Het is waarlijk niet doenlijk alle voorbeelden van afval en ongehoorzaamheid op te sommen, want heel de geschiedenis van Israël is één voortdurende wederspannigheid en ontrouw. Zij is een levend bewijs, dat de Wet bovendien is ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde. „Bovendien", want de wet is geestelijk en de ceremoniën der wet zijn heenwijzing naar Christus, maar juist daarom heeft de wet ook de functie om de zonde openbaar te maken en des mensen onwil en onmacht, om de gerechtigheid te brengen, welke de Heere God van hem vordert, aan te tonen.
„Waar geen wet is, daar is ook geen overtreding". (Hom. 4 : 15) Daarom zegt de Schrift: „De dood heeft geheerst van Adam tot Mozes". (Rom. 5 : 14)
Met het verbond van de Sinaï is de wet gekomen en ondanks de instemming met Gods geboden en de beloften van gehoorzaamheid, met de meeste plechtigheid, ja in tegenwoordigheid 'Gods gegeven, duurt het slechts kort, of het volk danst om het gouden kalf. Maar nu spreekt de wet „Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben". „Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis •maken, enz." en veroordeelt den overtreder.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's