UIT DE PERS
De kerkelijke pers heeft zich nogal beziggehouden met de publikaties van het dagblad Trouw, betreffende de zondagsviering. Ds. V. Mechelen vraagt zich af in Waarheid en Eenheid of een dergelijke enquête nu wel ligt op de weg van een dagblad als Trouw. Veel wordt er ovenhoop gehaald en de resultaten zijn volstrekt niet allemaal positief te noemen. Naar onze overtuiging slaat deze schrijver de spijker precies op zijn kop als hij stelt dat Trouw van een voorop gezette mening uitgaat en langs deze weg probeert ingang te doen vinden. Het is te hopen dat Trouw de diverse waarschuwingen ter harte zal nemen en op zal houden met op een dergelijke wijze verwarring te stichten in niet weinig christelijke gezinnen. En dan gaat het niet over de vraag of men vastgeroeste gewoonten en wettische inzichten dan maar als de hoogste waarheid moet blijven verdedigen en beschermen, maar dan wil daarmee alleen gezegd zijn dat men dergelijke diep-ingrijpende problemen niet op een dergelijke wijze — via wat interviews — in een dagblad moet afhandelen. We willen de conclusie van het artikel in Waarheid en Eenheid gaarne onderschrijven:
Echter vooral: schoenmaker, houd je bij je leest oftewel een politieke krant concentrere zich op politieke zaken en late kerkelijke zaken aan de kerken, en late verder ieder in eigen kring voorlichting geven.
Veel onaangenamer doet het ons echter aan als we met de schrijver in Waarheid en Eenheid het idee hebben dat Trouw langs deze.weg een reeds vaststaande mening bij zijn lezerskring ingang wil doen vinden. Ds. v. Mechelen schrijft daarvan:
Hier verraadt zich de geest, waaruit men schrijft. Hier is niet meer een onontkoombare noodzaak, maar uitroepen van de heerlijkheid van (het feit, dat de zondag hiervoor misbruikt werd. Dit is dus de ene kracht: de verheerlijking van de zondagsontheiliging. Daarnaast werkt men met andere middelen: men tracht aan te tonen, dat het laten rusten van de arbeid niet essentieel is voor de zondag, men beweert, dat tweemaal kerken te veel is, dat Christus de sabbat vervuld (heeft en dat er dus nu geen speciale sabbat meer is, men is wel niet voor huiswerk op zondag, maar, indien nodig, dan mag toet afgemaakt, een jonge vader is tot het inzicht gekomen, dat je op verre zondagtochten best een ijsje kunt kopen voor de kinderen, en weer een ander wijst op de natuur waar hij naar toe gaat in plaats van naar de kerk, want hij woont midden in de stad. Het is een lawine van argumenten, van geleerde, hooggeleerde mensen en van de gewone man. De een doet het wat anders geargumenteerd dan de ander naar standing en leefwijze, maar alle bezwerende formules ten spijt, die nog iets goeds van de zondag willen handhaven, dit is een afbraakpoging van groot formaat.
Onder het opschrift: Zuinigheid geboden, schrijft prof. Ridderbos over hetzelfde onderwerp in het Geref. Weekblad (Kok). Gaarne nemen we dit nuchtere en wijze woord in zijn geheel hier over:
Het dagblad „Trouw" heeft heel wat overhoop gehaald, toen het een aantal vooraanstaande figuren de vraag van de zondagsviering heeft voorgelegd.
Er zijn zoveel verschillende gezichtspunten geopend, suggesties gedaan, zoveel vraagtekens ook gesteld bij hetgeen voor velen indiscutabel is, dat voor 't 'bewustzijn van velen op eenmaal alles is omgewoeld en in de relativiteit is getrokken. Men behoeft de vele reacties in Trouw zelf maar te lezen, maar ook .velerlei gesprekken en brieven van allerlei kant maar te volgen en te lezen, om te (begrijpen, hoeveel verwarring dit alles bij velen heeft teweeggebracht. Nu is dit „opeens" natuurlijk schijn. De vragen zijn er; ze zijn op zijn hoogst wat duidelijker aan de dag gekomen. En niemand behoeft ook te denken, dat de antwoorden op al deze vragen eenvoudig zijn en a.h.w. klaar liggen, als men er maar goed over denkt. Voor de een liggen deze dingen ook heel wat gemakkelijker dan voor de ander. Voor wie ruim en geriefelijk behuisd Is, is de vraag niet zo moeilijk als voor wie met een groot gezin op een bovenhuis in de stad woont. Recreatie behoort op de een of andere wijze bij de christelijke zondagsviering. Maar voor de een is dat gemakkelijker in te voegen in het ons vertrouwde zondags-patroon dan voor de ander. Zo zijn er meer dingen. Men lost ook geen problemen op door met de vuist op tafel te slaan.
Toch, meen ik, zijn we op een punt aangeland en bij een onderwerp aangekomen, waarbij ontzaglijk veel op het spel staat voor de toekomst van de kerk en van het christelijke leven.
We zijn in méér opzichten in onze christelijke levensstijl aan het veranderen en het verschuiven. Maar niet overal liggen de zaken even belangrijk. Wij hebben in vele opzichten het beginsel van de geheelonthouding laten varen en zijn begonnen „verantwoord" (zoals het heet en misschien in bepaalde gevallen ook wel is) aan allerlei mee te doen. In plaats van het negatieve zich onthouden wordt in vele opzichten thans het positieve van de christelijke vrijheid gepredikt. Dat daarbij slachtoffers vallen, staat voor mij vast, maar men kan niet altijd het negatieve overeind houden. Daar is het soms ook te negatief voor. Maar bij de zondagsviering 'gaat het om iets uitermate positiefs. Het is niet de dag van het raak niet en smaak niet en roer niet aan, maar wèl de dag van de heiliging tot de dienst van God, tot het horen van het evangelie en tot de christelijke gemeenschapsoefening.
Men kan dit niet met alles verbinden, ook niet met alle dingen, die op zichzelf niet verkeerd zijn. Er is geen mens, die hier de scheidslijn kan trekken, maar er komt wel een ogenblik, waarop men moet zeggen: de zondag is geen zondag meer, hij is een vrije dag geworden. Of hij daarmee geoordeeld is? Of onze andere vrije dagen dan ook geoordeeld zijn? Neen, maar we geraken iets kwijt, dan voor mijn besef ons meer dan enig ander ding bij het Woord Gods, bij de kerk en bij elkander houdt. De overgangen zijn natuurlijk glijdend. Ook kan niemand zeggen, waar het een begint en het ander ophoudt, maar het telt spoedig af. Want „de vrije dag" 'krijgt al spoedig zoveel last van de zondag, dat de laatste zich terugtrekt. Want hij wil nu eenmaal niet heersen, maar dienen.
Daarom moeten wij elkander opwekken tot voorzichtigheid en de viering van de zondag niet problematischer maken dan strikt nodig is. Er zijn problemen en het is goed, dat vele wijze mensen zich er mee bezighouden. Maar daarmee is de zondagsviering voor allen niet een probleem. We kunnen het elkaar ook „aanpraten", dat het zo moeilijk is. Als „het" met de avonddiensten niet meer „wil", is dat niet een „het", maar zijn wij het.
Er is, ongetwijfeld, inspanning voor nodig om het goed te doen, zoals een goed en gelukkig gezinsleven ook niet vanzelf komt. Maar de zaak waarover het gaat, is inspanning waard en ook enige zelftucht en bereidheid iets te laten, wat we wel zouden willen doen of iets te doen, wat we wel zouden willen laten. Er is geen sabbatsdwang en de zondag is er voor de mens en niet omgekeerd. Maar wij zijn ook geen slaven van het „het", dat met de mode, het jaargetijde of de buren over ons komt. Het zou een grote en schone zaak zijn, wanneer we in deze dingen niet door alle winden gedreven werden, maar ons bewust bleven wat we voor ons zelf en voor onze kinderen in de christelijke zondagsviering te verliezen en te behouden hebben. Met andere woorden: om ondanks de reële problemen van sommigen te samen zuinig te zijn op de grote gave van de zondag.
Voor ons persoverzicht hebben we deze keer ook nog wat „kleingoed". In het laatste nummer van Woord en Dienst lazen we onder de rubriek: Wat elders gebeurt, het volgende:
In Rotterdam is een Werkgroep Johann C. Blumhardt gevormd. Deze werkgroep zal zich bezig houden met de taak vanuit het Evangelie mensen die in geestelijke nood verkeren te benaderen o.a. door het houden van samenkomsten. In het leven van velen schijnt immers ondanks de beloften die God heeft gegeven de bevrijding, die Jezus Christus bewerkt, zo stelt de werkgroep, niet tot openbaring te kunnen komen.
Vertaling en toelichting: Ondanks n.b. de beloften die God gegeven heeft en de bevrijding die Christus bewerkt schijnen velen toch nog kans te zien zo „stom te zijn om niet 24 uur per etmaal verlost te zijn. Maar ja, in deze betoverde wereld verbazen we ons nergens meer over en hebben we een reddingsbrigade gevormd om gederailleerden weer op het spoor van de verlosten terug te zetten. Mocht iemand zich onverhoopt toch nog wat on-verlost gevoelen, dan draait hij maar het opgegeven telefoonnummer en de werkgroep komt in actie. Halleluja.
En nu het andere uiterste. In de Saambinder verschijnen regelmatig stukjes van ds. Lamain, predikant van de Geref. Gemeenten in Amerika. Wanneer men deze stukjes min of meer regelmatig leest, kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat deze verhalen op verschillende punten telkens doen denken aan de zogenaamde „Heiligenlevens" waar de roomse kerk in de middeleeuwen zo sterk in was.
In die heiligenlevens vindt men allerlei verhalen en anecdotes van heiligen, hun opvallende daden en hun treffende woorden. Eén van de verschillen tussen vroeger en nu is, dat men in plaats van het woord „heiligen" nu de benaming „Gods volk" gebruikt, waarbij we moeten opmerken dat de benaming „heiligen" nog wel zo bijbels is.
Deze heiligenlevens hebben natuurlijk sterk bijgedragen tot de Heiligen-verering in de roomse kerk. En nu zijn we zo bang dat de manier waarop deze verhalen verteld worden ook een afgodische verering van Gods volk in de hand werkt. Het lijkt er soms angstig veel op dat men met zijn verhalen deze mensen min of meer boven de wet gaat plaatsen. Maar oordeelt u zelf; we zullen daartoe het eerste gedeelte van zon verhaal uit het nummer van 28 februari overnemen:
Het is al vele jaren geleden, dat op een zekere plaats een rechtzinnige leraar stond, die vanwege zijn gereformeerde prediking veel mensen trok. Een grote roep ging er van die leraar uit. Misschien — ik weet het niet — hadden zij in vele jaren zulk een prediking niet beluisterd.
In diezelfde plaats woonde ook een geoefend kind des Heeren, die bijna nooit ter kerk ging. Hij leefde van het overjarig koren. Niet dat hij dat begeerde, maar hij was al zo vele malen teleurgesteld thuisgekomen, dat hij maar met een boekje in een hoekje zat.
Op een keer moest hij de nieuwe dominee ook eens horen. Hij had er wel niet zo veel lust in, maar eindelijk bezweek hij onder de drang van sommige vrienden. De tekst die morgen was Ezech. 36 : 26: „En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal toet stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven". Met gespannen aandacht zat de oude man te luisteren van het begin tot het einde. Toen de kerk uitging, had die oude man graag gewild dat zij hem maar alleen gelaten hadden. Maar neen, dat gebeurde niet. Men dwong hem om zijn oordeel uit te spreken. En wat eindelijk zijn antwoord was? „Met verwondering heb ik geluisterd, en ik ben verbaasd geweest hoe die leraar op zulk een schriftuurlijke wijze uiteengezet heeft hoe de Heere het stenen hart wegneemt en een vlesen hart geeft. Het was van het begin tot het einde gereformeerd. Daar viel niets op aan te merken. En toch ga ik er niet meer heen".
De vraag werd toen gesteld: Waarom niet? Wat is er dan weer aan te merken? Er zijn mensen, die altijd wat hebben; mensen, die nooit bevredigd zijn!
Wat was zijn antwoord? „Ik heb zitten wachten, dat die leraar nu ook eens verklaarde hoe dat vlesen hart over zijn harde hart gaat klagen".
De schrijver plaatst boven het verhaal als opschrift: Een eigenaardige opmerking. En het is ook inderdaad een eigenaardige opmerking, maar het benauwende van de zaak is, dat de dominee deze opmerking van de oude man blijkbaar waardeert als een bizondere blijk van wijsheid en godsvrucht. Hoe is het mogelijk dat een predikant in een voluit kerkelijk blad zijn lezers op deze wijze kan onderwijzen. Men heeft nogal eens bezwaren tegen de sleur in de kerkgang, maar op die manier zouden we toch nog wat goeds van de sleur moeten gaan zeggen. Gelukkig is die sleur soms blijkbaar sterker dan het onderricht van predikanten. Want stel u voor dat men dit onderricht werkelijk ter harte ging nemen; er zou de eerstkomende zondag geen enkele kerkganger meer zijn. Immers bij elke preek zullen er zeker dingen zijn die niet gezegd werden ; en dan vooral dingen die in de tekst helemaal niet voorkomen en genoemd worden, zoals dat het geval is met dat wat de oude man in de preek miste.
Het eigenaardigste in de opmerking van de oude man vind ik dus, dat de dominee en de redactie geen enkel vermanend en terechtwijzend woord daarover zeggen en zodoende deze opmerking aanprijzen als iets aparts en bijzonders, iets waar we van kunnen leren en dat we hebben na te volgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's