De volharding der heiligen
(II)
Eén van de heilsmiddelen in het algemeen, en van uitnemende betekenis voor de zekerheid om tot het allerlaatste toe te mogen volharden, is het Woord van God.
„Wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is", schrijft Petrus ergens. Alleen dat Woord kan volledige rust en zekerheid brengen, onder Gods zegen, aan het verontrust en bekommerd hart van moegestreden gelovigen.
Ik denk aan een zieke, die moeilijk sprak, en wiens ziekbed spoedig een sterfbed ging worden, en mij met zijn vinger op een wandtekst wees, waarop stond: God belooft ons wel een behouden haven, maar geen rustige vaart.
Al kunnen en mogen wij over het innerlijke niemand oordelen — en nog minder: ver-oordelen —, voor deze zieke, inmiddels gestorven belijder betekende zijn ziekbed een geweldig bewogen zee; zijn levensscheepje was in het grootst denkbare gevaar, en toch ging hij niet, vlak voor de haven, de „goede reê", in de draaikolken van twijfel en ongeloof verzinken, daar hij zich mocht vastklemmen aan Gods belofte. God belooft ons een behouden aankomst, een eeuwig behoud.
Ja, zegt u, is dat waar? Belooft God dat werkelijk? Aan iederéén?
Een vraag als deze kan voortkomen uit het „beschouwelijke" denken, waaraan ons kerkelijk leven jammer-genoeg tegenwoordig zo rijk is. We raken dan aldra verzeild in een scholastiek slop. Maar het kan ook echt een vraag, een schreeuw van een mensenhart betekenen. „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo dorst mijn ziel naar U, o God!" (Ps. 42). Zulke vragen vereisen dus een fijn gehoor; een opmerkend-pastorale belangstelling en onderscheidingsvermogen.
Vragen als deze zijn over de hele linie van betekenis in het ambtelijk werk. Zo b.v. in prediking en op huisbezoek. Dat bleek o.g. onlangs zeer sterk op een vergadering van ambtsdragers, toten het erover ging, tot wie de „blijde boodschap" zich mag richten. Kunnen en mogen we tot iederéén zeggen: God heeft u lief; Christus is ook voor u gestorven!? Aan zulke en dergelijke vragen kunnen we ook bij dit onderwerp, wil het althans op de praktijk afgestemd zijn, niet voorbijgaan.
Naar mijn mening, kunnen en mogen we niet alle mensen over één kam scheren. Dat is wel erg „gemakkelijk"; immers, men spreekt voor „de gemeente des Heeren", en hoe die gemeente er dan ook metterdaad uit moge zien, men behandelt haar overeenkomstig haar waardigheid. Zulk een prediking en pastorale bearbeiding kan uiteraard niet diepgraven, en legt, vrees ik, ook geen goed fundament.
Christus Zelf onderscheidt, en separeert. Niet slechts in de „Dag der dagen". Maar ook nu al, al mag men het onkruid niet tussen de tarwe trachten te wieden. Horen we, in dit verband, naar Christus' Zelf-proclamatie in Lukas 4, Zijn eigen, en eerste, en w.s. laatste prediking, in Zijn „vaderland", in Nazareth gehouden!: „En Hem werd gegeven het boek van de profeet Jesaja; en als Hij het boek opengedaan had, vond Hij de plaats, waar geschreven was: De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van hart, enz." (vs. 17—19). De armen... het Evangelie! Welke armen? Daarvan zegt de Zaligmaker in Zijn Bergrede, waar Hij ook zo onderscheidt en separeert tussen de hoorders: „Zalig, de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen" (Matth. 5 : 3).
We dienen niet te vergeten, dat aan Jezus komst de prediking van Johannes de Doper, de wegbereider des Heeren is voorafgegaan. Hij maakte, in de middellijke weg, plaats voor de Zaligmaker. „Bekeert u!", zo klonk zijn indringende stem. Zo sprak ook Petrus op de Pinksterdag te Jeruzalem. Als ze verslagen worden, „gebroken van hart" is er voor hen de balsem van het Evangelie: „zoon, dochter, wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven". De prediking van bekering en geloof aan het Evangelie des kruises mag, ja moet intussen aan alle mensen en volken worden gebracht. Gods belofte en dreiging zijn absoluut: „Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven; wie de Zoon Gods ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar die toorn Gods blijft op hem" (Joh. 3 : 36).
Het was een goed ding van Von Staupitz om een Maarten Luther, in zijn worsteling naar zekerheid en licht inzake zijn verkoren-zijn, te wijzen op de wonden van Christus. En ook wij stellen de volharding der heiligen niet in iets kenmerkends van de mens-zelf; en evenmin stellen wij de zekerheid des heils in het besluit Gods buiten Christus om, maar wij willen er, met Petrus, op aandringen, onze roeping en verkiezing vast te maken, door het geloof in Christus Jezus en Die gekruisigd; want „dat doende, zult gij nimmermeer struikelen". Een andere heils-zekerheid bestaat er werkelijk niet. „Wie de Zoon heeft, heeft het leven; en wie de Zoon niet heeft, heeft ook het leven niet"; zo schreef de apostel Johannes in één van zijn Algemene Zendbrieven.
Zo was het ook het diepste begeren en bedoelen van Paulus, om een ieder voor God rechtvaardig te stellen . . . in Christus! Want buiten Hem is God voor de zondaar een verterend vuur. Reden, waarom Paulus in 2 Cor. 5 aan de Corinthiërs schreef: „Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof". En daarbij wist hij zich gedreven door „de liefde van Christus". Het één hangt zo nauw met het andere samen.
Eén van mijn meest gewaardeerde vrienden, op geestelijk gebied, placht ervan te spreken, dat wij „met een Drieënig God verzoend moeten worden". Zij sprak van het „recht Gods", en van de genade Gods in Christus voor een verloren zondaar. Ik vrees, dat daarom zo weinig zekerheid des geloofs, en vertrouwen in „de volharding" beluisterd wordt in onze dagen, omdat zelfs de ware gelovigen zo weinig het „richterlijke" van Gods Wezen doorleven. „Komt dan, en laat ons tesamen richten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol" (Jes. 1 : 18).
Aan de éne kant wordt tegenwoordig het „recht Gods" geheel verzwegen en verdonkeremaand. Anderzijds wordt het, zo het al ter sprake komt, uitsluitend eenzijdig uitgelegd, als — bij voorbaat — Gods reddende gerechtigheid.
Nu is het — al ziet de zondaar dit pas -„achteraf" — inderdaad Gods bedoeling om in een weg des gerichts Zijn heil, Zijn reddende gerechtigheid te doen zien. Maar wanneer Hij dagvaardt, als een richterlijk God, dan staat daar voor Hem geen „heilig", maar een goddeloos schepsel, een overtreder van Gods wet, één die geestelijk bankroet verklaard, ook geestelijk bankroet gaat. „Wee mijner, ik verga" (Jes. 2:6). „Wij vergaan door Uw toom" (Ps. 90). „Ik ben door de wet aan de wet gestorven" (Gal. 2 : 19), opdat. . ik Gode leven zou.
De Volharding der heiligen hangt dus — wat de doorleving van het heil aangaat — ten nauwste samen met de kennis van het eerste stuk, dat onze Heidelberger noemt, „hoe groot mijn zonden en ellende zijn".
Wie werkelijk door God is gearresteerd, stilgezet en bekendgemaakt met zichzelf, kan nooit meer van God loskomen (al kan in zekere zin dat niemand; maar ik bedoel het in een speciale betekenis). Stellig, er kunnen tijden volgen, dat de indrukken van zonde en dood, schuld en doemwaardigheid verzwakken en verflauwen, maar er is slechts weinig nodig, of opnieuw wordt de trekking van God, als de Heilige en Rechtvaardige gevoeld. Bij dezulken is er, wat Calvijn noemt, het „begin der bekering" (initium poenitentiae), de droefheid naar God, het verlangen om met Hem in verzoende betrekking te geraken.
En daartoe is het Evangelie des kruises het geëigende middel. Want daarin wordt voorgesteld, hoe God als een God des gerichts de zonde heeft willen bezoeken aan Zijn eigen Zoon, Die Zich Borg wilde stellen voor goddelozen en voor vijanden. Dankzij dat Evangelie gloort het licht in de zielen van wie God leerden vrezen, het licht van de Ster, de glans van de Zon der gerechtigheid, die aan de kimmen staat. Dezulken zullen nooit Gods openbaring, noch die van Zijn gerechtigheid, noch die van Zijn onuitsprekelijk rijke genade in Christus in twijfel kunnen trekken.
Alleen, het dient voor hen een persoonlijke zaak te worden. Reden, waarom wij de „leer" van Gods Woord toegepast moeten ontvangen, naar eens ieders weg, staat en toestand, zodat ook het Bevestigingsformulier van de Dienaren des Woords daarvan spreekt; reden ook, waarom b.v. Calvijn, na een bepaalde leer, „doctrine" uit Gods Woord te hebben verklaard, er de hoorders toe opwekt deze leer op zichzelf toe te passen, in het geloof, en in zijn slotgebed bidt om de verlichting en werking van God de H. Geest.
Te weinig helaas, is in onze tijd de gepredikte leer des heils een levende prediking. Oorzaak, waarom velen, die zich reformatorisch willen noemen, steeds verder afwijken van de leer en het leven, van de eenvoudige, bevindelijke prediking der 'Hervormers, en men zich zelfs gaat keren tot „stomme beelden", en andere, vroeger door onze vaderen verworpen, ceremoniën in de Eredienst.
De leer van Gods Woord is ons overgeleverd door onze vaderen; en zij is goed bewaard in onze Belijdenisgeschriften. Maar ze functioneert zo weinig echt en diep in het midden der kerken en der gemeenten. Met dit gevolg, dat de overgeleverde leer wel goed mag heten, maar verder als het ware „opnieuw willen beginnen". Ja, men waant zich veel „verder" dan een Calvijn b.v. kwam; en daarom brengen zij alles „op de helling". Velen zijn niet of weinig vertrouwd met wat prof. Severijn eens noemde, de „religie der belijdenis"; zij stelen zich tevreden met een grootstegemene-deler belijdenis, waaraan juist die religie der vaderen te enenmale vreemd moet heten.
De Volharding der heiligen zal daarin haar voornaamste steun en rijkste vertroosting vinden, wanneer wij „blijven in hetgeen ons geleerd is, wetende van wie wij het geleerd hebben" (Paulus' brief aan Timothëus).
Alles heet in onze tijd problematiek. Achter de onfeilbaarheid der Heilige Schrift plaatsen velen tegenwoordig een groot vraagteken. Aan de ontdekkingen en resultaten der „wetensdhap" hecht men een grotere betekenis dan aan Gods Woord. „Waar is uw geloof? "
Geen wonder, dat zo de „Volharding der heiligen" alle steun en stut dreigt te ontvallen. Jakobus waarschuwde er tegen: „Wie twijfelt, is een baar der zee gelijk". Daarentegen gaf ons de Kerk der Reformatie het voorbeeld, door de petrinische opwekking ter harte te nemen (en dat: wars van alle roomse „traditie"-geloof): „Wij hebben het profetische — én apostolische! — dat zeer vast is, en gij doet wel, dat ge daarop acht slaat, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de Morgenster opga in uwe harten".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's