De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS (2)

9 minuten leestijd

Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben....

Met deze eerste vraag legt de catechismus terstond beslag op de diepste roerselen van ons aller hart, wijl ze de mens als zodanig betreft. We worden persoonlijk gesteld voor de vraag, wat de grond van ons leven en onze levensverwachting is?

De christen kent op deze vraag maar één — het hier gegeven — antwoord. Het is zijn belijdenis, een loflied op het evangelie van Jezus Christus, dat hem geleerd is, toen ihij in de nood van zijn leven in de ontmoeting met zijn God geen antwoord meer wist te geven. Het is hem — tegen alles in, wat het anders zei — voorgezegd, en hij moest en mocht het nastamelen. Het is waarlijk zijn troost en zijn énige troost.

Zoals reeds gezegd is dit antwoord eigenlijk een samenvatting van het gehele boekje, dat dus daarmee gestempeld is als ontvouwer van de Troost-Waarheid. Daarmee heeft het ook een kenmerkende trek van het onderricht de Schriften weergegeven, daar toch het Woord zelf de leer als troost schetst. Schrijft Paulus niet: Want al wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop zouden hebben (Rom. 15 : 4).

Ongetwijfeld is de ontvouwing van de ware troost één van de voornaamste oogmerken van de „sana en pura doctrina" (de gezonde en zuivere leer). En troosten kan zij, omdat de levende God zelf achter deze leer staat. Hij staat voor de vervulling ervan borg. Die bankroet is gegaan en in zichzelf bankroetier blijft kan er weelde aan beleven — tot in zijn stervensuur toe — op kosten van het Lam, dat hem kocht, bewaart en door Zijn Geest verzekert van't eeuwige leven.

Juist opdat deze troost niet verduisterd of vertroebeld wordt is de worsteling om de handhaving van de sana en pura doctrina. Mogelijk wordt opgemerkt, dat het toch allereerst moet gaan om de eer van God. Gods heerlijke deugden moeten op het hoogst worden geprezen. Ongetwijfeld! Maar deze twee oogmerken van de gezonde leer — de eer van God en het zuiver bewaren van de enige troost — staan niet tegenover elkaar, doch de laatste ligt opgesloten in de eerste. En er is geen leer, die de heerlijkheid van Gods deugden en Zijn souvereiniteit meer doet schitteren, dan juist deze troost-leer. Als het gaat om de eer van God is daarmee tegelijk de troost der Kerk gemoeid.

Juist in dat licht gezien, wordt het plotseling duidelijk, waai-om het zinvol kan zijn om de strijd met de ander aan te binden over een schijnbaar luttel verschil. In de geschiedenis der Kerk is een zware worsteling geweest om één letter. Nochthans was de strijd van de grootste betekenis. En ik denk aan Kohlbrugge, die op een gegeven ogenblik als bij een lichtstraal van boven in een komma het onderscheid zag tussen een dwaalgevoelen en de gezonde leer.

Het gaat bij een dergelijke beslissende worsteling niet om een theoretische aangelegenheid, een theologenkwestie, maar ten diepste om de vertroosting der Schriften. Natuurlijk zou men kunnen zeggen: om de eer Gods. Maar die twee vallen samen. Want de verheerlijking Gods houdt in de vertolking van de enige troost.

Zo is de strijd voor de handhaving en tegen de verminking van de sana en pura doctrina zinvol, ook al geeft dat de schijn van bekrompenheid. Was ik er van overtuigd, dat ze dat niet was, dan werd ik vandaag nog Grieks-Orthodox. Het komt mij voor dat de oekumenisten alleen dan consequent zouden zijn, als zij het werden.

De eerste vraag van de catechismus wordt door de mensen heel verschillend beantwoord. Haar laten liggen vermag niemand, ook al doet hij alsof. Er is immers niemand, die niet een „troost" heeft in zijn leven. In deze wereld vol nood, ellende en dood kan niet zonder troost worden geleefd. Troost is immers een overlegging in ons gemoed en verstand, waardoor we tegenover het kwaad, dat ons treft of bedreigt, enig goed stellen (wat wij voor goed houden), zodat ons hart daardoor gerust gesteld wordt en we het kwade dragen, ziende op dat goede. Terecht mag daarom gezegd worden dat niemand zonder troost leeft.

Het is alleen maar de vraag van welke troost men leeft? Ieder denkt er zo het zijne van. Het kind zoekt zijn troost in zijn speelgoed, de jeugd heeft haar idealen, de oudere hoopt op een rustige oude dag. Hebben we het vandaag verprutst, zo denken we: morgen beter! — Ja, de gehele geschiedenis door heeft de mens zich gepijnigd om het rechte antwoord te kunnen geven op de laatste en diepste levensvraag: Wat kan ons troosten in leven en in sterven?

De wijsgeren hebben hun stelsels ontworpen, waarin zij het waarom en waartoe van het menselijk leven menen te kunnen doorgronden. Maar niemand lukt het en zal het lukken, indien geweigerd wordt acht te geven op het licht, dat het Woord Gods over de wereld en de mens doet opgaan. Men zoekt, doch vindt niet. Of men het zoekt met Epicurus in het levensgenot, of met de stoïcijn in het gelaten ondergaan der dingen, of in deugdbetrachting, of dat men de heilstaat als troost stelt, of het zoekt in ras, bloed en bodem of in de absolute existentiële vrijheid van de mens, op een bepaald ogenblik valt het gehele bouwsel in elkaar en de mens krepeert in zijn ellende.

Alleen de openbaring Gods laat licht opgaan over de menselijke nood en wijst ook alleen de enige ware troost aan. Gods Woord legt de nood van de mens open in de zonde en de ellende, die daaruit voortvloeit. Het openbaart de toorn Gods over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen en ontsluit de ontzettende afgronden van de dood. Zij, wier verstand verlicht wordt tot ware Gods- en zelfkennis, voelen alle grond onder hun leven wegzinken. Maar dan worden deze ook verlicht tot kennis van de enige en waarachtige Troost in leven en sterven, n.l. Jezus Christus, de Weg, de Waarheid en het Leven.

Het leven op zichzelf genomen is toch eigenlijk niet veel meer dan een aaneenschakeling van teleurstellingen, vrees, zorg en benauwdheid. De vreugde is ras verteerd. Het uitnemendste is moeite en verdriet, zei Jakob. Smarten en kommer, doornen en distelen worden dagelijks ontmoet op de levensweg. Het leven baart gedurig strijd; de dood rijdt met ons mee. Hij is niet te ontlopen, soms gezocht, maar nooit bemind. De oude kretenzen plachten alles wat aan de dood herinnerde te negeren en uit de gesprekken te weren. Verscheen er iemand niet op een samenkomst, omdat hij gestorven was, dan werd op de vraag, waar hij was, geantwoord door degene, die van zijn dood op de hoogte was: Hij is even ergens heen! en er werd niet meer over hem gesproken. Zij hadden om zo te zeggen de dood aangekleed. Er is niets nieuws onder de zon. De wereld wil bedrogen zijn. De angst voor de dood laat zich niet verwijderen uit het hart. Voor degenen, die onder het Woord leven, komt daarbij nog de aankondiging van het oordeel, dat niet ontlopen kan worden. De zonden veroorzaken hun wroeging. Als ze waarlijk in ons levend worden 'benemen ze ons het leven en vullen ze ons hart met verschrikking.

Daar hebben we wel te weten, wat onze troost is, en of die troost opgewassen is tegen al dat nameloze wee. Ge zegt misschien: Kom, niet zo somber! Er is nog zoveel goeds! — O zeker! Doch nochthans zijn we ellendig als we God niet 'kennen in Jezus Christus. Blijft het zo, dan sterven we zonder ooit te hebben geleefd.

Troost moet ik hebben, niet alleen voor het leven, maar ook voor het sterven: een troost, die mij bijblijft in de doodsjordaan en die er mij door heen draagt. Voorts is in de derde plaats nodig dat deze troost mijn énige is. Mijn hand, mijn mond, mijn hart mogen zijn vervuld met één gegeven schat, niet van deze wereld, maar door de eeuwige God geschonken en door Hem voor mij en in mij bewaard. Zó, dat ik omhelzen kan, al worden mijn handen afgekapt, en ademen kan, hoewel mijn keel wordt dichtgesnoerd, ja dat ik leef, al wordt mijn hart doorboord. Dat was de troost van Paulus: ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere (Rom. 8 : 38, 39). En Asaf beleed: Wie heb ik nevens U in de hemel, nevens U lust mij ook niets op de aarde! Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid. — Ziehier de, troost van Gods Kerk. Die alleen is vuurvast en zal de zwaarste atoomuitbarsting doorstaan.

In het eerste antwoord van onze catechismus (Dat ik in het leven en sterven ....) 'beluisteren we kloeke taal. Het is taal, waarin het reformatorisch leven bruist. Geen aarzeling klinkt erin. Het leven onzer hervormers was met Christus verborgen in God, en uit dat leven getuigden ze.

Om met hen één te zijn hierin is ons één ding nodig: dat ik in mijn ik onttroond en ontkroond ben, word en blijf. De christen zegt immers, dat hij van meester en heer is veranderd.

Het eerste, wat we uit zijn mond horen, is, dat hij — niet anders — maar van een Ander geworden is. Hij was eigen meester, maar is nu van Jezus Christus.

Wat stempelt ons leven en ons worstelen? — Om anders te worden? Of om te weten 't eigendom van de Ander te zijn?

Bij schriftuurlijk leven des geloofs draait het om het laatste. Gaat het daarom ook bij ons?

Bij het vallen van het eerste licht in het hart moge aanstonds dit besef geboren worden, zo kan het ons voor veel doolwegen behoeden. Wel is dat het vlees niet aangenaam. Want het godsdienstige vlees droomt van „anders", van „vroom" worden. Alleen de goddeloze beseft, dat zijn enige redding ligt in het „het eigendom worden van de Ander". Hij kan immers zelf de prijs der ziel nooit betalen.

Nochthans — omdat vlees een rol blijft spelen in het gehele leven van de christen, is waar wat Kohlbrugge schrijft aangaande het eerste antwoord van de catechismus: Hoe lang hebt gij over de eerste vraag en het eerste antwoord van de catechismus te leren? Mijn gehele leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's