Synodale geluiden omtrent de kernbewapening (2)
Want wij schrijven u geen andere dingen dan die gij kent of ook herkent (2 Kor. 1:13a)
§ 1. Wat is dit voor een geschrift?
(vervolg)
Eén ding lijdt nauwelijks twijfel: beide geschriften — het rapport van 1962 zowel als dat van 1952 — zijn als een herderlijk schrijven bedoeld.
In de discussie, die op de verschijning van het jongste rapport is gevolgd, heeft dan ook onze Synode geen gelegenheid verzuimd om haar opponenten voor te houden, dat dit rapport als een pastorale boodschap behoort te worden opgevat.
Het valt op, dat onze Synode hier telkens weer op terug komt. Pas nog heette het: „Wat de kerk hierover zegt is geen vrijblijvende mening, waar ieder maar mee doen moet, wat hij wil. Het is ook geen absolutistische uitspraak, waar elk kerklid zich aan heeft te onderwerpen".
Hoe verklaar ik dit refrein?
Blijkbaar rust op het geschrift de schijn van het tegendeel: de radicale uitspraak inzake de legitimiteit van de kernwapenen — de pointe toch van heel het synodale betoog — suggereert eer een voorschrift dan een aanbeveling.
Hier rijzen allerhande vragen: Als wat zal nu het rapport in de praktijk worden gebruikt? Wie draagt bij misbruik de verantwoordelijkheid, de lezer alleen of ook de steller? Is het rapport voor niet-hervormde lezers überhaupt toegankelijk, als niet wordt beschikt over de „handleiding" van ds. Landsman? Is onze Synode er wel voldoende van doordrongen, dat zij in een glazen huisje staat, midden in de grote wereld?
Met het vorenstaande is niet alles gezegd.
Daar is al dadelijk de vraag: Lag het wel op de weg van onze Synode te spreken zoals zij gemeend heeft dat te moeten doen (ir. Smit e.a.)?
Zoals reeds opgemerkt, trad onze Synode deze maal buiten het pad, dat zij de vorige maal voor zich zag.
Dit optreden lijkt mij overigens volkomen geoorloofd, al is daaraan het risico van gezagsverlies verbonden (prof. Patijn e.a.). Angst voor gezagsverlies — gezichtsverlies, zo men wil — is wel het laatste, waarnaar een kerkelijk college zich zou hebben te richten.
Het stemt m.i. tot dankbaarheid, dat onze Synode gesproken heeft. Ik waardeer zowel de ernst als de moed, waarmee zij thans ten overstaan van kerk en volk de vinger opheft.
Het moet worden toegejuicht, dat onze Synode acte-de-présence geeft in een situatie als die waarin wij ons thans bevinden. Heeft ook niet onze Synode in meer dan één opzicht het juiste moment aangegrepen?
Het synodaal geschrift moge een voorbarige uitspraak bevatten, vaag zijn en inconsequent, ja wat niet al, er blijft voor ons genoeg ter overdenking staan, zodat een prijzend woord in dit verband niet mag ontbreken. Is het niet een voorrecht tot een kerk te mogen behoren, die in deze weg tucht uitoefent?
Terzijde: past ons hier niet de hand in eigen boezem? Hoevelen zijn er niet in ons midden, voor wie de grote wereld een gesloten boek is, alsof wij op een eiland zouden wonen, ver buiten die wereld? Hoevelen missen niet de wijde blik van de grote Picardiër, naar wie wij ons zo graag vernoemen (Calvijn)?
Ik zou zo door kunnen gaan: Zijn wij vaak niet stekeblind voor wat die grote wereld beroert? Zien wij intussen niet om ons heen gebeuren wat de Heere Jezus voorzegd heeft omtrent de eindtijd? Zijn niet de dodencijfers in het wegverkeer een illustratie op de toenemende wetsverachting en dé verkillende liefde (Matth. 24: 12)? Is er niet een radeloze angst onder de mensen (Luc. 21 : 25 en 26)? Enz.
Een tweede vraag, opgeworpen van verschillende kant (Mr. Aantjes e.a.): Tot wie spreekt de Synode, en namens wie? Elk schrijven toch heeft een afzender en een adres, waarom een herderlijk schrijven niet?
Sommigen zijn van gevoelen, dat onze Synode de kerk niet representeert; zij zou dus namens zichzelf alleen hebben gesproken.
Ik acht deze visie aanvechtbaar. Een synode kan m.i. moeilijk anders spreken dan uit naam van de kerk, die zij voorzit. Wat interesseert ons de visie van zo'n college anders ? Uit de binnengekomen reacties is intussen ook wel duidelijk gebleken, dat algemeen de kerk beluisterd is geworden.
Een andere vraag is natuurlijk of de „infrastructuur" van onze kerk met die figuur in overeenstemming is! Het is toch op zijn zachtst gezegd merkwaardig: een synode, die spreekt tot de kerk, namens diezelfde kerk
Is het zo'n wonder, dat derden (Algra o.a.) zich hebben afgevraagd: Is daar niet de hoogkerkelijkheid aan het woord?
Nog ligt ons allen vers in het geheugen het optreden van dr. Visser 't Hooft, secretaris-generaal van de Wereldraad van Kerken, ten tijde van de Cubaanse crisis in de afgelopen herfst.
Was dit niet een staaltje van vermetele hoogkerkelijkheid ?
In ons midden is al vaak opgemerkt dat de „top" van de Nederlandse Hervormde Kerk overhelt naar links, kerkelijk zowel als politiek Thans trekt dit verschijnsel in bredere kring de aandacht.
Alle verweer dienaangaande ten spijt: op onze Synode rust het odium van een neutralistische gezindheid, tweeslachtigheid, halfslachtigheid, cultuurpessimisme
Zover was het wellicht nooit gekomen, als onze Synode zich tevoren gewend had tot degenen, die haar in de afgelopen maanden van repliek hebben gediend. Althans had zij zich tevoren behoren te wenden tot die lidmaten van onze kerk, die krachtens hun ambt deskundig moeten heten op het terrein van de internationale politiek (onze parlementariërs, enz.).
Ik betreur dit optreden zeer. Ik had van de zijde van onze Synode ook meer egards verwacht tegenover ons aller hoge overheid, tegenover de andere kerkgenootschappen in ons land, enz.
De mate van deskundigheid, welke onze Synode zich heeft weten te verwerven, staat niet aan mij ter beoordeling. Het pogen, zich de vereiste kennis toe te eigenen, is er zeker geweest. Het gaat mij enkel om de wijze waarop onze Synode gemeend heeft dat te moeten doen.
Wat is toch de reden, dat zij menigeen voorbij liep? Vanwaar toch die gejaagdheid ?
ik vrees, dat onze Synode mede het slachtoffer is geworden van „pressuregroups" als „Kerk en Vrede" o.l.v. prof. De Graaf, „Nieuw Politiek Ethos" o.l.v. prof. Rasker en andere bewegingen van pacifistische signatuur. Ik zeg dit niet zonder reden: de strijdmethoden, in pacifistische kring ingeburgerd, zijn gemeenlijk anders dan wel van vredelievende mensen mocht worden verwacht . . . .
Onze Synode richt zich tot kerk en volk, d.i. tot allen en een ieder. Een kwestie dus van concentrische cirkels, zonder enige beperking naar buiten.
Hier zou kunnen worden gevraagd: Welke verwachtingen koesterde onze Synode aan de vooravond van die historische zitting?
Er is op gewezen, dat van de kerk amper „response" mocht worden verwacht (dr. Dippel).
Tot op zekere hoogte is dit ook begrijpelijk. Zal niet op vele plaatsen het rapport worden weggelegd als een niet te verteren stuk?
Ook is opgemerkt, dat onze Synode zich beter tot de hoge overheid alleen had kunnen wenden instede van tot kerk en volk.
In deze en dergelijke opmerkingen moge veel waars schuilen, zij houden m.i. toch geen steek. Beknotting van de mondigheid der lidmaten ener presbyteriale kerk is wel het laatste, wat de synode van zo'n kerk betaamt. Is niet juist het wezenskenmerk van alle ware gezag, dat dat gezag die mondigheid verdraagt, ja zelfs bevordert (prof. De Graaf)?
Rest ons nog één vraag: Was het een schriftuurlijke weg, die onze Synode insloeg?
Wij laten hier de inhoud van het geschrift nog een ogenblik rusten; wij hopen die op een later tijdstip met elkander door te nemen. Thans gaat het enkel om de vorm.
Dan zal er blijkens hetgeen Paulus schrijft aan de gemeente van Corinthe steeds besef van onderlinge verbondenheid behoren te wezen. Wat dan die verbondenheid uitmaakt is geen vraag: dat is het doorgaande belijden van de Strijdende Kerk. Aan dat belijden kennen wij elkaar en erkent ook de één de ander.
Hier nu raken wij een gevoelig punt aan.
Enerzijds werkt het klimaat niet mee: Is niet het communicatie-vraagstuk het thema van de dag in de kleine en de grote wereld, binnen en buiten de kerk?
Anderzijds missen wij in het onderhavige rapport noties, die ons dierbaar zijn. Waarom rept onze Synode met geen woord over artikel 36 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis (Mr. Aantjes)? Zondag 39 van onze Heidelberger komt evenmin ter sprake.
Ik mis terzake de aansluitingen. Het is alsof het geheel wat in de ruimte zweeft
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's