De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

10 minuten leestijd

Lente en geen lente — Nadere precisering — Een afscheid — Toch lente.

Gerekend naar de kalender zijn we reeds een paar weken in de lente. Maar het voorjaarsweer, waarnaar we „ontslagen van de winterboei" zo verlangend uitzagen, laat, met uitzondering van een enkele dag, waarin de milde zon de guurheid verdreef, nog op zich wachten. Het is, terwijl ik dit schrijf, in de natuur koud en grijs. Toch zet het leven zich door. Het gras vertoont reeds een groenend aspect. Voorjaarsbloemen beginnen, zij het schuchter, uit te komen. Het wintergraan, gespaard door de wondere zorg Gods, begint zich verder door te zetten. Alles, al gaat het ons, ongeduldige mensen als we zijn, te langzaam, zegt ons, dat ook nu het psalmwoord in vervulling gaat „En Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks". Ook hier geldt, dat het geschiedt, doordat „God Zijn Geest uitzendt" (Ps. 104 : 30).

Ziet het er in de wereld van nu anders uit dan in de natuur? Vele rampen troffen de mensheid. In Indonesië — Bali — bracht een vulkanische uitbarsting duizenden in leed en nood. En niet alleen daar. Ook van elders bereikten ons onheilstijdingen. In andere delen openbaarden zich revoluties én machtsverschuivingen. Krachtmetingen in stakingsgeweld tussen arbeiders en regering troffen Frankrijk. En zo zou ik door kunnen gaan. Doch waartoe? Ik kom, alles op mij latend inwerken, ook hier tot de conclusie: Koud en grijs.

Zie ik de dingen te donker? Zijn wij in ons volksleven niet voor erupties en „misdadige woelingen" gespaard? Zeker, dat wel. En we mogen God Almachtig ervoor danken.

Maar is er iets te zien, dat de nationale gedachte de nationale geschillen overheerst? Gaat er uit hen, die zeggen met God en Zijn Christus te willen rekenen in maatschappelijk en politiek leven een getuigenis met woord en daad uit in ons volksbestaan? Is er, om dit ene te noemen, een drang bij hen om alles op alles te zetten, de woningnood te lenigen? Daarvoor te werken, zolang het dag is? Gaat er daartoe bezieling uit van de Kerk, onze Kerk, en welke Kerk ook? Of heeft de secularisatie, het proces het leven in al zijn uitingen te onttrekken aan alle invloed der christelijke religie, ons allen in haar ban? Ook hier kan gelden: „Koud en grijs".

„Uitermate troosteloos", zegt ge wellicht. Ja, gewis, als we alleen zien in het horizontale vlak. Maar ondanks alles zendt God nog Zijn Geest uit. En Hij zet de worsteling door in 'n zich seculariserende wereld. Dat is de zonnestraal, heenbrekend door het koude en grijze uitzicht. En Hij zal het winnen „hoe dan ook!" Dat zegt het Woord Gods. En dat Woord liegt niet. „God is een man van Zijn Woord" (Kohlbrügge).

In de vorige Kroniek heb ik iets geschreven naar aanleiding van 't veertigjarig jubileum van „Protestants Nederland". Ik ben daarin betreffende één punt onjuist geweest, nl. toen ik het vermoeden uitsprak, dat de oprichting in 1933 geschiedde, omdat „de Evangelische Maatschappij niet positief genoeg zou zijn naar het oordeel dergenen, die zich geroepen voelden tot de instituering der thans jubilerende vereniging. De aandrift tot de daad was echter een andere.

Het jongste nummer van „Protestants Nederland" licht daarover beter in en wel in een artikel van dr. K. H. E. Gravemeyer, „de enige nog in leven zijnde predikant-oprichter". Hij doet dat tamelijk uitvoerig.

Hij wijst er eerst op, dat „verenigingen oprichten voor het ware geloof een hachelijke zaak is, omdat gemakkelijk ons werk voor Gods werk schuift". Dit wordt dan op indringende wijze toegelicht.

Daarna tekent hij de situatie op politiek en kerkelijk terrein in de dagen rondom de oprichting, een tijd van grote verwarring in Nederland. „Wat de Heere God in Zijn grote genade in en door de Reformatie aan Nederland had geschonken, werd van alle kanten bedreigd".

„De Hervormde Kerk.. . toonde zich tolerant tegenover alle leer, die naar de Godzaligheid is... . De gemeenschappelijke schuld werd niet of te weinig gezien". Deze verwarring allerwege „werd een grote kans voor de opdringende Kerk van Rome", een kans te schoner, door veler handhaven van de coalitie op staatkundig terrein. Zo komt de schrijver tot het volgende, dat ik nu doorgeef:

„Het werd de grote kans voor Rome, welke van de gelegenheid, welke de zogenaamde neutrale staat haar biedt, gebruik maakte om haar invloed te versterken. Wij herinneren aan het grote Eucharistisch Congres, aan de herhaalde pogingen om tot grondwetswijziging te komen en om opheffing van het processieverbod te verkrijgen.

Ontstellend was toen (gelijk nu nog) het gebrek aan theologisch inzicht bij veel predikanten, die hun verwerpelijke tolerantie-inzichten zwaarder heten wegen, dan Gods Woord en de belijdenis hunner kerk. Wij denken aan de bevoorrechting van de kloosterscholen en zoveel meer.

In het jubileumnummer van ons blad bij het dertigjarig bestaan van onze vereniging is indertijd nader op de nood van die tijd ingegaan.

De nood was ons opgelegd

Zwijgen zou tot zonde zijn geworden. Er moest getuigd worden, nu de kerk verstek liet gaan. Daarom is de roeping van de vereniging „Protestants Nederland" allereerst: .

Protestari! Getuigen!

„Der waarheid getuigenis geven". Plaatsvervangend, daar de georganiseerde kerk haar opdracht verwaarloosde. Maar de gemeente en de gemeenteleden hebben 'n eigen verantwoordelijkheid. „Gij zult Mijne getuigen zijn."

De ware gemeente is verspreid in verschillende kerken, maar is toch één in Christus Jezus".

Hierna betrekt dr. Gr. het heden in zijn gezichtsveld en vervolgt dan:

„En nu 1963. Moet „Protestants Nederland" blijven bestaan? Ja! in diezelfde nood, waaruit zij geboren werd. Wanneer zij niet bestond, moest zij worden opgericht. Ik schrijf dit met droefheid neer, als behorend tot de Hervormde kerk. Zij heeft nu een bijbels verantwoorde organisatie en een mond gekregen, maar zwijgt dikwijls, wanneer zij spreken en handelen moest en spreekt, wanneer zij beter kon zwijgen".

Tenslotte citeer ik nog:

„En dan is er nu (ook weer tot onze droefheid en tegen onze verwachting) de nivellerende invloed van de Wereldraad der kerken met als gevolg een ontstellende verflauwing der grenzen, ook ten opzichte van Rome, dat wel haar houding en methode, maar niet haar wezen verandert. Dit is een nieuwe dreiging voor het Protestantisme.

Van alle kanten klinkt de roep om eenheid. Eendracht maakt macht.

Eenheid van de kerken met al haar dwalingen en afwijkingen van het Woord. Al wil men dit nog zo heftig ontkennen, het loopt uit op een eenheid ten koste van de Waarheid, niet door de Waarheid.

De Waarheid, Christus, brengt éénheid, maar ook scheiding".

Dit is een klaar getuigenis, dat in onze tijd van nivellering weldadig aandoet, omdat het ons vertolkt de eis van Gods Woord en Waarheid, die geldt voor alle tijden.

Op de onlangs gehouden deputatenvergadering der A.R.P. heeft mr. A. B. Roosjen, afscheid genomen als kamerlid. Het schijnt in die partij een ongeschreven wet te zijn, dat kamerleden, die de leeftijd van 65 jaar bijna of ten volle bereikten, niet voor herkiezing in aanmerking dienen te komen. Of dit een de partij of de grote zaak, waarom het gaan moet, dienende gedragslijn is, waag is te betwijfelen, met name waar het mr. Roosjen geldt. Maar dit ter zijde.

Mr. Roosjen heeft zich niet langer beschikbaar gesteld, wat ik, na wat daarom heen zich heeft afgespeeld, begrijp.

Hij nam afscheid met een zeer bewogen rede, die ik zou willen typeren met de woorden: „Dood, maar ze weten het niet", al stond er in „Nederlandse Gedachten" d.d. 30-3-'63, waaraan ik één en ander ontleen, een ander opschrift boven. De rede van mr. R. gaf mij aanleiding tot genoemde typering, want ze was er eigenlijk het thema van. Dit was ontleend aan een Ierse sage, die verhaalt, dat twee mannen stonden bij een schildpad, die de poten nog bewoog, maar de kop miste. De slotsom waartoe ze kwamen was: „Dood, maar ze weet het zelf nog niet." In het vervolg van zijn rede ontwikkelde mr. R., dat de tegenstanders van het christendom „humanisten en ongeloofsprofeten" dit op de tegenwoordige generatie van belijders van het christendom toepassen: „Dood, maar ze weten het zelf nog niet". Hij wees op van Vloten, die een eeuw geleden zeide, dat „wat het licht voor de ogen, en de lucht voor de longen is, eenmaal het calvinisme voor ons volk geweest is." Maar „wie proberen wilde het calvinisme opnieuw te doen spreken zou slechts spoedig bemerken een lijk op te graven".

Daarna plaatste hij een citaat van Vestdijk, die schreef, in zijn „Toekomst der religie": „Dat het christendom eens verdwijnen zal, lijkt mij niet alleen waarschijnlijk, maar ook wenselijk."

Vestdijk wilde die verdwijning niet geforceerd, ze moet zich voltrekken langs „lijnen van geleidelijkheid", tot een punt, waar niemand meer zeggen kan of de heersende religie nog christelijk is, of dat zij reeds tot iets anders is geworden.".

Daarna stelde mr. R. de vraag: „Hoever is men daarmede al gevorderd? " „Leven wij inderdaad in een tijd, waarin men van ons als christenen kan zeggen: „Dood, maar zij weten het zelf niet, want zij bewegen nog? " En op de vraag hoe men er toe komt het faillissement van het christendom aan te kondigen, antwoordt hij: „Zou het geen verband kunnen houden met het matte, flauwe, weinig sprekende beeld, dat wij, evangeliebelijders, helaas zo vaak vertonen? "

In het vervolg van zijn rede confronteerde mr. Roosjen zijn gehoor met het strooibiljet, dat Groen van Prinsterer in 1864 aan de kiezers richtte, waaruit ik het slot citeer. „Zeg en herzeg hun, dat ik niet als staatsman, dat ik niet als hoofd van een partij, maar dat ik als belijder van het Evangelie hun gelovig amen op mijn belijden in de Tweede Kamer tegemoet zie." In het slot wijst mr. R. er op, dat dit het is, waarom het in alle verkiezingsstrijd moet gaan, ook „in het jaar onzes Heeren 1963". Mr. Roosjen heeft, dacht ik, op waardige wijze afscheid genomen, met een rede, waarin iets doorklonk van wat voorheen de geestdrift deed tintelen en drong om door Gods genade te staan voor de Waarheid van het Evangelie, ook op politiek erf.

„Lente en geen lente" dat was, waarmee ik deze Kroniek aanving. Maar dat kan het slot niet zijn. Het leven zet zich door, wij zullen het zien, als God hel ons gunt. Rijker predikt dit het Paasfeest, dat wij tegengaan. Dit is immers het wonder van de Paasmorgen, dat Christus Jezus de dood en alle macht van duivel en hel overwon. Hij is de Opstanding en 't Leven. „Krachtiglijk bewezen te zijn de Zoon van God uit de opstanding der doden" (Rom. 1:4). Toen begon het te lichten: in de natuur, in de wereldhistorie in de harten der discipelen, in wier leven zich verwerkelijkte: „des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich" (Ps. 30). Dat licht van Gods genade kome over ons in de ontfermingen des Geestes. Dan weten wij te leven door Hem. Die de overwinning wegdraagt en bidt voor Zijn Kerk en haar niet vergeet. Hij bereidt het grote Pasen voor. En het zal komen, door het oordeel heen om onzer zonde wil. Pasen 1963 doe ons kennen die kracht des geloofs, waardoor wij ons tot Hem bekeren en ons verlustigen, dat de Vader Hem heerlijkheid heeft gegeven, opdat (ons) geloof en hoop op God zijn zou (1 Petus 1: 21)

Dan leven wij en toeten, dat wij leven, „door het geloof des Zoons van God, Die ons heeft liefgehad en Zichzelve voor ons heeft overgegeven" (Gal. 2 : 20)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's