De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

8 minuten leestijd

OPENBARINGEN 20 HET DUIZENDJARIG RIJK

(51)

Openbaring 20 v. 7—10.

De vorige maal zagen wij, 'hoe Johannes getoond werd, dat aan het einde van de duizend jaren de Satan nog voor een tijd ontbonden wordt en de gelegenheid krijgt om nog éénmaal storm te lopen tegen de voortgang van het Koninkrijk Gods en de gemeente des Heeren op aarde.

Hij zal de volkeren daartoe mobiliseren.

In vers 9 wordt deze stormloop nog nader beschreven. Johannes aanschouwt, dat zij, — de volkeren —, de legerplaats der heiligen en de geliefde stad omringden.

Met die uitdrukkingen „legerplaats der heiligen" en , geliefde stad" wordt dan de gemeente Gods aangeduid.

Wat die eerste uitdrukking betreft, de beeldspraak, daarin gelegen, is duidelijk. Zoals Israël éénmaal, na de uittocht uit Egypte, op reis naar Kanaan, in de woestijn in tenten gelegerd was, zo is de gemeente als het ware hier op aarde nog gelegerd in de woestijn van deze wereld.

En wat die tweede uitdrukking betreft, hierbij zullen wij in elk geval verband moeten zoeken met Jeruzalem, oudtijds de hoofdstad van Israël. Dit Jeruzalem was het godsdienstig middelpunt van het volk, de stad, waar God Zijn woning had. (ps. 132) In Zijn ogen en in de ogen der vromen was het de geliefde stad. (Ps. 137 v. 5)

Echter, hier rijst wel de vraag, hoe moeten wij deze uitdrukking hier in vers 9 verder opvatten?

Die verklaarders der Schrift, die het Chiliasme verwerpen, zijn meestal van gedachte, dat wij ze zonder meer in overdrachtelijke zin moeten nemen, zoals -ook de voorafgaande zegswijze geen letterlijke betekenis heeft. Ze zou een geestelijke zin hebben. Zoals Jeruzalem éénmaal de plaats was, waar God in bijzondere zin wilde wonen bij Zijn volk, zo zou hier de gemeente worden aangeduid als de plaats, waar Hij steeds weer bijzonder wonen wil met Zijn Geest en door Zijn Woord.

Opmerkelijk is, dat er onder deze verklaarders zijn, die deze uitdrukking „geliefde stad" toch niet zonder meer in overdrachtelijke zin nemen. Prof. Greijdanus merkt b.v. in zijn commentaar op, dat heel goed Jeruzalem in Palestina bedoeld kan zijn en dat daar dan dus de gemeente haar middelpunt zal vinden. Speelt hier de gedachte doorheen, dat er voor die tijd nog iets groots met Israël zal gebeurd zijn ? Namelijk, dat er onder dit volk nog een bijzondere bekering zal plaats grijpen en het dan nog een bijzondere rol in de gemeente des 'Heeren zal spelen ?

Bij alles is dit een belangrijk punt.

Over het algemeen willen die verklaarders der Schrift, die het Chiliasme verwerpen, niet weten van zulk een bekering van Israël. Toch waren er onder hen, die dit wel meenden te moeten aannemen. En in de laatste tijd zijn er stel- Hg meerderen, die toch weer in deze richting willen denken.

Andere verklaarders, die het duizendjarig rijk zien als iets, dat in de toekomst nog moet komen, uiten zich op dit punt veel stelliger. Er zullen nog een bijzondere bekering en herstel van Israël plaats vinden. En de uitdrukking „geliefde stad" moet ook in meer letterlijke zin worden opgevat.

Israël zal weer tot de Messias bekeerd worden en wonen in het oude land. Het zal een belangrijke plaats innemen in de Kerk en in de verkondiging van het Evangelie in de wereld. En het zal de volkeren alsnog tot een grote zegen zijn. Doch als dan daarna Satan ontbonden zal worden, zal deze zich vooral tegen dit centrum keren. De eindstrijd zal zich concentreren in het land der vaderen. Daar, waar kribbe en kruis gestaan hebben en het geopend graf gelegen heeft, zal ook de laatste slag geleverd worden. Waar het Zaad der vrouw de kop der slang heeft verpletterd, zal ook de macht van het zaad der slang voorgoed vernietigd worden.

Voor deze gedachtengang verwijst men o.a. naar Zacharia 14 vs. 2—4. „Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen en de Heere zal uittrekken en Hij zal strijden tegen de heidenen, gelijk ten dage, als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds. En Zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt tegen het Oosten".

Stellig moet hier de vraag worden gesteld of het juist is, deze uitdrukking uit vers 9 „geliefde stad" alleen in overdrachtelijke zin te nemen, als aanduiding van de Nieuw Testamentische gemeente. Ligt er in deze uitdrukking niet meer besloten ? Mogen wij toch niet aannemen, dat er in de toekomst nog iets groots met Israël gebeuren zal ? Dat de Heere daar, als teken van Zijn goddelijke trouw, nog een bijzondere bekering werken zal en het nog een belangrijke rol zal doen spelen in de verkondiging van het Evangelie ?

Wijzen, om slechts bij déze plaatsen in de Schrift te blijven, plaatsen als Matth. 23 VS. 38 en 39; Lucas 21 vs. 24 ; Hand. 3 vs. 19 en vooral Romeinen 11 VS. 11—36 niet in deze richting ?

't Is begrijpelijk, dat die tijd, waarin de Satan nog weer ontbonden zal zijn, voor de gemeente Gods een bange tijd zal wezen. Inderdaad, dan zal blijken, dat de Boze niets van karakter veranderd is. Doch het zal ook dan alles moeten meewerken, om de volkomen zegepraal van Christus aan het licht te brengen en daartegenover de finale ondergang van de macht van de Boze.

Johannes ziet tenslotte, dat, wanneer de Satan en de volkeren zo oprukken, vuur „van de hemel" — „van God", zoals er in bepaalde handschriften nog extra bijstaat —, neerdaalt.

De bedoeling is duidelijk. Dan gaat het finale oordeel over de macht van de boze. En zo ziet Johannes dan ook verder, dat dat vuur hen, die oprukkende legerscharen, heeft verslonden en dat de duivel, die hen verleidde, geworpen werd in de poel van vuur en sulfer, alwaar het beest en de valse profeet waren. En zij — zo staat er — zullen daar gepijnigd worden dag en nacht, in alle eeuwigheid !

Hoe komt het ook hier weer duidelijk naar voren, dat deze eindoverwinning op de macht van de boze eveneens Gods werk is ! Alles staat onder Zijn hoge leiding, die binding en die loslating van de Satan. Ook diens finale ondergang. Van Christus Zelf is hierbij geen sprake. Treedt Hij hier op de achtergrond ? Hij is het, Die alles heeft volbracht en de kop der slang heeft vermorzeld. De Vader heeft Hem verheerlijkt, omdat Hij de Vader verheerlijkt heeft. Is het daarom de Vader, Die tenslotte de macht van Christus' felste tegenstander vernietigt ?

Dit visioen tekent ons nog het gericht, dat uiteindelijk over de Boze gaan zal.

Tevoren was hij gebonden in de afgrond, dan wordt hij verwezen naar de poel van vuur en sulfer. Dit is de plaats, waaruit hij nooit meer zal worden losgelaten, 't Is de hel met haar volle verschrikking. De Schrift duidt ze wel meer aan als de plaats waar het vuur brandt, Matth. 5 v 22; Luc. 16 v 24. Hier wordt daaraan toegevoegd, dat ze ook een plaats is vol sulfer.

't Is duidelijk, dat de Schrift hier deze plaats kenschetst als een plaats, waar de ergste smart en benauwing heersen. En daar zal niet alleen de duivel zijn, doch ook het 'beest en de valse profeet, zijn trawanten. En wij voegen daaraan toe: daar zullen ook allen zijn, die de roepstemmen Gods hebben verworpen en geleefd en gestorven zijn in ongeloof en onbekeerlijkheid. Daar zullen zij aan de eeuwige straf zijn overgeleverd.

Wij huiveren, wanneer wij dit lezen. Maar ook hier geldt: God is rechtvaardig. Hij neemt de zonde en alle opstand tegen Zijn Woord en Zijn Christus zeer ernstig. Die betekenen een zich vergrijpen aan de hoogste, eeuwige Majesteit. Daarom bezoekt Hij ze ook met de hoogste, eeuwige straf!

Echter, indien wij persoonlijk iets kennen van het leven des geloofs en de Heere, Zijn Woord, Zijn Christus, ons lief geworden zijn boven alles, mag er ook heilige ontroering bij ons leven, wanneer wij dit alles lezen. Moet het ons niet telkens weer smart doen, dat er thans in ons eigen leven en in de Kerk en in de wereld rondom ons, nog zoveel is, dat in strijd is met de eer van onze Koning? Moet er geen diep verlangen bij ons gevonden worden, dat aan die toestand eens een einde komen zal? Vervult ons dan, wat wij hier lezen, niet met heilige ontroering? Eens zal er een einde gemaakt worden aan de macht der zonde. De eindtriomf zal zijn aan Christus, aan God Zelf en Zijn Koninkrijk.

En deze eindtriomf zal meebrengen dat Zijn Kerk Hem dan zonder enige onvolkomenheid meer, zal dienen en verheerlijken! Hoe wordt ons ook dit nog verder in de Openbaring geschilderd. Daar wordt immers nog het laatste eindgericht getekend en de opstanding van alle doden, van de ongelovigen tot hun eeuwig oordeel, van de gelovigen tot hun eeuwige verlossing.

En hoe vinden wij tenslotte in de Openbaring nog een machtige schildering van het Nieuwe Jeruzalem, van het eeuwig Koninkrijk, in alle glorie!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's