UIT DE PERS
Het wil maar niet overgaan met het rumoer rondom prof. Smits. Het lijkt er wel op dat met name de vrijzinnigen van alle kanten bezig zijn het vuurtje brandende te houden door telkens weer nieuwe brandstof er op te gooien. In ons vorig persoverzicht wezen we al op het schrijven van dr. De Jonge in „Woord en Dienst", waar uitvoerig op gereageerd werd in het „Hervormd Weekblad".
In hetzelfde weekblad van 4 april vraagt prof. v. Itterzon nu opheldering over het feit dat prof. Smits toch nog weer in Den Haag gepreekt heeft, nadat op 17 maart ds. Sijbrandij van Den Haag de drie vrijzinnige predikanten officieel bevestigd had. Hoe is dat mogelijk, zo vraagt prof. v. Itterzon want het breed moderamen der Generale Synode heeft prof. Smits toch zijn bevoegdheden als van een emeritus-predikant ontnomen; en dat betekent toch dat hij in een officiële dienst der kerk niet mag voorgaan. Hij schrijft dan verder:
En nu heeft prof. Smits dus toch weer op een Haagse kansel gestaan. Een kansel, die op 17 maart in het kerkelijk leven voor doop, avondmaal enz. enz. is ingeschakeld.
Dat staat dan in een krant, die met het synodaal orgaan op zijn innigst is verbonden. Sterker nog: het staat op een bladzijde, waar in de benedenhoek rechts, onder het Haagse kerkzegel wordt vermeld, dat ds. W. Sijbrandij de voorzitter van de redactie-commissie is. Authentieker kan het al niet. De vraag blijft dus klemmen: Hoe is het mogelijk, dat iemand, die niet bevoegd is een officiële kerkdienst te leiden, dit toch openlijk doet? Onder de rook van de schoorsteen van het breed moderamen der synode?
Nu opperde iemand de veronderstelling, dat de dienst van prof. Smits toch geen officiële kerkdienst zou zijn. De redenering luidde als volgt: Sommige vrijzinnige kerkdiensten zullen wèl officieel kerkelijk zijn, maar anderen zullen dat niet wezen. In deze laatste, niet-officiële kerkdiensten, zou de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden de vrije hand willen hebben en houden en zou de centrale kerkeraad niets te zeggen hebben. Het moet ons van het hart, dat zulk een redenering ons vreemd aandoet. In de pers komen soms rubrieken voor (bijv. die met advertenties en ingezonden stukken), waarboven een ieder kan lezen: Buiten verantwoordelijkheid van de redactie. Wie zich dan aan de inhoud mocht ergeren, moet er rekening mee houden, dat de redactie er buiten staat en dat zij zich van meet af aan van de inhoud van het bericht heeft gedistancieerd. Zo zou het ook kunnen zijn, dat in Hervormd Den Haag in de lijst van kerkdiensten een waarschuwing was te vinden van deze aard: Buiten verantwoordelijkheid van de centrale kerkeraad. Dan wist iedereen, dat om de een of andere reden de kerkeraad zich van zulk een kerkdienst afzijdig hield. Doch, hoe ijverig ik ook zocht, zulk een aanwijzing vond ik in genoemd kerkblad niet. Er is bovendien nog iets anders dat raadselachtig aandoet. De vrijzinnige predikanten worden toch niet voor de helft ingeschakeld, om voor de andere helft buiten het kerkverband te werken? Het is ondenkbaar, dat de centrale kerkeraad en de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden een akkoord zouden hebben getroffen, waarbij wèl gehandeld zou zijn over de verkerkelijking der predikanten, maar niet over de verkerkelijking van hun kerkdiensten. Want het ging toch om beide. En het zou zonderling zijn, als het akkoord aldus zou luiden, dat wèl de predikanten volledig in het kerkewerk zouden worden ingeschakeld, doch dat bijv. ter wille van prof. Smits, de kerkdiensten voor de helft niet-kerkelijk zouden zijn. Echt verenigingsdiensten. Toch weer echt apart. Het zou geen weelde zijn, als niet alleen de Haagse gemeente, doch ook de gehele kerk in grote openheid wist, hoe de zaken staan. Want zoals de situatie nu is, lijkt het er op, dat het besluit van het breed moderamen der generale synode van nul gener waarde wordt geacht. Hoe eerder hierin klaarheid wordt gebracht, des te beter voor het kerkelijk aanzien.
In „Hervormd Nederland" schrijft een zekere Jan Hein de Groot zijn ervaringen neer over gesprekken die hij gevoerd heeft met verschillende belijdeniscatechisanten, dus met aanstaande lidmaten der kerk. Hij komt tot de dankbare conclusie dat het doen van belijdenis tegenwoordig niet zozeer meer is een vanzelfsprekende voortzetting van een traditionele opvoeding, maar het is tegenwoordig veel meer een bewuste keuze.
Eén van de dingen waar hij ook een onderzoek naar instelde bij zijn vraaggesprekken was, of het Avondmaal in deze tijd nog aanspreekt. Hij kwam tot de ontdekking dat veel jonge mensen zich verzetten tegen de vorm waarin het Avondmaal wordt gehouden; dat is de reden dat weinig jongeren er aan deelnemen. Als men het artikel dan verder leest, huivert men als men te horen krijgt wat men bij de aanstaande lidmaten zo al voor opvattingen hoort rondom het Avondmaal; maar nog meer huivert men als men dit alles in een officieel kerkelijk blad leest zonder dat er ook maar één enkel woord van onderwijzing en terechtwijzing aan toegevoegd wordt. Alles wat de Bijbel over dit heilig sacrament zegt komt eenvoudig niet meer aan de orde. Allerlei kreten en fantasieën worden via dit artikel kritiekloos aan de lezers doorgegeven. Eerst wordt opgemerkt dat belijdenis doen en toegang krijgen tot het Avondmaal twee begrippen waren die sinds vele generaties bij elkaar behoorden, maar tegenwoordig is het al geen uitzondering meer als de dominee ook hen aan het Avondmaal nodigt, die geen belijdenis hebben gedaan. En dan volgen allerlei meningen over dit sacrament die de interviewer hier en daar te horen kreeg. Hier volgen er enkele:
Het Avondmaal is omringd met geheimzinnigheid. Je voelt je een beetje „unheimisch" als je eraan mee doet. En dat onbehaaglijke gevoel is ronduit heidens. Papoea's voelen zich ook onbehaaglijk als ze rond de totempaal dansen. Wil het Avondmaal toekomst hebben dan zal in de eerste plaats gebroken moeten worden met de tafelgedachte.
Zonder nou direct te vallen over die totempaal bij de Papoea's kunnen we hier toch wel opmerken het totale gemis aan schroom en eerbied voor het heilige. De jeugd wil daar niet meer van horen en dus werken we dat ook terstond onder de tafel. Maar er is ook een antwoord bij van een meer „ontwikkeld" iemand; een jonge student vertelt namelijk hoe hij met vrienden in Utrecht Avondmaal vierde:
Ze aten bij elkaar thuis. Uit het gesprek ontstond de behoefte om Avondmaal te vieren. Ze deden het spontaan. Ter plaatse. „We namen geen klein stukje brood, maar een hele boterham. Misschien was 't wel erg vrijmoedig, maar we beleefden het als een groots moment. Als we later in de kerk het Avondmaal vierden, vonden we niet die sfeer terug, die we thuis wel ervoeren. Eigenlijk hielden we na Avondmaal in de kerk een katterig gevoel over".
Als het niet zo oneindig verdrietig was zou men met een zekere nieuwsgierigheid gaan vragen hoe deze studenten het naast de hele boterham met de wijn afgewerkt hadden. Verder bestaat er over die sfeer van de student blijkbaar toch ook nog geen communis opinio onder de jeugd.
Een ander valt in: „Omdat al die geheimzinnigheid rond het Avondmaal is gegroeid, is men er te veel van gaan verwachten. Dan eindigt het altijd met een teleurstelling. En waarom dat geheimzinnige? Neemt, eet en gedenkt; waarom moet je er wat van verwachten? Al dat mystieke gedoe is je reinste heidendom".
Wanneer mag je deelnemen aan het Avondmaal? Het is een vraag, die vele reacties oproept. De een vindt dat je alle mogelijke ruzies, conflicten en onenigheden moet hebben bijgelegd, voordat je de dood des Heren gaat gedenken. Je zult jezelf dus moeten onderzoeken of je klaar bent.om te gaan. Maar een ander gaat hier tegenin. „Of je dan ooit zou kunnen gaan. Wie is er nu klaar met zichzelf? Het is niet zozeer de vraag hoe je naar het Avondmaal toegaat, maar hoe je er vandaan komt. Je kunt je afvragen hoe je houding t.o. de wereld moet zijn na het Avondmaal".
Veel waardering voor de tucht, die Avondmaalsgang kan verbieden, kon men niet opbrengen. Eerder leefde de overtuiging dat hij of zij, die naar het Avondmaal gaat met „een bezwaard geweten" na de bediening van het sacrament een moeilijke innerlijke strijd heeft te voeren.
Wat is goed bijbels catechetisch onderwijs en met name een goede belijdeniscatechisatie toch meer dan nodig!
In zijn gastenrubriek in „In de Waagschaal" neemt dr. Buskes een stukje over van Godfried Bomans die in de Volkskrant een stukje schreef over de discussie die in de roomse kerk op het ogenblik aan de gang is over het vraagstuk van de geboorte-regeling.
Bomans gaat in dat artikel o.a. ook in op een bijdrage van dr. Gilissen in het katholieke maandblad „Het Gezin". Deze heer Gilissen vindt dat men bij de gezinsvorming ook er oog voor moet hebben dat het blanke ras tegenwoordig nog maar een derde deel van de wereldbevolking uitmaakt en dat over vijftien jaar de gekleurde jongens al 80 percent van de mensheid zullen omvatten. De heer Gilissen vraagt zich af of dit voor de blanke geen reden is om anders over het kindervraagstuk te denken. Er zou geen kwestie Cuba geweest zijn als de Europese ouders meer kinderen verwekt hadden. West-Europa zou dan Amerika niet nodig gehad hebben en de Russen zouden we niet behoeven te vrezen; om dan nog maar niet te spreken van het Gele Gevaar. Bomans schrijft dan verder;
De behandeling der geboorteregeling vanuit een strategisch aspect is inderdaad nieuw. Of zij juist is, laat ik met vertrouwen aan de lezers over. Maar is zij ook uitvoerbaar? Ik kan mij indenken, dat een vader en moeder 's avonds bij 't lamplicht toet toelaten van een zevende kostganger bespreken en hierbij allerlei overwegingen laten gelden, die verband houden met hun persoonlijke omstandigheden. Maar wat mij enige moeite kost is de voorstelling, dat een van beiden plotseling op de gedachte komt, dat hiermee de Chinezen worden tegengehouden. Ook de inval, dat Castro hiermee een loer gedraaid wordt, lijkt mij onwaarschijnlijk, evenals het argument, dat de Russen weer een soldaat méér tegenover zich vinden. Het komt mij voor, dat de heer Gilissen de Europese gedachte in het Nederlandse gezinsleven overschat. Anderzijds meen ik, dat hij de reden, waarom men een kind verwekt, weer te laag aanslaat. Ik heb altijd gedacht, dat dit gebeurde omdat men van elkaar hield en in die liefde ook het gevolg der wederzijdse genegenheid aan het hart drukte. Dat hierbij militaire overwegingen een rol spelen, is nieuw voor mij. Ik voel er weinig voor. Ik ben, hoe ouderwets dit ook moge klinken, liever de vader van een kind dan de voortbrenger van een recruut. Liever natus dan Nato.
In „Terzijde" maakt dr. Buskes enkele opmerkingen over de mogelijkheid die er nu geschapen is om per telefoon een gebed te horen. Hij schrijft o.a.;
De voorbede duurt niet langer dan één minuut, omdat langer bidden door de PTT niet wordt toegestaan. Voor het zakenleven spreekt men van een automatische of electronische secretaresse. Laten wij — voor het geestelijk leven — spreken over de automatische of electronische voorbidder, die ons als dominees 24 uur per etmaal en 7 dagen per week ter beschikking staat. Zo'n automatische of electronische voorbidder maakt eindelijk van onze protestantse kerken heiligdommen. Tot nog toe waren onze protestantse kerken vrijwel de gehele week en ook nog het grootste deel van de zondag lege gebouwen. Van nu voortaan huist er een permanente voorbidder, die op elk uur van de dag kan worden opgebeld.
Het leven wordt de moeite en vreugde weer waard: de electronische rekenmachine op de studeerkamer voor de bijbelstudie en de voorbede per telefoon in de kerk voor de zielzorg. Als we nu ook nog de automatische of electronische preker krijgen, kunnen we op zondagmorgen uit vissen gaan.
Zo wordt het heilige verkracht door de techniek of, als u dit te fel gezegd vindt, zo worden de geestelijke dingen ontledigd door de overmacht van de techniek.
Ik ben er tegen! Vooral tegen de voorbede per telefoon. Het is toch niet vol te houden, dat, als u 's nachts opbelt en de automatische voorbidder geeft antwoord en bidt voor u, er wezenlijk van voorbede sprake is. Maar misschien ben ik achter bij mijn tijd en werkt de voorbede per telefoon toch wel, zelfs bij God, ex opere operato.
Voor de liefhebbers nog deze mededeling: met de PTT kunt u een contract afsluiten en de Bumifoon neemt het onderhoud van de electronische voorbidder geheel voor zijn rekening. Als de kosten voor een kleine gemeente wat al te hoog zijn, zouden we willen adviseren, de een of ander firma — Albert Hein of Simon de Wit — voor de zaak te interesseren. Waarom zouden we het niet proberen? Als staatssecretaris Scholten de commerciële televisie niet haalt, komen wij met de commerciële voorbede!
We eindigen met de laatste woorden van de door ons ontvangen circulaire van De Bumifoon: „Bespreekt u het eens met uw collega's, die ook van ons een dergelijk schrijven ontvingen en beluistert u eens de Voorbede".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's